Huiszittende armen, ook wel huisarmen genoemd, waren de armen die niet in een liefdadige instelling werden opgevangen, maar vaste woonruimte hadden. Zij waren wel afhankelijk van armenzorg om in het onderhoud van zichzelf en van hun gezin te voorzien. Dit was vooral in de wintertijd het geval waarin zij bedeling ontvingen in de vorm van voedsel, brandstof en eventueel geld.
Historie
Gheeft aelmisse zoet va iov tijtelicke goet den allendige huijssarmen Geeft aalmoezen van jouw tijdelijke (wereldse) goederen aan de ellendige huisarmen. Want die aelmisse doit van der helssche gloijt iou ziel beschermen. Want die aalmoezen doet van de helse gloed jouw ziel beschermen.
Sinds het Concilie van Tours in 567 had de Kerk de armenzorg op parochieniveau georganiseerd, de giften die werden gedaan door de mensen waren over het algemeen niet uit liefde of zorg voor de armen maar meer om zich van het eigen zieleheil te verzekeren. Op vraag van het stadsbestuur van Brugge werkte de Spaans-joodse geleerde Juan Luis Vives in "De subventione pauperum" (De ondersteuning van de armen) een nieuwe kijk uit op de armenzorg. Hij betoogde hierin om alle middelen voor armenbeleid te centraliseren bij de lokale overheid. In het Eeuwig Edict van 1531 nam Keizer Karel V deze gedachtelijn over en bepaalde dat de stadsbesturen verplicht waren een Gemene Beurs, (stedelijk financieel fonds) ter verzorging van de armenzorg.
Vives onderscheidde drie groepen: zieken en invaliden die in gasthuizen woonden of werden verpleegd. de huiszittende armen bedelaars en vagebonden. Degenen die door hun eigen schuld arm waren moesten verplicht arbeid gaan verrichten en konden dan ook rekenen op hulp vanuit de voorzieningen voor andere armen. Over het algemeen werden de regels van het edict niet strikt opgevolgd, de Kerk nam de zorg op zich met de instelling van de Heilige Geesttafels ook wel armentafels of armendissen genoemd. Na de reformatie namen ook de diaconieën van de Nederduitse Gereformeerde Kerk deze taak op zich. In Amsterdam en Leiden waren Huiszittenhuizen waar de huiszittenmeesters vergaderden en de behoeftigen hun ondersteuning konden afhalen.
In 1854 nam het kabinet Van Hall de armenwet aan, de gemeentebesturen moesten de armenzorg overlaten aan de particuliere instellingen, waaronder de kerkelijke instellingen de voornaamste plaats hadden. Tegenwoordig is in Nederland bijstand de gebruikelijke term voor armenzorg die na 1965 een algemeen recht werd, de Algemene bijstandswet (ABW) kwam in de plaats van de Armenwet van 1854.
De grote steden in de 16e eeuw Amsterdam
In 1567 bezocht de Prins van Oranje Amsterdam gedurende zes weken, op de 18e van de louwmaand geeft hij toestemming aan de Calvinisten om in het Huiszittenhuis aan de Ouwde Zyde te preken.Nederlandsche historiën: seedert de ooverdraght der heerschappye van kaizar Kaarel den Vyfden, op kooning Philips zynen zoon, tot de doodt des prinsen van Oranje, pag. 127, P.C. Hooft, 1677 In Amsterdam waren er twee: na de brand in de Nieuwe Kerk op 11 januari 1645 werd het Nieuwezijds Huiszittenhuis (1649 voltooid) aan de Prinsengracht gebouwd bij de al bestaande bakkerij en turfhuis "Nieuwe atlas, van de voornaamste gebouwen en gezigten der stad Amsterdam, tweede deel, 1783. Na 1655 het Oudezijds Huiszittenhuis, voordien gebeurde de uitdeling vanuit de Nieuwe Kerk. In 1672 bedeelde het Nieuwezijds Huiszittenhuis bijna 6000 gezinnen, de armoede was groot en de kerk kampte met enorme tekortenGeschiedenis des Nederlandschen volks, 1872 Na 1808 bleef alleen het Nieuwezijds Huiszittenhuis over en onder het bewind van de Regenten van de Huiszittende Stadsarmen, in 1870 werd de armenzorg gedaan door het Burgerlijk Armbestuur.
Breda Zoals in de meeste steden in de Zuidelijke Nederlanden bleef de zorg voor de huiszittende armen bij de kerk, in Breda ging het oortjesgeld naar de algemene armenkas van de Aalmoezenierskamer. In de 15e eeuw waren er de Heilige Geesttafels, in 1536 ontstond uit het samengaan van de tafels en enkele kleinere instituten de Aalmoezenierskamer. De Katholieke aalmoezenierskamer had in de 17e en 18e eeuw veel kapitaal in de vorm van Nederlandse en buitenlandse staatsleningen. In 1808 en 1809 werd echter geen rente uitgekeerd over de Nederlandse leningen en in 1810 werd door Napoleon de rente teruggebracht naar 1/3 van de oorspronkelijke (Tiërcering). Daardoor werd de aalmoezenierskamer afhankelijker van bijdragen door de overheid, de taken werden langzamerhand overgenomen door de Stedelijke Armenzorg."Financiering van de armenzorg in twee Noord-Brabantse steden: Breda en 's-Hertogenbosch", A.C.M. Kappelhof, 2016.
Delft
Voor de reformatie waren er de Heilige Geestmeesters, daarna de diaconie van de protestantse kerk. Toen aan het eind van de 16e eeuw de toestand onhoudbaar werd door geldgebrek liet het stadsbestuur een onderzoek doen naar de aantallen armen die werkelijk recht hadden op bijstand. Rond 1600 werd de Kamer van Charitate opgericht die na een moeilijke start vanaf 1614 de organisatie was die hulp verleende aan alle armen ongeacht geloof of afkomst. Het zogenaamde "Delftse systeem" kwam overeen met de scheiding in drie groepen zoals door Vives was voorgesteld. De huiszittende armen konden hun bedeling afhalen bij een pand aan Schoolstraat 5 aan de achterzijde van het Prinsenhof in het gebouw van het voormalige Sint Agathaklooster."Delf Cultuurhistorisch magazine voor Delft", Armenzorg; het Delftse model, een unieke formule, jg. 14 - 3, I. van der Vlis, 2012
Deventer
In Deventer waren vanaf de 13e eeuw allerlei instanties die ook aan armenzorg deden zo waren er de gilden en broederschappen die meestal ook een armenkas hadden. Het Heilige Geest Gasthuis dat al bestond in 1267 gaf ook wekelijks geld aan de zogenaamde thuiszittende armen in de stad. In de 16e eeuw waren dat ongeveer vijftig gezinnen per week, in 1565 zelfs zeventig.
Tot 1578 bleef Deventer in Spaanse handen en was een garnizoensstad door de gestegen kosten werd de uitdelingen aan thuiswonende armen minder. Na de reformatie kregen de protestanten weinig invloed, in 1581 werd de Almissers ordeninge der stadt Deventer (Aalmoezeniers verordening) ingesteld. De zorg voor de huiszittende armen werd toevertrouwd aan zes, door het stadsbestuur aangestelde, provisoren der huiszittende armen en opgedeeld in zogenaamde Armenkamers met aan het hoofd de Armenstaat. Het geld dat vroeger naar de gilden-armenzorg ging ging nu naar het magistraat (schepenen en raad)Geschiedenis van Overijssel, J.I.van Doorninck en J. Nanninga Uiterdijk, 1876. Vanaf 1591 kreeg ook de protestantse kerk een beperkte rol in de armenzorg. In 1592 werd het dagelijks beheer van het Heilige Geest Gasthuis eveneens opgedragen aan twee provisoren. De provisoren lieten jaarlijks uitdelingen doen voor de armen die werden bekostigd door particulieren. Er waren bijvoorbeeld acht brood- en boteruitdelingen: Op beloken Pasen van 6 mud rogge en een half vat boter, geschonken door Alyt Strubbe. Op zondag Misericordia Domini (veertien dagen na Pasen, 5 mud Weite en een half vat boter, geschonken door Vos van de Moele. Op Sint Pancratius (12 mei) 5 mud Weite, geschonken door Hendrik Kanneken en zijn huisvrouw Mechteldt. Op Sint Bartholomeus (24 augustus) 4 mud weite en een half vat boter, geschonken door heer Blauwen. Op Sint Nicolaas (6 december) 6 mud rogge en een half vat boter, nalatenschap Wendele Sprengers. Op Sint Poncianus (14 januari) 5 mud rogge, geschonken door Philippus van Wesepe en zijn huisvrouw. In de Vastentijd 6 mud rogge, geschonken door Arent Upperheeft en zijn huisvrouw Alyt. Op Maria's Zuivering (2 februari), 4 mud weite, geschonken door Bruyn Kalvewinckel en Webbe zijn huisvrouw.
De protestantse kerk kreeg in 1602 een diaconie, die in 1796 weer werd ingelijfd in de Armenstaat. In 1818 kwam het "Algemeen reglement op het armwezen in de stad Deventer" waarin de armenzorg werd opgedragen aan de kerken.
Groningen
In Groningen bestond vanaf 1437 het (Broederschap van de Armehuiszitten), Vanuit het Boter en Broodhuisje deelde het Convent elke maandag brood en boter uit aan huiszittende armen. Na de reformatie was de armenzorg toevertrouwd aan de Protestantse Kerk maar in 1684 werd de Katholieke Diaconie opgericht die de zorg had voor de katholieke armen.
Haarlem
In de Grote of Sint Bavokerk bevindt zich de broodbank uit 1475. De Heilige Geestmeesters deelden hier na afloop van de kerkdienst brood aan de armen uit. Na de reformatie bleef de broodbank bestaan en waren er voortaan protestantse heilige geestmeesters. Ook werd de bedeling door de diacenen persoonlijk aan huis gebracht, ze konden dan gelijk kennis nemen van de omstandigheden. Na 1650 was de stad verdeeld in wijken eerst drie en vanaf 1771 zes. Elk van deze zes wijken werd bediend door een diaken en een regent die was aangesteld door burgemeesters en afkomstig was uit de aanzienlijke burgers.
's-Hertogenbosch
In deze stad was een bijzondere situatie die nergens anders voorkwam, de stad was verdeeld in negen blokken (wijken) die ontstaan waren uit particuliere initiatieven. De blokhoofden verzorgden niet alleen de armenzorg maar waren ook een soort bestuurders die het stadsbestuur veel werk uit handen namen. Het Geefhuis (Godshuizen van de Heilige Geest of Armenhuis), een gebouw aan de Hinthamerstraat, werd in 1268 gesticht. Het bestuur bestond uit een klerk en regenten, wekelijks werd geld en brood uitgedeeld aan de huisarmen. In 1275 ontstond hier de Heilige Geesttafel van de kerk die de zorg voor de armen en met name de huiszittende armen op zich nam. In 's-Hertogenbosch werden er naast de gewone huisarmen veel (oudere) vrouwen en ook vrouwen die net bevallen waren tot de huiszittende armen gerekend. In 1477 gaf het stadsbestuur bevel aan de bestuurders van de Heilige Geesttafel om jaarlijks 30 hectoliter rogge (genoeg voor 800 broden van 6 pond) uit te delen onder de (huiszitten)meesters (blokhoofden) van de huiszittende armen, deze verplichting duurde tot 1810. Na de reformatie werd in 1639 de zorg toebedeeld aan zowel de Heilige Geesttafel als aan de Diaconie van de Protestantse kerk. In 1810 werden de blokken opgeheven en ontstond in 1814 het Bedelingsfonds door samenvoeging van de Armenfondsen, namelijk de Tafel van de H. Geest en de negen blokarmenfondsen van de blokken. Het Bedelingsfonds bleef tot 1855 een algemeen armenfonds. "Ouderen- en armenzorg van 'de Godshuizen' na 1811", Bosche Encyclopedie, http://www.bossche-encyclopedie.nl/artikelen/vogel/ouderen-%20en%20armenzorg%20van%20de%20godshuizen%20na%201811.htm "Armenzorg in Den Bosch, De Negen Blokken 1350 – 1810", A.C.M. Kappelhof, 2016 "'s-Hertogenbosch in de Bataafse en Franse tijd, 1794-1814", H.F.J.M. v.d. Eerenbeemt, 1955
Kampen In Kampen waren de memoriën de instanties die de zorg voor huiszittende armen op zich namen, zij deelden geld, voedsel, brandstof en kleding uit aan de huiszittende armen. Het waren broederschappen van priesters en gegoede burgers, die met toestemming van de pastoor en van het stadsbestuur, als doel hadden het bevorderen van de godsdienst en de zorg voor armen.De situatie in Kampen, https://www.dboverijssel.nl/archieven/5358 Deze instanties functioneerden zo goed dat al in 1475 het stadbestuur de Heilig-Kruismemorie en de Onze Lieve Vrouwe memorie verbood per week meer dan 100 aalmoezen uit te delen.
De drie oudste memoriën De Schepens memorie werd opgericht in 1316 (het sterfjaar van Guy van Henegouwen). De Sint-Jurriëns memorie werd opgericht in 1401 in St. Nicolaas kerk. De Heilig Sacraments memorie werd gesticht in 1393. Deze drie oudste memoriën verzorgden de missen en begrafenisplechtigheden voor de overleden leden en bevorderden de liturgische eredienst, het is onbekend of er ook aandacht voor de armenzorg was.
Onze Lieve Vrouwe memorie Opgericht op (Sint Catharinandag) 28 november 1380 en bestaande uit enige goede en devote mannen en vrouwen, het doel van de broederschap was het