() (Stockholm, 26 oktober 1694 – nabij Rockneby, 20 november 1758) was een Zweeds componist, musicus en dirigent van de Zweedse hofkapel (kapelmeester). geldt als de eerste bekende Zweedse componist en componeerde niet alleen veel, maar ook kwalitatief hoogwaardige stukken. Hij legde de basis voor het achttiende-eeuwse Zweedse muziekleven. wordt daarom vaak de "vader van de Zweedse muziek" genoemd.

Carrière kreeg vioollessen van zijn vader, de hofviolist , en speelde al op zevenjarige leeftijd stukken van diverse componisten aan het Zweedse hof. Hij had op jonge leeftijd enkele ongelukjes die hem op latere leeftijd problemen zouden geven. Zo kreeg hij toen hij vijf jaar oud was een stuk glas in zijn linkeroor, dat er pas twee jaar later uit kwam. Ook viel er een klaptafel tegen zijn rechteroor. Roman zegt in zijn autobiografie, die niet bewaard is gebleven, maar die wel in een biografie is geciteerd, dat zijn latere gehoorproblemen op die twee incidenten zijn terug te voeren.

miniatuur|Zegel van In 1705 werd zijn vader ziek, waardoor die zijn functie als violist niet meer kon uitoefenen. Zijn vader stierf in 1720. Op 19 april 1706 musiceerde samen met de Zweedse koninklijke hofkapel op de zesde verjaardag van hertog Karel Frederik van Holstein-Gottorp. Dit zou lange tijd een van de laatste grootse hoffeesten worden vanwege de Grote Noordse Oorlog. ging naar de (Duitse school), een van de meest prestigieuze scholen in Stockholm. Daar kreeg hij les in het Duits, waardoor hij de taal en de Duitse cultuur leerde kennen, en daarnaast kreeg hij lessen Frans en Latijn.

Op zeventienjarige leeftijd, op 1 januari 1711, werd hij formeel lid van de hofkapel. Voordat hij officieel lid werd van de hofkapel, was hij waarschijnlijk al , een onbetaald persoon die recht heeft op een functie als die vrijkomt. Een deel van de hofkapel, inclusief , was toen al samen met het koningshuis naar Sala geëvacueerd vanwege een uitbraak van de builenpest. Hij zou pas in april 1711 terugreizen naar Stockholm. Zijn moeder Catharina, die in Stockholm was achtergebleven, bezweek aan de builenpest. Hij musiceerde in de hofkapel onder anderen met de hoboïst , de oudere broer van . speelde zelf hobo als tweede instrument en was volgens verschillende getuigenissen ook kundig op dat instrument.

De Zweedse koning, Karel XII, was in 1709 naar Bender (toen het Ottomaanse Rijk) gevlucht om asiel aan te vragen vanwege zijn nederlaag in de Slag bij Poltava. In Bender haalde hij de sultan over om de oorlog te verklaren aan Rusland. In de zomer van 1712 ontving een brief vanuit Bender:

Hij kreeg toestemming om een reis te maken en daar te studeren met behoud van zijn salaris. Roman koos Londen als bestemming, maar door de slechte economische staat van het hele land vanwege de Grote Noordse Oorlog was het echter pas mogelijk aan het einde van de winter van 1716 af te reizen. Gedurende de vier jaar dat hij in Zweden bleef wachten, kreeg hij slechts vier kwartaallonen uitbetaald, elk jaar een. Het is onduidelijk hoe Roman de reis kon financieren. Volgens de biografie van kreeg hij het geld van de prinses Ulrike Eleonora van Zweden.

Londen had Londen vooral gekozen als bestemming, omdat daar werkzaam was. Eenmaal aangekomen werd hij rond april 1716 lid van het operaorkest van het (het tegenwoordige ) als violist. Dit stond onder leiding van , die een grote invloed op hem zou hebben. Roman studeerde gedurende de zes jaar dat hij hier verbleef basso continuo en compositie bij de Engelse componist en de Italiaanse componist . Verder leerde hij vele talentvolle componisten kennen die ook uitvoerend musicus waren, onder wie de cellist en de violisten , en . Roman, die met bleef corresponderen, ontmoette ook de Zuid-Nederlandse fluitist Jean-Baptiste Loeillet van Gent, de Engelse organist en diens landgenoot , auteur van talrijke transcripties van vocale muziek voor klavecimbel.miniatuur|Kornhamnstorg|245x245pxToen het operaorkest na het einde van de lente van 1717, na het muziekseizoen, zijn activiteiten tijdelijk moest staken, kwam waarschijnlijk in dienst van de van de hertog van Newcastle, de muziekminnende . In februari 1719 werd de opgericht; een gezelschap van 34 internationaal gerenommeerde musici, onder wie als violist, met als doel om de muziekminnende aristocraten van Londen te voorzien van muziek, voornamelijk opera's. werd de praeses van dit gezelschap en werd de dirigent. Het gezelschap begon ook weer te spelen bij het . Op 16 januari 1720 stuurde hij een brief naar de Zweedse kapelmeester waarin hij een voorwaarde stelde om naar Zweden terug te keren: hij moest zijn oude baan terugkrijgen. Voordat de brief aankwam, overleed s vader. speelde bij The Royal Academy tot mei 1721, toen het muziekseizoen was afgelopen. Verder is over zijn tijd in Engeland weinig bekend.

Terugkeer keerde nadat hij het gezelschap had verlaten en de voorwaarde was geaccepteerd in 1721 terug naar Zweden. Na zijn aankomst werd Roman op 18 december 1721 benoemd tot plaatsvervangend hofkapeldirigent, onder meer omdat zijn voorganger Gottfried Bucholtz te ziek was om zijn functie te blijven uitoefenen. ging wonen in een klein huis in de buurt van het , waar hij ook zijn voor sopraan, twee violen en basso continuo componeerde, waarin invloeden van en te horen zijn. Op 15 april 1725 dirigeerde hij een uitvoering van zijn feestelijke cantate op de verjaardag van koning Frederik I. Roman kreeg na de uitvoering van die cantate ook de opdracht om een cantate voor de verjaardag van koningin Ulrike Eleonora op 23 januari 1726 te componeren. De cantate kreeg de titel . In de herfst van 1726 waren zijn klaar; zijn twaalf sonaten voor traverso, viool en klavecimbel. De sonaten werden opgedragen aan Ulrike Eleonora en zijn het enige werk dat gedrukt zou worden tijdens zijn leven. Nadat de vorige hofkapelmeester was gestopt, werd Roman op de verjaardag van koningin Ulrike Eleonora, 23 januari 1727, een jaar na de uitvoering van , benoemd tot hofkapelmeester. Frederik was degene die de brief had ondertekend, maar het besluit was hoogstwaarschijnlijk aangemoedigd door koningin Ulrike Eleonora.miniatuur| rond het eind van de zeventiende eeuwTot dan toe was hij alleen componist en dirigent aan het hof. In 1731 veranderde dat en dirigeerde hij de hofkapel tijdens een openbaar concert, het eerste ooit in Zweden. Concerten voor het 'gewone volk' werden vooral in Engeland gegeven en slechts zelden in de rest van Europa. Roman was waarschijnlijk ook geïnspireerd door de in Parijs. Het eerste concert was op 4 april 1731, Judica, opgevoerd in de in in Stockholm met een door bewerkte versie van de van op het programma. Het tweede concert werd op Palmzondag (11 april) gegeven. In de daaropvolgende jaren werden andere werken van uitgevoerd, zoals het oratorium Esther en de vier op 20 oktober 1733. De hofkapel kreeg steeds minder werk aan het hof, omdat koning Frederik de uit Kassel naar Zweden gekomen rivaliserende kapel bevoordeelde. Roman begon ook meer te merken van zijn slechthorendheid die hij in zijn jeugd had opgelopen en begon plannen te maken om te gaan reizen.

Tweede reis Het musiceren werd bemoeilijkt door zijn toenemende doofheid, waardoor hij besloot rond het eind van augustus 1735 aan zijn tweede reis naar het buitenland te beginnen. Terwijl hij afwezig was, werd de violist de leider van de hofkapel. Roman reisde eerst naar Engeland, waar hij ten minste een halfjaar en maximaal tot het einde van het concertseizoen in mei 1736 verbleef. In zijn autobiografie zegt hij dat hij met verschillende componisten die hij ook al in zijn eerste reis had ontmoet weer contacten aanknoopte, zoals en . Ook raakte Roman bevriend met de componist en ontmoette hij de blinde componist en organist . De was inmiddels, al in 1728, gestopt.miniatuur|244x244px|In 1736 verliet hij Londen om via Parijs naar Italië te reizen. Na eerst Rome te hebben aangedaan, bereikte hij aan het einde van de zomer Napels. Daar verbleef hij enige tijd om er te componeren en om het nabijgelegen eiland Ischia te bezoeken. Hij hoopte vurig dat het baden in het water van de lokale warmwaterbronnen op het eiland een heilzame uitwerking zou hebben op zijn doofheid. In september 1736 werd naar Zweden teruggeroepen. Het bericht bereikte hem niet, omdat hij al vertrokken was naar Napels en Ischia. Pas in januari 1737 begon hij aan de terugreis vanuit Rome. Daar, in Rome, ontmoette hij ook de componist . Via Bologna vervolgde hij zijn reis naar Venetië, om daar twee weken te verblijven en een ontmoeting te hebben met . Aansluitend deed hij in Duitsland de steden Dresden en Berlijn aan en uiteindelijk bereikte hij Stralsund. Vandaaruit maakte hij per boot de overtocht naar Zweden, waar hij in juni 1737 aankwam. Hij keerde er na twee jaar terug van een reis waarin hij veel nieuwe muzikale en linguïstische kennis had opgedaan en bladmuziek had gekocht van diverse componisten om die door de hofkapel te laten uitvoeren. Sahlstedt schrijft in zijn biografie dat "onze Roman als groot musicus afreisde en nog groter thuiskwam".

Toen hij eenmaal terug was, wachtte hem weinig bijzonders. Wijn en vrouwen gingen aan het hof vóór kunst en muziek. Tijdens de herfst van 1739 werd hij voorgesteld als lid van de pas opgerichte Academie van Wetenschappen, waar hij aan het begin van 1740 officieel lid van werd. Op 18 augustus 1744 voerde hij voor het eerst zijn meest bekende werk uit tijdens de bruiloft van Adolf Frederik en Louisa Ulrika van Pruisen, de , een uitgebreid muziekstuk met 24 delen.

Laatste jaren miniatuur|305x305px|Romans gedenksteen bij Ryssby kyrka nam in 1745 ontslag vanwege zijn doofheid, die in zijn laatste jaren steeds erger werd. Na zijn ontslag trok hij zich vanuit Stockholm terug naar , , de wildernis, zoals hij het zelf noemde. ligt ten noorden van de stad Kalmar, in het zuidoosten van Zweden.

Een paar jaar later, in 1747, leidde hij de uitvoering van bij de Academie van Wetenschappen. Het stuk was een bewerking van 's Dixit. Na die uitvoering keerde hij terug naar . Nog een aantal jaar later, in september 1751, werd Roman naar Stockholm geroepen om bij de begrafenis van Frederik I in de kerk van Riddarholmen te dirigeren. Twee maanden later, in de op 26 november, dirigeerde hij bij de kroning van het nieuwe koningspaar Adolf Frederik en Louisa Ulrika het door hem gecomponeerde . Deze grootse ceremonies zouden de laatste grote ondernemingen worden voor Roman. Hij bleef nog een paar maanden in Stockholm en leidde de uitvoering van zijn op 3 maart 1752, een werk dat mogelijk in opdracht van graaf was gecomponeerd. De uitvoering vond plaats in het nu afgebroken huis in Stockholm.

In de zomer van 1752 was Roman terug op zijn landgoed. Tijdens zijn laatste jaren wijdde hij zich aan het vertalen van muziekwetenschappelijke werken en verhandelingen van onder anderen zijn leraar , en . Hij bleef ook componeren.

overleed op 20 november 1758 aan de gevolgen van tongkanker op zijn landgoed in de . Een half jaar later zou overlijden. Roman is begraven op het kerkhof van de kerk van de in .

Muziek miniatuur|259x259px|Nikolaj Fjodorovitsj Golovin was behalve dirigent en violist ook een vooraanstaande hoboïst. Hij voerde werken uit van vele componisten, zoals en . Roman was echter vooral belangrijk als componist. Zijn werken omvatten vrijwel alle takken van de toenmalige klassieke muziek, behalve de opera en oratoria.

Drottningholmsmusiken Een van 's bekendste composities is de (BeRI 2, de originele titel was ""). Het stuk is op 18 augustus voor het eerst uitgevoerd en heeft 24 korte delen, variërend in lengte van ongeveer een tot zes minuten. Roman schreef deze muziek voor de bruiloft in augustus 1744 van kroonprins Adolf Frederik van Zweden en Louisa Ulrika van Pruisen, die plaatsvond in het slot (vandaar de tegenwoordige titel). De festiviteiten duurden vier dagen.