Marta Worringer, geboren als Martha Maria Emilie Schmitz, (Keulen, 16 januari 1881 – München, 27 oktober 1965) was een Duits grafisch kunstenaar, kunstschilder, boekillustrator en textielkunstenaar.

Aangezien Duitse kunstacademies voor de Eerste Wereldoorlog geen vrouwen toelieten, kreeg ze privélessen in schilderkunst van onder meer Willy Spatz, Angelo Jank en Cuno Amiet. Na haar huwelijk met kunsthistoricus Wilhelm Worringer in 1907, woonden ze vanwege zijn werk afwisselend in München, Bern, Berlijn, Bonn, Koningsbergen en Halle. Haar werk als kunstenares combineerde ze met haar rol als moeder en huisvrouw.

Worringer stond hoofdzakelijk bekend om haar melancholische, anonieme portretten van vrouwen met grote ogen en overdreven lichamelijke proporties. In haar werken staan thema's zoals isolatie, verdriet, angst, verlies en wanhoop centraal. Tijdens het interbellum was Worringer erg succesvol en waren haar werken te zien op diverse nationale en internationale tentoonstellingen.

Een groot deel van haar oeuvre ging tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren. De meeste van haar overgebleven werken zijn in bezit van het August Macke Haus in Bonn.

Jeugd Marta Worringer werd geboren in Keulen op 16 januari 1881 als Martha Maria Emilie Schmitz. Ze was de jongste dochter van Philipp Emil Schmitz en Else Esser en groeide op in een vooraanstaand en welgesteld gezin met drie dochters. Haar vader was een gerenommeerde advocaat die gespecialiseerd was in handelsrecht. Daarnaast was hij lid van een liberale partij in de Keulse gemeenteraad. Haar moeder was afkomstig uit een Keulse ondernemersfamilie. Worringer groeide op in een statige woning in Keulen die haar ouders hadden laten bouwen.

De band tussen Worringer en haar ouders was gecompliceerd en ze omschreef haar jeugd als 'vreugdeloos'. Haar vader had ze naar eigen zeggen 'hartstochtelijk lief', maar had voor haar moeder enkel medelijden. Ze noemde het huis waar ze opgroeide een 'somber huis, waarin elke vorm van vreugde een onrecht was'. Volgens Worringer hadden deze gemoedstoestand en de beklemmende jeugdherinneringen, die ze ook wel Driesch-geestenDe term Driesch-geesten is een verwijzing naar : de naam van de straat waar ze opgroeide. noemde, een grote invloed op haar latere artistieke werk.

Opleiding Al in haar vroege jeugd had Worringer een grote interesse in kunst, filosofie, literatuur en theater. Nadat ze in 1897 het lyceum voltooide, begon ze met een hogere studie waarvoor ze twee jaar lang op een kostschool in België verbleef. Na haar terugkeer besloot ze kunstenaar te worden. Ondanks de gecompliceerde band met haar ouders, erkenden zij haar talent en steunden zij haar in deze keuze. Ze startte in 1899 met privélessen schilderkunst bij Willy Spatz, destijds de bekendste historieschilder van Düsseldorf en hoogleraar in de schilderkunst aan de Kunstacademie Düsseldorf. Het was voor Worringer niet mogelijk aan een reguliere kunstacademie te studeren, aangezien Duitse kunstacademies voor de Eerste Wereldoorlog geen vrouwen toelieten. miniatuur|Kunstmaler bei Dachau (1890), door Robert Raudner. Afbeelding van kunstenaars aan het werk in de open lucht in Dachau. Samen met vriendin Agnes Oster verhuisde ze in 1905 naar München. Aldaar studeerden ze aan de damesacademie van de kunstenaarsvereniging van München als leerling van Angelo Jank. Onder meer Käthe Kollwitz, Maria Marc en Gabriele Münter hadden tevens aan deze academie gestudeerd. Daarnaast volgde Worringer lessen aan de , ook wel genoemd, een progressieve kunstopleiding die was opgericht door kunstschilder Wilhelm von Debschitz.

Worringer en Oster deelden een appartement in de wijk Schwabingen en in 1906 voegden Emmy Worringer en Olga Oppenheimer zich bij hen. Voor Worringer was het een periode van zelfontwikkeling. Ze droeg vooruitstrevende reformkleding, ging regelmatig op reis en verdiepte zich in diverse interessegebieden. In maart 1907 vertrok het viertal naar Dachau, dat destijds bekend stond als kunstenaarskolonie.

Huwelijk Op 11 mei 1907 trouwde ze in Keulen met Wilhelm Worringer (1881-1965), de broer van Emmy Worringer, die ze eind januari 1905 in München had leren kennen. Emmy arrangeerde aanvankelijk hun ontmoeting, maar een oprechte wederzijdse waardering en hun gedeelde interesse in kunst en cultuur vormden de basis van hun relatie. Wilhelm had in München kunstgeschiedenis gestudeerd en was kort voor hun huwelijk gepromoveerd met de dissertatie . Dit kunsttheoretische werk gold als baanbrekend voor het expressionisme. Hij omschreef hun huwelijk als 'een huwelijk tussen een houtsnede en een aquarel', waarbij hij zichzelf met een aquarel vergeleek. Hij zag zichzelf als een levensgenieter en zijn echtgenote als een resolute vrouw met een hartstochtelijke werklust.

Na hun huwelijk ging het echtpaar op huwelijksreis naar Italië en keerden in december 1907 terug naar Mün­chen. In september van het jaar daarna werd hun eerste dochter geboren. De zorg voor hun kind en het huishouden kwam voornamelijk op de schouders van Worringer terecht, wat ertoe leidde dat haar werk als kunstenaar op de tweede plaats kwam. De vrije tijd die ze had, gebruikte ze om te schilderen. Vertrek naar Bern In juli 1909 verhuisde het gezin naar Bern, Zwitserland, waar haar echtgenoot dat jaar met zijn werk de bevoegdheid verwierf om als hoogleraar te werkenIn Duitsland en Zwitserland moet je na het behalen van je doctoraat een behalen om als hoogleraar les te mogen geven. Hiervoor is, onder andere, het schrijven van een soort tweede proefschrift verplicht. en als lesgaf.

In december 1910 maakte Worringer haar tentoonstellingsdebuut tijdens de expositie in het Kunstmuseum Bern. In Bern leerde het echtpaar de Zwitserse kunstschilder Cuno Amiet kennen, die hen introduceerde bij zijn contacten in het nabijgelegen Oschwand. Amiets woning in Oschwand was een ontmoetingsplek voor kunstenaars, auteurs en historici, waaronder Hermann Hesse, Arthur Weese, Werner Miller, Hans Morgenthaler, Werner Neuhaus en Peter Thamann. Daarnaast gaf hij schilderles in zijn woning, waar ook Worringer privélessen ontving.miniatuur|Historische kaart van het Rijnland (1905)

Connectie met het Rijnland Hoewel ze in Zwitserland woonden, reisde het echtpaar regelmatig naar Keulen en Worringer bleef op deze manier in contact met de Rijnlandse kunstscene. Ze onderhield een nauwe band met de De club werd vernoemd naar het waar de vereniging samenkwam., een Keulse tentoonstellings- en discussieforum dat in januari 1911 was opgericht door haar vriendinnen Olga Oppenheimer en Emmy Worringer.

In 1911 trad Worringer toe tot de . Datzelfde jaar was haar werk Composition grotesqueDit werk wordt als verloren beschouwd. van 1 oktober tot 8 november te zien tijdens de Salon d’Automne in Parijs. Een criticus van het gerenommeerde kunsttijdschrift sprak erg lovend het werk van de tot dan toe nog onbekende kunstenares."" Enkele maanden later, in januari 1912, nam Worringer deel aan een expositie van de . Vanaf de winter van 1913 verbleef het gezin, met inmiddels twee dochters, tijdelijk in Berlijn waar Wilhelm wetenschappelijk onderzoek deed. Worringer volgde in deze periode lessen aan een Berlijnse kunstschool.

Terugkeer naar het Rijnland Het echtpaar voelde zich niet thuis in Berlijn en in augustus 1914, kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, verhuisde het gezin naar Bonn waar Wilhelm was aangesteld als buitengewoon hoogleraar aan het Kunsthistorisch Instituut van de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universiteit. Deze aanstelling was slechts van korte duur; in april 1915 vertrok Wilhelm als vrijwilliger naar het front waar hij werd ingezet bij de artillerie in Frankrijk en opklom tot onderofficier.

Door het uitbreken van de oorlog werden er nauwelijks kunstexposities meer georganiseerd. Tegen het einde van de oorlog, in maart en april 1918, werden borduurwerken van Worringer getoond tijdens de tentoonstelling van het in Hannover voor handgemaakte textielwerken. Over haar verdere werkzaamheden tijdens de oorlogsjaren is weinig bekend. In 1918 werd het gezin Worringer verder uitgebreid: op 29 maart van dat jaar werd hun derde dochter geboren.

Worringer en haar echtgenoot hadden goede contacten met intellectuelen, kunstenaars en wetenschappers uit het Rijnland, waardoor zij snel aansluiting vonden met het culturele leven in de regio. Onder meer kunstenaar Max Ernst, de theaterdirectrice Louise Dumont en de germanisten Paul en Edda Hankamer behoorden tot hun vriendenkring. In Bonn werd Worringer lid van de , waar zij en kunstschilderes Hela Peters-Ebbeke de enige vrouwelijke leden waren. In de jaren na de oorlog groeide het contact tussen Worringer en de kunstenaarskring rond de Düsseldorfse kunsthandelaar Johanna Ey en de kunstenaarsvereniging . was een kunstenaarsvereniging uit Düsseldorf die in 1919 was opgericht en in het interbellum uitgroeide tot de grootste kunstenaarsvereniging in het Rijnland. Daarnaast was Worringer midden jaren twintig verbonden met de . In de jaren na de oorlog legde Worringer zich met name toe op het maken grafische en toegepaste kunst. Ze maakte tempera-schilderijen, houtskool- en krijttekeningen en, in mindere mate, olieverfschilderijen.

Doorbraak

Vrouwen waren in het Rijnland ondervertegenwoordigd op kunstexposities, in tegenstelling tot in bijvoorbeeld Berlijn. Desondanks waren de werken van Worringer bij diverse tentoonstellingen te zien. In 1919 maakte ze haar tentoonstellingsdebuut in het Rijnland in de Düsseldorfse galerie van Alfred Flechtheim tijdens zijn expositie ''. Flechtheim was een van de weinige galeristen die werken van vrouwelijke kunstenaars tentoonstelde. De borduurwerken en illustraties van Worringer die werden geëxposeerd waren geïnspireerd op werken uit de Duitse literatuur. Een jaar na haar expositie in Galerie Flechtheim was haar werk te zien in het in Hagen.miniatuur|Warenhuis Leonhard Tietz in Düsseldorf (1910) Worringer nam begin jaren twintig deel aan twee grote en internationaal gerichte exposities die door waren georganiseerd. In 1920 werd haar werk tentoongesteld tijdens de in het Museum Kunstpalast. Twee jaar later nam ze met twee lithografieën, getiteld en , deel aan de die werd gehouden in warenhuis Leonhard Tietz. Aan deze tentoonstelling deden 300 kunstenaars uit binnen- en buitenland mee, onder meer leden van de uit Berlijn, de , en daarnaast waren enkele Italiaanse futuristen en Russische constructivisten aanwezig. Deze grote exposities gaven Worringer en haar werk veel bekendheid.

In haar woonplaats Bonn trad ze echter zelden met haar werken in de openbaarheid. In 1923 waren haar werken in Bonn te zien bij een kleinschalige tentoonstelling in de boek- en kunsthandel van Friedrich Cohen, naast werken van de expressionisten Paul Adolf Seehaus, August Macke, Karl Bessenich en Richard Schreiber. Ze deed in 1925 eenmaal mee aan een expositie van de in de expositieruimtes van het waar enkele tekeningen en grafische bladen werden getoond.

Stijl en erkenning Binnen de Rijnlandse kunstscene werd Worringer door haar stijl en onderwerpkeuzes beschouwd als een buitenstaander. In tegenstelling tot andere kunstenaars uit deze periode weerhield Worringer zich ervan harde kleurcontrasten toe te passen in haar werk. Ze maakte met name melancholische, anonieme portretten van vrouwen met grote ogen en overdreven lichamelijke proporties. In haar werken staan thema's zoals isolatie, verdriet, angst, verlies en wanhoop centraal. De thematiek leidde vaak tot een vergelijking met het werk van Käthe Kollwitz. Worringers stijl werd echter sterker beïnvloed door de karikaturale grafiek van de jaren twintig en mist, in tegenstelling tot bij Kollwitz, een gevoel van hoop en verlichting.