Robertus Padtbrugge (Parijs, 1637 - Amersfoort, oktober 1703) was een medicus en koopman in dienst van de VOC. Hij werkte onder meer in Ceylon en was daarna gouverneur van Ternate (1677-1682) en Ambon (1682-1687). Hij was lid van de Raad van Indië in Batavia in 1687 en 1688 en keerde toen terug naar Nederland. Hij vestigde zich in Amersfoort en werd daar in 1694 lid van de vroedschap.

Naar de Oost miniatuur|Kaart van Azië van ca. 1690. Robertus Padtbrugge stamde uit een familie die oorspronkelijk uit Henegouwen kwam en Pattebreucq heette. Na een verhuizing naar Brussel ca. 1585 ging een deel van de familie zich Patbrugge noemen. De ouders van Robertus, Herman Patbrugge en Johanna van den Heuvel, verhuisden van Brussel naar Parijs, waar ze zes kinderen kregen. Na de dood van Herman ca. 1640 verhuisde Johanna met de kinderen naar Amsterdam, waar ze lid werd van de Waalse kerk.Ze stierf in september 1664 en werd begraven in de Waalse Kerk. De oudste zoon, Dionysius, maakte carrière als graveur, en ging in 1669 naar Stockholm in dienst van het Zweedse Hof. De ongeveer 8 jaar jongere Robertus ging in 1657 in Groningen filologie studeren. In 1660 maakte hij een reis naar Japan. In welke hoedanigheid is niet duidelijk. Vermoedelijk was het niet in dienst van de VOC, want in de archieven van die onderneming is hier niets over te vinden. Waarschijnlijk kwam hij samen met het opperhoofd van Dejima Joan Bouchelion op 3 september 1661 weer terug in Nederland. Daar ging hij in november medicijnen studeren in Leiden en promoveerde op 27 april 1663 tot doctor op het onderwerp ‘De Apoplexia’, oftewel beroerte. Op 1 september trouwde hij in Amersfoort met de daar wonende Catharina van Hoogeveen. Een maand eerder had hij dienst genomen bij de VOC-Kamer Amsterdam. Op 2 februari 1664 vertrok hij als onderkoopman op het schip ‘t Slot van Honingen naar Batavia, vergezeld van zijn vrouw en haar zus Johanna. Na een tussenstop van een maand aan de Kaap de Goede Hoop kwamen ze op 22 juli aan in Batavia. Hun pasgeboren dochter Johanna werd er op 31 juli gedoopt. Kort daarna vertrok Padtbrugge naar Ceylon, vermoedelijk met de vloot van Rijckloff van Goens die daar gouverneur werd. Enkele jaren eerder waren onder Van Goens' leiding in alliantie met de koning van Kandy Raja Singha II de laatste Portugezen van het eiland verjaagd, waardoor de VOC een monopolie op de productie van kaneel had gekregen.

Ceylon miniatuur|Ceylon. In Colombo, het hoofdkwartier van de VOC in Ceylon, werd Padtbrugge lid van de Raad van Justitie en assistent van de zoon van Van Goens, Rijckloff van Goens de Jonge, bij het bestuur van de korle’s (districten) ten zuiden van Colombo. Vanaf januari 1668 vervulde hij die rol voor kapitein Hendrik van Reede tot Drakestein (een protegé van Van Goens senior). Hij schreef enkele rapporten over ‘diversche mineralen, cruijden, medicinen etc.’ die naar de Raad van Indië in Batavia en naar de Heren XVII werden gestuurd en die gewaardeerd werden. Maar al snel vond hij dat het niet opschoot met zijn loopbaan. In een brief van 16 januari 1667 aan Johan de Witt, die verwant was aan de familie van zijn vrouw, klaagde hij over de willekeur in het personeelsbeleid: ‘Den ellendigen Padtbrugge alleen is en blijft ondercoopman ende dat noch de minste van alle andere. Soo datter geen bevorderinge en is dan voor de indische heren haer zoonen, neven en gunstelinge uit goede insichten’. Zijn klachten hadden effect, want in februari werd hij door Van Goens in de rang van provisioneel koopman aangesteld als opperhoofd van de VOC-factorij in Basra.Van Goens was behalve gouverneur van Ceylon ook superintendent, admiraal en veldoverste van de Westerkwartieren, zoals de regio westelijk van de Indische Oceaan genoemd werd, en waar Basra onder viel.

Op 11 mei kwam Padtbrugge aan in Gamron, waar het hoofdkantoor voor Perzië zich bevond. Hier vernam men geruchten over een op handen zijnde oorlog met de rond Bagdad oprukkende Ottomaanse Turken, zodat besloten werd de meegebrachte handelswaar in Gamron te verkopen en weer terug te varen naar Colombo. Zijn benoeming ging dus niet door. Ook een benoeming eind 1667 tot opperhoofd van Cuilon aan de Malabarkust ging niet door omdat de Heren XVII de voorkeur gaven aan Gelmer Vosburgh. Ergens vóór juni 1668 werd hij benoemd tot hoofd van het soldijkantoor in Colombo, een belangrijke post. In januari 1669 vertrok vanuit Ceylon een retourvloot van vier schepen onder leiding van Rijckloff van Goens de Jonge naar Nederland. Padtbrugge met zijn vrouw en twee kinderen ging mee. Zijn contract van 5 jaar was nog niet helemaal uitgediend maar vanwege ziekte van Catharina mocht hij een half jaar eerder terug. Begin augustus arriveerde de vloot bij Texel.

Nogmaals Ceylon Eenmaal in Nederland wilde Padtbrugge een nieuwe aanstelling bij de VOC. Vermoedelijk geholpen door zijn connectie met Johan de Witt werd hij op 3 september 1670 door de Heren XVII benoemd tot opperkoopman in Ceylon onder Rijckloff van Goens de Jonge, die zijn vader zou opvolgen als gouverneur. Op 13 oktober vertrok een vloot van zes schepen van Texel met Van Goens als admiraal op de Brederode en Padtbrugge als vice-admiraal op de Sparendam. Na een lange en moeizame reis arriveerden ze op 4 juli 1671 in Colombo. Padtbrugge hield op de reis een dagregister bij. Hieruit blijkt onder andere dat hij een destilleerketel aan boord had die zout water omzette in zoet water, 'schoon en liefflijck als 't beste bronwater dat men ter werelt soude konnen hebben'. Het vele brandhout dat er voor nodig was maakte echter een eind aan het experiment.

In Ceylon maakte hij van 20 juli tot 7 november met Van Goens een inspectiereis rond het eiland met de Brederode, waarbij Batticaloa, Trincomalee, Jaffna, Mannar en Calpentijn werden aangedaan. Hij maakte daarna deel uit van de Politieke Raad van Colombo en was daarin zesde in rang, na de dessaves van de verschillende districten.Een dessave stond aan het hoofd van het inheemse bestuur van een district en was onder meer verantwoordelijk voor belastingheffing en de levering van kaneel. miniatuur|Muscat ca. 1670. Ook Van Goens senior was nog in Ceylon in zijn rol van superintendent over de Westerkwartieren. Hij droeg Padtbrugge op om met een vloot onder leiding van Adriaen Roothaes en Laurens Pijl naar Maskate (Muscat) te gaan om een handelsverdrag te sluiten met de Imam, die daar belangstelling voor had getoond. Met vijf oorlogsschepen en een aantal koopvaarders vertrok de vloot in februari 1672 uit Colombo. Onderweg passeerde men het Perzisch Eskader uit Frankrijk, waarmee de Republiek op gespannen voet stond met grote kans op oorlog. Door ziekte en het kort daarna sterven van admiraal Roothaes kwam men er niet toe om dit eskader ‘op de hacken’ te zitten, zoals Padtbrugge het uitdrukte. Het Perzisch Eskader voer daarop door naar Trincomalee in een poging daar een basis te vestigen voor de Franse Oost-Indische Compagnie. Om die reden keerden de vijf oorlogsschepen terug, en bezocht Padtbrugge later dat jaar na een lange door windstiltes en ziektes geplaagde reis met slechts drie schepen Muscat. Hij reisde naar het hof van de Imam in Nishia (Nizwa) in het binnenland. Een zware tocht door ‘onlijdelycke’ hitte. Na twee dagen reizen kwam uit de tegenovergestelde richting de Imam met zijn gevolg die zonder te stoppen voorbij reed naar Muscat. Padtbrugge ging daarom weer terug naar Muscat en had daar op 28 juni een ontmoeting met de Imam. Die bleek niet zozeer geïnteresseerd te zijn in handel maar vooral in hulp van de VOC bij de strijd tegen de Portugezen. Omdat Padtbrugge de opdracht had de Compagnie niet in oorlogen te betrekken en er vrede was met Portugal keerde hij onverrichter zake (met 'de kous opt hooft') terug naar Ceylon. De onderkoopman George Wilmson bleef in Muscat achter om de Compagnie voorlopig op de hoogte te kunnen houden van de ontwikkelingen in Arabië. Op 1 september overhandigde Padtbrugge aan Van Goens een rapport over zijn ‘verrichtinge in Musquette ende ontrent den IJman ofte Keurvorst vant steenich Arabia’. miniatuur|De baai van Muscat in 1682. Padtbrugge nam weer zitting in de raad van Colombo, maar wekte wrevel door vol te houden dat hij daarin een hogere rang hoorde te hebben. Hij diende daarna kort als provisioneel opperhoofd van Tuticorijn, gelegen aan de Coromandelkust van India, maar vallend onder het bestuur van Ceylon en belangrijk voor de rijstimport. In de loop van 1673 verhuisde hij naar Jaffna, waar hij dessave werd. Daar maakte hij ruzie met de commandeur Laurens Pijl, wiens gezag hij volgens Van Goens ondermijnde met ‘bedenckelijcke strippelingen, hacketterijen en spotterijen’. Hij werd toen teruggehaald naar Colombo. Omdat men ‘geen onnutte dienaren van soo grooten qualiteijt lijden kon’ werd in de raad van Colombo besloten hem ‘met d’eerste occagie nae ‘t patria te demitteren’. Ook de Heren XVII vonden dat hij maar terug moest komen. Padtbrugge was daartoe niet ongenegen maar hij kwam, bedoeld of niet, te laat voor de retourvloot naar Nederland vanuit Galle van januari 1675. In plaats daarvan vertrok hij met het jacht Kogge naar Batavia, waar hij op 17 oktober aankwam. Het is goed mogelijk dat Padtbrugges problemen in Ceylon niet alleen te wijten waren aan zijn uiting van onvrede over het verloop van zijn carrière maar ook aan zijn kritiek op de geldverslindende expansionistische politiek van Van Goens en zijn zoon. Die uitte zich vooral door de bouw van forten met kostbare garnizoenen in het binnenland om druk te zetten op Raja Singha. Ook stonden de Van Goensen er om bekend geen tegenspraak te dulden. Hun politiek werd aanvankelijk gesteund door de Heren XVII, terwijl de Raad van Indië in Batavia er tegen was.

Batavia miniatuur|320x320px|Batavia. Padtbrugge verbleef meer dan een jaar in Batavia, maar wat zijn bezigheden daar waren is niet bekend. Ook Van Goens senior ging in 1675 terug naar Batavia als directeur-generaal, tweede in rang in de Raad van Indië, wat Padtbrugges carrière niet bespoedigd zal hebben. In 1676 kwam de post van gouverneur van Ternate vacant, waarop meerdere mensen solliciteerden. Op 1 december werd door gouverneur-generaal Maetsuycker en de Raad van Indië Padtbrugge benoemd, erop vertrouwende dat hij een ‘man van goet verstant, oordeel en beleijt’ zou blijken te zijn. Ook de Heren XVII hoopten dat hij zou laten zien wat ‘syn becomen kennisse en ervarentheyt schijnt te beloven’. Ternate was een moeilijke post, vanwege het ongezonde klimaat en de onberekenbare en wrede sultan Sibori Amsterdam, ofwel Koning Amsterdam, zo genoemd door zijn vader Mandersjah, een trouwe bondgenoot van de VOC.Volgens Padtbrugge had Koning Amsterdam ‘natuurlijck verstandt en oordeel maer weet het niet te gebruijcken’. Hij was ‘los wulps, ongebonden en zorgeloos, eer baldadig in het drincken om een heldt te schijnen dan daer toe van naturen genegen’, maar ‘andersints is zijn hoogheyt van een goede en medegaende inborst en laet zig zeer wel leijden en raden, dogh zijn ligtvaardigheyt maeckt dat hij zorglijck is ende dat sigh oock light verleijden laat’. Sibori Amsterdam verkeerde op voet van oorlog met familieleden en edelen in zijn rijk. Sommigen waren naar Tidore gevlucht. Anderen, waaronder zijn zus prinses GammelammeGenoemd naar de plaats Gamlamo aan de noordkust. en haar man prins Alam, hadden hun toevlucht gezocht in Fort Oranje. Verwacht werd dat Padtbrugge Koning Amsterdam van ‘diens los, ongebonden, wild en woest leven zo mogelijk zou weten af te leijden’.