Het aartsdiakonaat Emmerik was in de middeleeuwen een van de elf aartsdiakonaten van het bisdom Utrecht. Het was genoemd naar de hanzestad Emmerik, destijds onderdeel van het Graafschap Gelre. De Emmerikse historicus Adolf Tibus heeft in zijn beschrijving van „Der Gau Leomerike” met de sterkste argumenten bewezen dat het oude gouw Leomerike, waarvan de Liemers is overgebleven, samenviel met het aartsdiakonaat van Emmerik.

Tibus heeft dit aannemelijk gemaakt door de kerkelijke indeling te volgen en aangezien gewoonlijk de kerkelijke indeling zich aanpast aan het wereldlijke bestuur, besluit hij de onderstaande plaatsen te rangschikken in het oude pagus (gouw) Leomerike (Liemers). In de gouw Leomerike zaten Fordhuson (Voorthuisen bij Elten), Didehum (Didam), Elisa (in Didam) , Swellc (ook Didam), Asawon (Asewyn bij Zeddam), Eltna (Elten), Westervurd (Westervoort).

De volgende parochies waren onderdeel van het aartsdiakonaat Emmerik:

Westervoort, 's-Heerenberg, Loo, Beek, Duiven, Zeddam, Groessen, Netterden, Zevenaar (stad), Gendringen, Ulft, Elten (Hoog), Wehl (Laag), Terborg, Emmerik, Etten, Kellen, Didam en Brienen.Geraadpleegd op Delpher op 02-02-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB14:001798001:00007], Bijdragen en mededeelingen, 1917, Deel: 20, 1917 Uitgever Gouda Quint Vereniging Gelre

Categorie:Katholicisme in Nederland Categorie:Katholicisme in Duitsland Categorie:Geschiedenis van de Liemers