De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen sinds 1892 een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland. De wortels van het kerkverband liggen in de Afscheiding van 1834. In 1892 besloot een zeer kleine groep van drie gemeenten onder leiding van de predikanten Frederik Philip Louis Constant van Lingen en Jacobus Wisse de beslissing om niet mee te gaan in de fusie met de dolerenden en Christelijk Gereformeerd te blijven. In de jaren daarop groeide het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk weer snel aan. In 2024 waren er 181 Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland (en België).

Voorgeschiedenis en vorming van het kerkverband De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn met enige tussenstappen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, toen verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de oude volkskerk. De redenen dat men zich van de Hervormde Kerk had afgescheiden waren:

De gereformeerde belijdenis functioneerde in de Nederlandse Hervormde Kerk niet meer. De Groninger hoogleraar Petrus Hofstede de Groot (1802-1886) vond dat de Nederlandse Hervormde Kerk aan de Drie Formulieren van Enigheid niet meer gebonden was. Deze theologische stroming werd aangeduid als de Groninger Richting. Volgens kerkhistoricus Louis Praamsma (1910-1984) was het theologisch klimaat van de achttiende eeuw beïnvloed door de Verlichting en het Schrift-kritisch onderzoek. De theologie werd getypeerd door de kernwoorden: De Rede: de Bijbel diende als ieder menselijk boek kritisch gelezen te worden. De deugd: de mens is ten diepste goed en rechtschapen. De natuur: de mens is een veredelde wilde, hij moet opgevoed worden met christelijke deugden en waarden. Verdraagzaamheid en Tolerantie: Ware deugd is belangrijker dan de wijze van godsdienstverering. Vooruitgang: ontwikkelingsgedachte vanuit een positief mensbeeld. Tegen deze ontwikkelingen kwam verzet van orthodoxe zijde. Een voorbeeld was Antonius Driessen (1684-1748) die tussen 1717 en 1748 docent in Groningen was. Tot zijn leerlingen hoorden Wilhelmus Schortinghuis de auteur van het Innige Christendom en Alexander Comrie die zijn medewerking verleende aan het boek Examen van het ontwerp van Tolerantie. Toen de achttiende eeuw in de negentiende eeuw was overgegaan was de Nederlandse Hervormde Kerk naar het oordeel van Praamsma "in meerderheid vrijzinnig of gematigd orthodox." Hendrik de Cock was tijdens zijn studiejaren van de Institutie van Calvijn en de Dordtse Leerregels onkundig gebleven. Na zijn bekering dat plaatsvond tijdens zijn predikantschap in Ulrum begon hij deze werken te verdedigen. De gereformeerde kerkregering (de Dordtse kerkorde) was in de Nederlandse Hervormde Kerk afgeschaft. In plaats daarvan kwam er in 1816 een 'Algemeen Reglement', dat voorzag in een hiërarchische kerkstructuur met aan het hoofd koning Willem I Predikanten die de gereformeerde belijdenis verdedigden werden door de classisbesturen van de Nederlandse Hervormde Kerk afgezet.

Periode 1834-1869 Op 13 oktober 1834 tekenden in Ulrum de eerste afgescheidenen de Acte van Afscheiding of Wederkeer. Ze wilden met deze term uitdrukken tot de gereformeerde leer te zijn teruggekeerd. De Afscheiding van 1834 was hiermee een feit. Binnen een jaar omvatte de groep landelijk 20.000 leden. De ARP-politicus Hendrik Algra (1896-1982) sprak in zijn boek Het wonder van de negentiende eeuw van een explosieve groei van afgescheiden gemeenten, met name in het noorden van het land. In 1836 waren er circa 130 afgescheiden kerken.

De periode die volgde, kreeg de naam crisis der jeugd. Van buitenaf was er de vervolging door de overheid door hoge boetes, gevangenisstraf en inkwartiering van soldaten. Men werd gedwongen de naam gereformeerd prijs te geven. Intern openbaarde zich meningsverschillen. De afgescheidenen vielen in twee groepen uiteen: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Om aan de vervolging te ontkomen emigreerden onder leiding van de predikanten Albertus Christiaan van Raalte (1811-1876) en Hendrik Pieter Scholte (1805-1868) groepen afgescheidenen naar de Verenigde Staten.

Mede doordat de afgescheidenen in Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) een pleitbezorger hadden gevonden, besloot de overheid te stoppen met vervolging van de afgescheidenen. In 1837 publiceerde Groen de brochure De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst en voerde een pleidooi voor de rechtbank "dat de afgescheidenen geen nieuwe sekte vormden, maar dat zij leden zijn van de gereformeerde gezindheid." Met de introductie van dit begrip legde Groen de basis voor interkerkelijke samenwerking van alle gereformeerden op basis van de gereformeerde belijdenis. Zes jaar na de troonsbestijging van Willem II in 1840 kwamen de vervolgingen van de gereformeerden buiten het hervormde kerkgenootschap definitief ten einde.

Vereniging van 1869 en 1892 In 1869 vond een hereniging plaats tussen Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. De vereniging vond plaats op basis van de volgende overeenkomsten: 1. Het erkennen van elkaars kerken en voorgangers 2. De benaming zou voortaan Christelijke Gereformeerde Kerk zijn 3. In leer, eredienst en tucht moest het kerkverband aansluiten bij de gereformeerde leer en grondslagen. In 1884 telde de Christelijke Gereformeerde Kerk 400 gemeenten, driehonderd predikanten en bijna 300.000 leden en doopleden.

Niet alle afgescheiden groeperingen deden mee. Rondom de predikanten Cornelis van den Oever (1802-1877) en Elias Fransen (1827-1898) bleven er gemeenten zelfstandig. Later zouden deze gemeenten met de Ledeboeriaanse gemeenten onderdak vinden in het kerkverband van de Gereformeerden Gemeenten.

Op 17 juli 1892 fuseerde het overgrote deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk nogmaals, nu met de Nederduitse Gereformeerde Kerk (de dolerenden) tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Slechts drie gemeenten, Teuge, Zierikzee en Noordeloos, besloten de Christelijke Gereformeerde Kerk voort te zetten.

Het Wekkertje Het waren de predikanten Frederik Philip Louis van Lingen (1832-1913) en Jacobus Wisse (1843-1921) die de voornaamste woordvoerders waren in de kring van bezwaarden tegen een vereniging met de kerken voortgekomen uit de Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper (1837-1920). Voor de verspreiding van de boodschap was het middel Het Wekkertje waarmee zij het kerkvolk wilden wakker schudden. Op 20 juli 1892 kwam men in Utrecht bijeen en vond men elkaar in de stelling om te blijven wat men was: christelijk-gereformeerd, een naam die in de tijd van de Reformatie al in gebruik was.

De bezwaren van Van Lingen en Wisse

De leer van de veronderstelde wedergeboorte die door Kuyper werd voorgestaan. In zijn preken drong Kuyper aan op “de noodzaak van zelfonderzoek”, want hij hield staande dat niet allen daadwerkelijk wedergeboren waren, maar wel dat het zaad der kerk ervoor moest worden gehouden tenzij het tegendeel zou blijken. Van Lingen en Wisse vonden de leer van Kuyper in strijd met de Bijbel. De beginselen van de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 zijn met elkaar in strijd. Voor Van Lingen en Wisse was het verlaten van het hervormde kerkgenootschap “ziende op Gods gebod en blind voor de toekomst” (men wilde geen strijd om de kerkelijke goederen maar terugkeer tot beginselen van de Gereformeerde Kerk van de Reformatie. Achter de afscheidingsbeweging zat geen strategie of voorbewerkt plan. De Nederlandse Hervormde Kerk was volgens de afgescheidenen een 'valse kerk' vanwege de ongehoorzaamheid aan de gereformeerde belijdenis. De doleantie-beweging was volgens de afgescheidenen geregisseerd door Kuyper en teveel gericht op enkel behoud van de kerkelijke goederen. Kerkrechtelijke bezwaren: de plaatselijke gemeenten waren volgens de bezwaarden onvoldoende betrokken geweest in het verenigingsproces. In het presbyteriale kerkmodel zijn de plaatselijke gemeenten tot op zekere hoogte autonoom.

Periode 1892-1944

Opbouw van de organisatie Op 1 januari 1893 telde de doorgestarte Christelijke Gereformeerde kerk negen gemeenten: Zierikzee, Noordeloos en Teuge, ’s-Gravenhage, Utrecht, Rotterdam, Dordrecht, Lutten en Arnhem. In 1894 besloot de synode tot verdeling van alle gemeenten in vier classes. In 1896 waren er 32 gemeenten, in 1908 reeds 76 gemeenten met negen preekplaatsen.

Jacobus Wisse was begonnen om vanuit zijn woonplaats Den Haag theologisch onderwijs te geven aan Pieter Johannes Marie de Bruin die als enige student de Theologische School van Kampen in 1892 had verlaten. Van Lingen gaf in Rotterdam les in de oude talen. In 1894 werd besloten tot de oprichting van een Theologische School, die voorlopig in Den Haag werd gevestigd. De doorgestarte Christelijke Gereformeerde Kerk werd vanuit de Gereformeerde Kerken gezien als een "scheurkerk" en ook zou zich onder hen "geen enkele knappe kop" begeven. De Haarlemse predikant Johannes Schotel (1825-1914) die zich na enkele jaren alsnog aan de zijde van de bezwaarden voegde schreef in De Wekker:Toch wilde de Christelijke Gereformeerde Kerk wel gaan bouwen aan een serieuze theologische opleiding in de lijn van het Convent van Wezel (1568) en in de traditie van Johannes Calvijn (1509-1564). Op 11 september 1894 werd door Schotel de Theologische School geopend. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding in Rijswijk gevestigd, hierna verhuisde de opleiding definitief naar Apeldoorn. Bij de komst van Gerard Wisse in 1928 werden de docenten op voorstel van ds. Jan Willem Geels (1880-1950) hoogleraar of professor genoemd.

De meeste studenten kregen eerst een vooropleiding voor begonnen werd met het theologisch onderwijs en de oude talen. Als docenten werden Van Lingen en J. Wisse Czn. benoemd. In het curatorium zaten de predikanten: PH.J. Wessels, P.J.M. de Bruin, J. Schotel, J.W. Drayer en J.R. Kreulen. Laatst genoemde keerde in 1899 met een groot deel van de gemeente Suawoude weer terug naar de Gereformeerde Kerken. In 1857 en 1858 schreef deze predikant in De Bazuin een aantal artikelen over het aanbod van genade. Dit bracht hem in conflict met de Drentse richting van ds. Hendrik Joffers (1807-1874) die leerde: de beloften van het evangelie zijn alleen voor de uitverkorenen. Bekend was ook het boekje van ds. Kreulen waarin deze het recht van de Afscheiding van 1834 verdedigde: De Apologie: Is de Afscheiding uit God of uit de menschen (1856.)

In 1898 kwamen er zes kandidaten van de theologische school af waaronder Hector Janssen (1872-1944), destijds 26 jaar oud. Janssen werd predikant in Amsterdam. De gemeente van Amsterdam breidde zich onder zijn bediening uit en in de regio kwamen er nieuwe gemeenten of preekplaatsen bij, waaronder Nieuwendam, Bussum, Opperdoes en Hilversum.

In 1904 vertrok Janssen naar Leiden waar zich een kleine gemeente had gevormd van spijtoptanten (leden die vanuit de Gereformeerde Kerken in Nederland terugkeerden naar de Christelijke Gereformeerde Kerk). Kort daarna werd er in Rijnsburg een gemeente gesticht. In 1909 werd Janssen benoemd als hulpdocent aan de theologische school. Deze taak vervulde hij tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Toen werd hij veldprediker. In deze rol kreeg hij grote bekendheid.

In 1928 werden de eerste zendelingen namens de Christelijke Gereformeerde Kerk uitgezonden. Arie Bikker (1898-1977) en Maarten Geleijnse (1893-1985) werkten in het Torajaland, een gebied in de toenmalige Nederlandse kolonie Indonesië. Het kerkverband De Gereja Toraja Mamasa dat uit dit zendingswerk is voortgekomen, functioneert sinds 1950 zelfstandig en telde in 2016 ongeveer 150.000 leden, verdeeld over meer dan 500 gemeenten.CGK bezoeken voor het eerst synode Indonesische zusterkerk, Reformatorisch Dagblad 28 juli 2016