('Het Jonge Rijnland') was een Duitse kunstenaarsvereniging uit Düsseldorf die werd opgericht in 1919. Onder de aangesloten kunstenaars bevonden zich onder meer Otto Dix, Otto Pankok, Max Ernst, Heinrich Nauen, Walter Ophey en Gert Heinrich Wollheim.
Vanwege interne conflicten splitsten meerdere kunstenaars zich in 1923 van de groep af en richtte de op. Vijf jaar later, in 1928, fuseerden beide groepen tot de , waarbij ze tevens als zelfstandige verenigingen bleven bestaan. In 1932 vond de laatste tentoonstelling van plaats.
Veel kunstenaars van de vereniging wilden of konden na de machtsovername door Adolf Hitler in 1933 geen lid worden van de Reichskammer der bildenden Künste, waardoor de vereniging de facto ophield te bestaan. Vijf jaar later, in 1938, werd door de nationaalsocialisten officieel verboden.
Oprichting miniatuur|Historische kaart van het Rijnland (1905) Reeds voordat de Eerste Wereldoorlog op 11 november 1918 ten einde kwam, waren er plannen om een vereniging op te richten voor kunstenaars uit het Rijnland, een regio in het Westen van Duitsland waartoe onder meer de steden Düsseldorf, Keulen, Aken, Koblenz en Trier behoren. De aanleiding hiertoe was de uitsluiting van Rijnlandse kunstenaars van de kunstexpositie , die in 1917 en 1918 niet in Berlijn, maar in Düsseldorf had plaatsgevonden.
De vereniging werd opgericht op 24 februari 1919 en was daarmee een van de eerste kunstenaarsverenigingen die na de Eerste Wereldoorlog in de Weimarrepubliek ontstonden. Het was in de naoorlogse Weimarrepubliek door de langzaam herstellende kunstmarkt voor kunstenaars erg lastig om hun werken zelfstandig te verkopen en overheidsopdrachten waren zeer schaars. Daarnaast was de politieke situatie in het Rijnland na de Eerste Wereldoorlog instabiel. Dit kwam onder meer door de Novemberrevolutie van 1918/1919, de bezetting van gebieden op de linkeroever van de Rijn door geallieerde troepen naar aanleiding van het Verdrag van Versailles en door grote stakingen in het Ruhrgebied. De sociale onrust, veroorzaakt door voedseltekorten en productie-eisen, werd met geweld onderdrukt door de inzet van militaire eenheden.
De drijvende krachten achter de oprichting van de kunstenaarsvereniging waren dichter , kunstschilder en auteur , die samen met 45 andere kunstenaars pleitten voor meer nationale en internationale zichtbaarheid van nieuwe Rijnlandse kunst. In de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog waren er reeds enkele initiatieven om vernieuwende kunst te presenteren geweest, maar dit waren grotendeels privé-initiatieven.
Naast meer zichtbaarheid zou de vereniging ervoor zorgen dat deelname aan tentoonstellingen voor de leden gemakkelijker werd en dat er eenvoudiger contact gelegd kon worden met kunstenaars uit andere delen van Europa en de Weimarrepubliek. was veruit de grootste kunstenaarsvereniging in het Rijnland. De naam van de vereniging werd bedacht door kunsthistoricus en museumdirecteur .
Leden en kunststroming Om leden te werven werd de oproep verspreid onder 44 kunstenaarsDat waren: Ernst Aufseeser, Julius Bretz, Wilhelm Brink, Heinrich Campendonk, Fritz Carp, Theo Champion, Fritz Corde, Carl Ferdinand Cürten, Hans Dornbach, Ewald Dülberg, Josef Enseling, Adolf Erbslöh, Max Ernst, Adolf de Haer, Heinrich Heimig, Werner Heuser, Ludwig ten Hompel, Franz M. Jansen, Arthur Kaufmann, Walter Kniebe, Helm Helm, August Macke, Heinz May, Carl Mense, Heinrich Nauen, Wilhelm Oberbörsch, Walter Ophey, Wilhelm Schmetz, Carl Moritz Schreiner, Hans Schütz, Richard Schwarzkopf, Paul A. Seehaus, Karli Sohn, F. W. Ström, Eduard Sturm, Josef Urbach, Adolf Uzarski, Otto von Wätjen, Walter von Wecus en Friedrich August Weinzheimer., inclusief Uzarski en Kaufmann, die als geschikt werden beschouwd voor de vereniging. Hen werd gevraagd deel te nemen en indien mogelijk anderen voor te dragen voor het lidmaatschap. Slechts zes van hen gaven aan geen interesse te hebben.
De voorwaarden om lid te worden van de kunstenaarsvereniging waren 'jeugdige creativiteit en oprechtheid van het werk'. De meeste leden van de vereniging kwamen uit Düsseldorf of uit de directe omgeving en velen van hen waren opgeleid aan de kunstacademie van Düsseldorf of aan de Düsseldorfse Kunstgewerbeschule. Tijdens hun opleiding hadden zij grotendeels dezelfde technieken geleerd en daarmee een vergelijkbare artistieke basis. De aangeschreven kunstenaars waren allemaal tussen de 25 en 38 jaar oud. Hoewel er zich geen vrouwelijke kunstenaars bevonden onder de 44 oorspronkelijk gecontacteerden, stond de vereniging wel voor hen open. Onder meer Marta Worringer, Luzie Uptmoor, Lotte Prechner en Else Sehrig-Vehling waren lid van .
In tegenstelling tot bijvoorbeeld de kunstenaarsgroepen en , richtte zich niet op een specifieke kunststroming, al kunnen de werken van de betrokken kunstenaars veelal gerekend worden tot de avant-garde. Daarnaast waren kunstenaars van zeer diverse kunstdisciplines bij de vereniging betrokken, waaronder architecten, ontwerpers, kunstschilders, grafici, typografen, acteurs en dichters.miniatuur|Otto Dix (1929), gefotografeerd door Hugo Erfurth
Enkele bekende expositiedeelnemers waren:Het betreft hier deelnemers aan exposities van en de afsplitsingen en .
Invloed van de Sonderbund werd in sterke mate beïnvloed door de erfenis en de leden van de , ook wel genoemd. Net als was de een kunstvereniging uit Düsseldorf, maar werd in 1916 opgeheven. De organiseerde kunsttentoonstellingen die van groot belang waren voor de presentatie van moderne Europese kunst voor de Eerste Wereldoorlog. Met name de vierde tentoonstelling van de , de in 1912 gehouden in Keulen, had een grote impact. De tentoonstelling presenteerde het expressionisme als een logische voortzetting binnen de internationale kunstgeschiedenis en had een blijvende invloed op veel kunstenaars.
Meerdere prominente leden van waren eerder actief in de , waaronder , Otto en , , , en , wat zorgde voor een sterke verbinding tussen beide groepen. Enkelen van hen, waaronder en , kregen bij functies in het bestuur. Ook prominente figuren zoals , , en namen adviserende functies op zich binnen , waarmee zij hun eerdere invloed uit de tijd van de konden voortzetten. De ervaring en invloed van deze betrokkenen was uiteindelijk bepalend voor de identiteit en koers van .
Tegenstellingen In het voorwoord van de catalogus van de eerste tentoonstelling van verscheen het citaat ("Het lot van de mag voor ons een les zijn"). Hiermee leek , ondanks de grote invloed, tegelijkertijd ook afstand te nemen van de . Volgens enkelen was de voor de Eerste Wereldoorlog te partijdig geweest en waren kunstenaars en werken veelal gekozen op basis van persoonlijke contacten en netwerken. Daarnaast waren enkelen van mening dat de jury te conservatief was en dat zij te vaak werken kozen op basis van de nationaliteit van de kunstenaar. In moest er geen ruimte meer zijn voor personen die zich te veel macht toe-eigenen, zoals volgens sommigen bij de wel het geval was geweest. In tegenstelling tot de werd ook niet gevormd rond een al bestaande kern; de kunstenaars binnen waren gelijkwaardig en stonden in competitie met iedereen.
Exposities miniatuur|Van links naar rechts: Peter Ludwigs, Johanna Ey, Robert Pudlich en Luzie Uptmoor bij de ingang van galerie (jaren twintig). miniatuur|Catalogus Van 22 juni tot en met 20 juli 1919 vond de eerste tentoonstelling van de kunstenaarsvereniging plaats in d. Bij deze expositie werden werken getoond van 113 kunstenaars, waaronder , , , , , en . Datzelfde jaar werd tevens een reizende tentoonstelling georganiseerd die werd gehouden in . Het ledenaantal van de vereniging groeide inmiddels gestaag en het netwerk verbreedde.
In 1921 kwam in conflict met een aantal traditioneel ingestelde kunstenaars tijdens een algemene vergadering van de . Deze kunstenaars wilden de leden van niet toestaan te exposeren in de . Als reactie besloten de kunstenaars van vanaf 14 juli 1921 de galerie van Johanna Ey in Düsseldorf als uitvalsbasis en tentoonstellingsruimte te gebruiken. Vanaf dat moment fungeerde de galerie als centraal punt voor de organisatie van de activiteiten van de kunstenaarsvereniging. De kunstenaarsgroep die was gecentreerd rond Ey ging vervolgens in op. De galerie veranderde het in het centrum van de Rijnlandse avant-garde en Ey werd hiermee ook de belangrijkste handelaar van de werken van .
Daarnaast speelde de uit Düsseldorf afkomstige kunsthandelaar , die tevens galerieën bezat in Berlijn, Frankfurt en Keulen, een cruciale rol in de verkoop en promotie van kunst van . Toen de vereniging in juni 1919 haar eerste tentoonstelling hield, was Flechtheim betrokken bij de begeleiding van de activiteiten. Daarnaast maakte hij reclame voor de vereniging in een tentoonstellingscatalogus van zijn eigen galerie. Daarnaast waren zowel Flechtheim als Ey beiden verzamelaars van werken van kunstenaars die tot behoorden. Iedere veertien dagen vond er in galerie een expositie plaats die van lokale, nationale en internationale betekenis was.
In 1922 riep op tot een boycot van de van Düsseldorf, aangezien zij enkel kunstenaars uit Düsseldorf toelieten te exposeren. In plaats daarvan organiseerde datzelfde jaar een internationale kunsttentoonstelling () in warenhuis Tietz waar meer dan driehonderd kunstenaars uit negentien landen aan deelnamen. Onder meer kunstenaars van de uit Berlijn, de , , Italiaanse futuristen en Russische constructivisten waren aanwezig. De connectie met het warenhuis kwam via , die reclame-uitingen voor het warenhuis had ontworpen. Gelijktijdig vond het congres van de Unie van Internationale Progressieve Kunstenaars plaats dat tevens door werd georganiseerd.
Hoewel de meeste kunstenaars uit de omgeving van Düsseldorf kwamen, gold dat niet voor iedereen. Op deze manier ontstonden sterke banden met kunstenaarsverenigingen uit Berlijn, Darmstadt, Dresden en Neurenberg en werden aldaar tentoonstellingen gehouden. In het kader van de exposeerde de groep in 1924 in Moskou.
Splitsing De rol van Johanna Ey was voor aanvankelijk positief, maar zorgde uiteindelijk voor een breuk in de groep. Het verkoops- en tentoonstellingsbeleid van Ey was vooral gebaseerd op persoonlijke sympathieën. Ze had met name een grote voorkeur voor het werk van , wat binnen leidde tot frictie tussen de leden. Vooral stichtend lid hekelde deze voorkeursbehandeling door Ey. Toen hij ontdekte dat Ey klanten in haar galerie adviseerde de werken van links te laten liggen en zich in plaats daarvan te richten op de werken van , was voor de maat vol. Zijn frustraties werden besproken tijdens een ledenvergadering van , wat ertoe leidde dat vele kunstenaars zich afsplitsten van de vereniging. Geleid door richtten zij in 1923 een nieuwe kunstenaarsvereniging op, genaamd . In 1924 verliet ook , gevolgd door in 1925.
Na de afsplitsing van de en het vertrek van meerdere kunstenaars verloor haar belang. In 1928 fuseerden de en en gingen zij verder onder de naam , maar bleven tevens als zelfstandige verenigingen bestaan. Het bestaan van de was slechts van korte duur, in 1930 splitste de zich af van de vereniging vanwege interne conflicten.
Opheffing In 1932 vond de laatste tentoonstelling van plaats. Veel kunstenaars hadden de groep reeds verlaten en de economische crisis die in 1929 was begonnen had een grote impact gehad op de kunstwereld. Na de machtsgreep van Adolf Hitler op 30 januari 1933 ontstonden verdere veranderingen in de Duitse kunstwereld. Dat jaar werd het voor kunstenaars verplicht zich aan te sluiten bij de . Veel avant-garde kunstenaars waren van Joodse afkomst of politiek links georiënteerd en wilden of konden zich om die reden niet aansluiten. Sommige van hen werden daarnaast actief vervolgd. Hierdoor hielden en de de facto op met bestaan. In 1938 werd de vereniging door de nationaalsocialisten officieel verboden.
Tentoonstelling (hedendaags) In 2006 vond de tentoonstelling plaats in het