De Vallei der Tranen (Hebreeuws: עֵמֶק הַבָּכָא, Emek HaBakha) is een slagveld waar de Syrische strijdkrachten in de Jom Kippoeroorlog van 1973 van 6 tot 9 oktober tegen het Israëlisch defensieleger vochten om de tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 verloren gegane Golanhoogvlakte te heroveren.
Voorgaande miniatuur|Vallei der Tranen in 2010 miniatuur|Stafvergadering van het noordelijk commando: van rechts naar links: majoor Gadi Zohar, met bril, in profiel, adjudant van de stafchef; brigade-generaal Yekutiel Adam, met snor en baret, vice noordelijk commandant; stafchef luitenant-generaal David Elazar met beide handen op tafel; generaal-majoor Eli Zeira, hoofd van de militaire inlichtingendienst; generaal-majoor Rechav’am Ze’evi, assistent van de stafchef, staand met donkere bril; generaal-majoor Mordechai Hod, vroeger hoofd van de Israëlische luchtmacht, adviseur van het noordelijk commando voor luchtaanvallen, wederopgeroepen toen de oorlog begon, met snor zittend; generaal-majoor Yitzak Hofi noordelijk commandant, zittend wijzend op de kaart.
Juni 1967 veroverde Israël in zware gevechten de Golanhoogvlakte op Syrië. Men rukte op tot de "Paarse Lijn", een reeks passen tussen "tels", kegels van uitgedoofde vulkanen. De lijn verschafte een uitstekende verdedigingspositie maar beheerste ook naar het oosten toe de hoogvlakte van Damascus. Dat was eerst de belangrijkste functie. Toen in 1970 Syrië Jordanië dreigde te overweldigen tijdens de opstand aldaar van de PLO, Zwarte September, stak men de Paarse Lijn over, verwoestte de Syrische bunkers en deed Syrië van de interventie afzien.
In 1971 nam Hafiz al-Assad de macht in Syrië helemaal over. Hij begon de Syrische strijdkrachten sterk uit te breiden, moderniseren en reorganiseren. Israël zag Syrië steeds meer als een dreiging. Net als bij Egypte drongen rechtse politici aan op het met militaire middelen een regime change te bewerkstelligen om die dreiging weg te nemen. Het radicale bewind moest ten val gebracht worden, de PLO vernietigd en het land gedemilitariseerd. Zoals eerder in 1956 en 1967 had men geen helder idee hoe na een overwinning veroverd gebied stabiel gepacificeerd zou kunnen worden.
Het Israëlisch opperbevel oordeelde dat het zeer de voorkeur had dat Syrië een oorlog zelf zou beginnen. Als het Syrische leger verzwakt was door aanvallen op de Israëlische posities, kon een tegenoffensief met de Israëlische reserves een relatief goedkope eindoverwinning verzekeren. Die posities moesten daartoe zo sterk mogelijk worden ingericht. Dat kon niet door het er legeren van een grote parate strijdmacht want Israël had met een inwoneraantal van drie miljoen maar een getrainde weerbare mannelijke bevolking van een kwart miljoen man. De kleine bezetting moest zoveel mogelijk beschermd worden door bunkers, prikkeldraadversperringen en mijnenvelden. Kleine groepjes infanterie van een parachutistenbataljon, gekozen omdat het elitesoldaten waren, vormden de bemanning van een reeks bunkercomplexen. Dieper gelegen stellingen werden bezet door drie bataljons van de 1e Infanteriebrigade, een parate elite-eenheid met een grote reputatie die informeel bekend stond als de "Golanibrigade".
De belangrijkste manier om arbeidskracht te besparen was echter mechanisering. Vier man in een tank hadden een veel grotere slagkracht dan vier soldaten in hun schuttersputje. Na 1956 had Israël daarom vol ingezet op een uitbreiding van de tankvloot. Al in 1967 was men het land met de grootste tankdichtheid ter wereld geworden en daarna zette men de opbouw van de pantsereenheden krachtig voort. Egypte en zeker Syrië namen echter kwantitatief nog sneller in kracht toe. Toch plaatste Israël geen heel grote eenheid op de Golan. De hoogvlakte werd alleen bewaakt door de 188e Pantserbrigade, de "Barak" ("Bliksem"), en die was niet eens op volle sterkte. De brigade omvatte twee tankbataljons, ieder nominaal maar drieëndertig tanks omvattend. Het was ook niet de bedoeling dat de brigade in geval van een oorlog heel snel versterkt zou worden. Nog voor de aankomst van de massa van de reserves zou de Syrische aanval binnen enkele dagen vernietigend moeten worden afgeslagen. Daarbij zou de Golanibrigade maar van beperkt nut zijn want die was maar zwak uitgerust met antitankwapens. Antitankkanonnen waren afgeschaft omdat ze als verouderd werden gezien, maar geleide antitankraketten nog niet aangeschaft. Men beschikte slechts over de Superbazooka, een gangbaar wapen in de jaren vijftig, dat niet in staat was het frontpantser van de Syrische tanks te doorboren.
Op 5 oktober kreeg de Israëlische 7e brigade bevel om een bataljon naar de Golanhoogvlakte te rijden om de 188e brigade van Yitzhak Ben Shoham te versterken. De brigadecommandant Avigdor Ben-Gal verwachtte iets. Hij beval zijn artillerie om het gebied te overzien, doelwitten te bepalen en schiettabellen voor te bereiden. Hij vergaderde met zijn bataljonscommandanten en nam ze mee naar de frontlinie. Om 12:00 op 6 oktober lag de brigade in Kamp Yitzhak, op het kruispunt van de Petroleumweg, die diagonaal door de noordelijke Golanhoogvlakte loopt en snelweg 91 die over de Brug “Dochters van Jakob” over de Jordaan naar het noorden van Israël leidt. De Israëli hadden in de Golanhoogvlakte 170 tanks en 60 kanonnen verdeeld tussen de 7e en de 188e brigades.
Er waren 1260 Syrische tanks. Elke Syrische divisie infanterie had een brigade infanterie, een brigade gemechaniseerde infanterie en een tankbrigade. Elke brigade infanterie of gemechaniseerde infanterie had drie bataljons infanterie, een bataljon van 40 tanks, een bataljon luchtafweergeschut en een bataljon artillerie. Elke tankbrigade had 3 bataljons met elk 40 tanks. De divisie had een regiment artillerie, een regiment luchtafweergeschut, een regiment verkenners met een compagnie voor elke brigade en een compagnie chemische oorlogvoering met een sectie voor elke brigade. Een divisie telde 10.000 man, 200 tanks, 72 kanonnen, 72 stukken luchtafweergeschut en luchtdoelraketten. De 7e divisie infanterie onder brigadegeneraal Omar Abrash, had 80% van zijn tanks en pantserinfanterievoertuigen.
Er waren onafhankelijke tankbrigades met elk 120 tanks en 2000 man. Een van de onafhankelijke brigades kwam van Marokko. Achteraan lagen de 1e en 3e Pantserdivisies, met elk 250 tanks. 1000 kanonnen steunden de Syrische aanval.
De 7e divisie moest doorbreken bij Ahmadiyeh in het noorden en de 5e pantserdivisie bij Al-Rafid in het zuiden. Dit zou de meeste Israëlische troepen in de Golanhoogvlakte omsingelen. Elke divisie moest in twee echelons oprukken. De 7e divisie moest westwaarts aanvallen langs El Rom en Wassett en de 5e divisie moest oprukken naar de brug Arik ten noorden van het Meer van Tiberias. Als de 5e divisie doorbrak, of zowel de 5e als de 7e, dan moest de 1e pantserdivisie tussen de 5e en de 9e divisie rijden naar Kamp Yitzhak om de Israëli aan te vallen die in de tang zaten tussen de 5e en de 7e divisie.
Op 6 oktober om 10:00 vergaderden Avigdor Ben-Gal en andere brigadecommandanten met generaal Yitzhak Hofi in Kamp Yitzhak en Yitzhak Hofi vertelde dat de inlichtingendienst een aanval verwachtte om 18:00. De 7e brigade diende als reserve bij Kamp Yitzhak en moest een tegenaanval voorbereiden in het noorden of het zuiden of opsplitsen om beide te ondersteunen. Avigdor Ben-Gal reed naar een bataljon in Sindiana en sprak met de officieren. Hij belegde een vergadering in Kamp Yitzhak om 14:00. Als ze op hem wachtten, begon de Syrische artilleriebeschieting en luchtaanval. De mannen van Avigdor Ben-Gal renden terug naar hun bataljons en Avigdor Ben-Gal verplaatste zijn hoofdkwartier buiten het kamp. Na een uur kreeg hij bevel om noordwaarts naar Quneitra te rijden en het 2e bataljon over te dragen aan de zuidelijke sector onder bevel van de 188e brigade. De 7e brigade bleef met twee bataljons ten noorden van Quneitra.
Avigdor Ben-Gal hield een reserve achter de hand en stelde een 3e bataljon samen. Hij droeg een compagnie van een bataljon over en plaatste het onder bevel van zijn bataljon gemechaniseerde infanterie. Hij schiep zo een derde bataljon met tanks. Avigdor Ben-Gal kon nu met 3 bataljons manoeuvreren. Hij ontving het 74e bataljon van luitenant-kolonel Yair Nafshi dat in de versterkingen in de noordelijke sector lag. Met het bataljon van Yair Nafshi telde de brigade 100 tanks. Het eerste bataljon lang langs de Purperen Lijn, van versterking A1 en oosten van Mas'ade aan de voet van de 2814 m hoge berg Hermon naar het zuiden tot 6 km van de 1216 m hoge berg Hermonit.
De veldslag 6 oktober miniatuur|Een Israëlische Centurion tank Om 13:55 lag de sector van Yair Nafshi onder artillerievuur. Soldaten aan de Purperen Lijn meldden dat de Syriërs de camouflagenetten van hun tanks en artillerie verwijderden. Yitzhak Ben Shoham stuurde zijn bataljonscommandanten Yair Nafshi en Oded Erez met hun 70 Centurion tanks naar de voorziene stellingen. Yair Nafshi was te Quneitra en kreeg bevel zijn hoofdkwartier naar een veiliger plaats te verhuizen. Hij beval zijn troepen de stad te verlaten en stuurde de tanks voorop met erachter de vrachtwagens. Het 53e bataljon van Oded Erez trok naar de zuidelijke Golanhoogvlakte. Een peloton van Yair Nafshi met drie tanks was bij het kruispunt Wassett toen Syrische vliegtuigen Tel Abu Nida aanvielen. Als de vliegtuigen weg waren, bewogen de mannen naar de linie met bunkers. Na 1 km kwamen ze onder artillerievuur. Om 14:00 meldde Yair Nafshi aan het hoofdkwartier van zijn brigade dat zijn bataljon gevechtsklaar was op de heuvelrug Booster.
De colonne van de Syrische 85e brigade infanterie bereikte de Israëlische tankgracht en toen beseften de officieren dat hun genie niet mee vooraan was. Ze deden de tanks en de gemechaniseerde infanterie uitstappen en te voet oversteken. Dit vertraagde de aanval en stelde de mannen bloot aan Israëlisch vuur. Yair Nafshi beval zijn mannen om de brugleggende tanks te vernietigen. In de namiddag hadden de Israëli de meeste brugleggende tanks vernietigd vanaf 1,8 km. Twee brugleggende tanks bereikten de tankgracht ten noorden van A3. Ze legden twee bruggen en tien Syrische tanks staken de tankgracht over. De Israëlische luchtmacht kwam in actie, maar meerdere vliegtuigen werden neergehaald.
In de meest noordelijke sector vocht het 74e bataljon tegen een Marokkaanse brigade van 30 tanks. Een Israëlische Centurion werd geraakt. Een Israëlisch peloton dat naar het noorden gestuurd was om de weg naar de kibboets Dan te bewaken raakte tussen de Marokkanen die naar Tel Shaeta oprukten en een Syrisch bataljon vanuit het westen.
miniatuur|Een verlaten Centurion tank in de Vallei der Tranen De compagnie van Avner Landau, nu met 7 Centurions, was ook bedreigd en kon niet helpen. Yair Nafshi liet het gebied ten noorden van de berg Hermonit over aan zijn adjunct, majoor Yosef Nissim en versterkte de sector met de compagnie van kapitein Eyal Shaham en hij hield een compagnie van het bataljon van de tankschool als reserve. Elke Centurion van de 188e brigade in de noordelijke Golanhoogvlakte was in 40 minuten paraat. Yosef Nissim beval Eyal Shaham om het gevangen peloton bij Tel Shaeta te versterken en beval zijn adjunct, luitenant Asaf Sela om met een peloton het gebied ten zuiden van Tel Shaeta te bezetten, dat toegang tot de berg Hermonit verschafte. De Marokkanen schoten op Tel Shaeta, maar rukten niet op. Het Syrisch bataljon zat vast als de voorste voertuigen op de weg waren vernietigd. De Syrische bataljonscommandant reed zuidwaarts en trachtte in te dringen tussen de weg naar de kibboets Dan en de berg Hermonit. Hij besefte niet dat hij tussen de troepen van Eyal Shaham en Asaf Sela reed, die in hinderlaag lagen. Voor 15:00 openden ze het vuur vanuit betere stellingen. Na 2 uur trokken de Syriërs terug met achterlating van brugleggende tanks, een bulldozer tank, twee BRDM verkenningsvoertuigen en 6 tanks. Eyal Shaham verloor twee Centurions.