Walther Bernard Friedrich Karl Schröder (Lübeck, 26 november 1902 - aldaar, 31 oktober 1973) was een Duitse officier en SS-Brigadeführer (brigadegeneraal) en Generalmajor in de politie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was parlementslid voor de NSDAP in de Rijksdag. Als hoofdcommissaris van politie in Lübeck en als SS- und Polizeiführer in Letland was hij hoofdverantwoordelijk voor de moorden op de Joden in het Rijkscommissariaat Ostland. Leven Op 26 november 1902 werd Walther Schröder geboren in Lübeck. Hij was de zoon van de op 4 november 1914 in Langemark (België) gesneuvelde kanonnier Friedrich Schröder en diens vrouw Wilhelmine Schröder (geboortenaam Ahrens). Walther ging tot 1919 naar school in Lübeck. Hierna volgde hij gedurende drie jaar een praktische opleiding in de werktuigbouwkunde. Vanaf april 1922 studeerde Walther gedurende vijf semesters aan de technische staatsonderwijsinstelling in Hamburg. Tegelijkertijd was hij toehoorder bij het vak nationale economie aan de Universität Hamburg. In hetzelfde jaar werd Walther ook lid van de Bund Oberland. In de herfst van 1924 legde hij het staatsexamen in de algemene machinebouw af. Tot december 1931 werkte Walther als constructeur en ingenieur bij de scheepswerf von Henry Koch AG en een machinebouwfirma in Lübeck.
Op 5 mei 1925 werd Schröder lid van de NSDAP en de Sturmabteilung (SA). Van 1927 tot 1929 was hij SA-Sturmführer (tweede luitenant) van SA-Sturm 1 van de Gausturm Mecklenburg-Süd. Schröder was de politieke leider van de plaatselijke afdeling in Lübeck. Van 1926 tot 1928 was hij propagandaleider en vervolgens Ortsgruppenleiter in Lübeck. In 1930 verliet hij de Sturmabteilung (SA) en ging hij tot 1934 werken als Bezirksleiter, Untergauleiter en Kreisleiter. In die periode was Schröder tot 1 april 1937 ook hoofd van de eerste gouw-hoofdafdeling en gouwinspecteur voor de gouwleiding van het gouw Mecklenburg-Lübeck.Yerger 1977, p.59.
Schröder werd in zijn functie als hoofdredacteur van de Lübecker Beobachter veroordeeld tot boetes van 300 RM en 600 RM. Ook raakte hij opnieuw gewond tijdens een confrontatie met politieke tegenstanders, waarbij hij een messteek opliep.Schulz 2011, p.138. In 1929 werd hij, als een van de zes NSDAP-leden, gekozen in het Lübeckse parlement. Hij bleef daar lid van tot de opheffing ervan in 1933. Op 31 juli 1932 nam Schröder deel aan de verkiezingen voor de Rijksdag en werd hij gekozen in kiesdistrict 35 (Mecklenburg). Met een korte onderbreking bleef hij tot het einde van de Tweede Wereldoorlog lid van het parlement.
Na de overname van de macht door de nazi's werd Schröder op 6 maart 1933 benoemd tot waarnemend hoofdcommissaris van politie in Lübeck. Op 31 mei van hetzelfde jaar volgde zijn vaste aanstelling als hoofdcommissaris van politie. Daarnaast werd hij door de Rijksstadhouder Friedrich Hildebrandt benoemd tot senator in het Lübeckse staatsbestuur, met toezicht op de politie.
Op 6 oktober 1933 trouwde Schröder met Helga Jungelaus. Het echtpaar kreeg een dochter (1937) en twee zonen (1935 en 1942). Schröder en zijn vrouw waren lid van de Lebensborn-vereniging.Schulz 2011, p.142.
Op 8 september 1936 werd Schröder lid van het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK) en werd hij als NSKK-Standartenführer (kolonel) toegevoegd aan de staf van de Motor-Obergruppe Nord (Hamburg). Een jaar later volgde zijn bevordering tot NSKK-Oberführer. In april 1938 werd Schröder als SS-Oberführer opgenomen in de Schutzstaffel (SS). Hij werd vervolgens geplaatst bij het Sicherheitsdienst (SD), dat onder leiding stond van de SS-Gruppenführer Reinhard Heydrich. Tweede Wereldoorlog rechts|thumb|Hoofdcommissaris Schröder in Nederland, 1941. Schröder werd onmiddellijk na de Februaristaking naar Nederland gestuurd om als hoofd van de Duitse politie de staking neer te slaan en de orde te herstellen.
In augustus 1940, toen hij zijn Wehrerfassung moest opgeven, beweerde Schröder dat hij ernstige verwondingen had opgelopen. In 1928 had hij tijdens een gevecht in de Centrale Hal van Lübeck een armblessure opgelopen en in 1932 had hij bij een auto-ongeluk een dubbele armbreuk opgelopen, waardoor Schröder een abnormaal beweeglijk gewricht had. Op 4 september werd hij als militair geschikt voor niet-strijdende dienst geclassificeerd.
Op 4 augustus 1941 volgde Schröders benoeming door Heinrich Himmler tot SS- und Polizeiführer (SSPF) in Riga. Enkele dagen later werd hij benoemd tot SS- und Polizeistandortführer (vrije vertaling: SS- en politiegarnizoensleider) van het Generalbezirk Lettland in het Rijkscommissariaat Ostland, met zijn kantoor in Riga. Hij rapporteerde aan de Höherer SS- und Polizeiführer (HSSPF), SS-Gruppenführer Hans-Adolf Prützmann, en aan de Generalkommissar (algemeen commissaris) van Lettland, Otto-Heinrich Drechsler, die tevens burgemeester van Lübeck was. Hij leidde ook de activiteiten van de lokale Letse wetshandhavings- en veiligheidsdiensten, waaronder de Letse hulppolitie, die hij aanstuurde als Befehlshaber der Ordnungspolizei (BdO) (vrije vertaling: bevelhebber van de Ordnungspolizei).Lumans 2006, p.267.
Deze troepen waren betrokken bij talloze moorden op Joden en andere Letten, waaronder de beruchte bloedbaden in Liepāja en het bloedbad van Rumbula. Geschat wordt dat tijdens de Holocaust meer dan 80.000 Letten zijn vermoord.McNab 2009, p.132. Op 27 september 1941 werd Schröder bevorderd tot SS-Brigadeführer (brigadegeneraal) en Generalmajor in de politie. Na zijn bevordering werkte hij samen met algemeen commissaris Otto-Heinrich Drechsler en assisteerde hij de leider van de Einsatzgruppen, Franz Walter Stahlecker, bij diens taken.Lumans 2006, p.176.
Na de luchtaanval op Lübeck in de nacht van 28 op 29 maart 1942 kreeg Schröder van de gouwleider Hinrich Lohse het bevel om terug te keren naar Lübeck. Hij kwam in de nacht van 31 maart aan. Daar was Schröder tot 4 april 1942 plaatsvervangend Rijksverdedigingscommissaris van het Wehrkreis X (vrije vertaling: 10e militaire district) in Hamburg. Daarna keerde hij tot 6 mei terug naar zijn oude functie als hoofdcommissaris van politie en wethouder van het bouwbestuur in Lübeck.
Om het moreel van de bevolking op te krikken, werden aan de inwoners van Lübeck leveringen gedaan van gewilde en anderszins moeilijk verkrijgbare goederen. De voorzitter van de nationaalsocialistische algemene welzijnszorg in Lübeck, Wilhelm Janowsky, hield grote voorraden voor zichzelf. Hij liet echter ook omvangrijke voedselpakketten uitdelen aan vrienden, en Schröder ontving eveneens dergelijke pakketten. Er vond geen proces tegen Schröder plaats en de zaak werd in de doofpot gestopt. Op 28 augustus 1942 werd Janowsky door een speciale rechtbank in Kiel ter dood veroordeeld. Hij werd op 15 december 1942 in Hamburg geëxecuteerd.
Op 10 april 1942 beval de afdelingsleider van het Hauptamt Ordnungspolizei, Wilhelm von Grolman, de terugplaatsing van Schröder naar Lübeck. De terugplaatsing vond echter niet plaats vanwege organisatorische problemen in Riga. Daarom stelde Grolman de terugplaatsing op 23 juni 1942 voor onbepaalde tijd uit.Schulz 2011, p.145.
Op 24 augustus 1942 stuurde Himmler Schröder een ‘laatste maning’ (met kopieën aan Jeckeln, Wolff en het SS-Personalhauptamt). Daarin bekritiseerde hij Schröders ‘verslaving om voortdurend in de krant genoemd te worden’ en liet hij hem weten dat hij uit zijn functie zou worden ontheven ‘de volgende keer dat hij in een krantenartikel in het Duits of Lets zou worden genoemd’.
Vanaf januari 1943 was hij betrokken bij de politieke onderhandelingen over de oprichting van het Lettische SS-Freiwilligen Legion, een militaire formatie die grotendeels uit Letse vrijwilligers bestond en uiteindelijk uitgroeide tot de 15. Waffen-Grenadier-Division der SS (lettische Nr. 1) en de 19. Waffen-Grenadier-Division der SS (lettische Nr. 2).Williamson 1994, p.124–127.
In een geheime beoordeling van 26 juni 1944 door Jeckeln beschreef hij Schröder als volgt:Schulz 2011, p.148.
"SS-Führer mit sehr guten charakterlichen Eigenschaften“, ihm fehle es aber „manchmal an der notwendigen Härte“ und dass er „auch etwas zur Bequemlichkeit“ neige. „Sein in- und außerdienstliches Auftreten“ sei „sehr gut“, das soldatische lasse aber „zu wünschen übrig“, er sei „also nicht der Typ des harten SS-Mannes“, politische Aufgaben würden ihm mehr als soldatische liegen."
Vrij vertaald:
"SS-leider met zeer goede karaktereigenschappen, maar soms ontbreekt het hem aan de nodige strengheid en is hij ook enigszins geneigd tot gemakzucht. Zijn optreden binnen en buiten de dienst is zeer goed, maar zijn militaire optreden laat te wensen over. Hij is dus niet het type van de harde SS-man; politieke taken zouden hem beter liggen dan militaire taken."
Op 19 oktober 1944 meldde Schröder zich opnieuw bij het Hauptamt Ordnungspolizei in Lübeck om de zaken van de SSPF Letland af te handelen. In november verzocht hij de HSSPF Bassewitz-Behr om te worden benoemd tot hoofdcommissaris van Lübeck, als opvolger van de burgemeester van Bremen, Johann Heinrich Böhmcker. Op 21 november 1944 benoemde Himmler Schröder echter tot opvolger van SS-Brigadeführer Kurt Hintze, die in Opper-Silezië was gesneuveld.
Schröder werd in januari 1945 echter op instigatie van Bassewitz-Behr teruggeplaatst naar Lübeck als hoofdcommissaris.
Aan het einde van de oorlog was hij het met de Kampfkommandant van Lübeck, Generalmajor Kurt Lottner, andere officieren op het hoofdkwartier, burgemeester Otto-Heinrich Drechsler en Kreisleiter Otto Bernhard Clausen eens dat het geen zin had om de stad te verdedigen tegen de Britse tankeenheden die vanaf de Elbe oprukten. De explosieven die aan de bruggen rond de stad waren geplaatst, werden verwijderd. Hierdoor kon de stad op 2 mei 1945 grotendeels zonder gevechten en zonder verdere schade worden ingenomen.
Na de oorlog Nadat de Britten onder leiding van majoor Coolay eerst burgemeester Drechsler in het raadhuis van Lübeck hadden gearresteerd, begaf Coolay zich naar het hoofdbureau van politie. Daar arresteerde hij Schröder en de overige leden van de politieleiding. Terwijl de politie de volgende dag ongewapend haar taken hervatte, werd Schröder op 3 mei officieel in hechtenis genomen door de militaire regering, vertegenwoordigd door districtsofficier A. J. R. Munro.Schulz 2011, p.150.
De denazificatierechtbank in Bergedorf veroordeelde Schröder tot een gevangenisstraf van twee jaar en negen maanden. De rechtbank achtte hem schuldig aan ‘valse ontkenning’ en een ‘gebrek aan inzicht’, omdat hij niets wilde weten van de Holocaust en de misstanden in de concentratiekampen. Tijdens het denazificatieproces werd Schröder uiteindelijk slechts geclassificeerd als een Mitläufer (‘meeloper’). De historici Danker en Schwabe noemden deze classificatie ‘absurd’, gezien Schröders prominente leiderschapsrol in Sleeswijk-Holstein en het Rijkscommissariaat Ostland.Der Spiegel, „Küßt die Faschisten“.
Na de oorlog werd Schröders ambtsvilla aan het Burgfeld in Lübeck door de bezettingsautoriteiten geconfisqueerd. In januari 1956 eiste Schröder, die destijds een maandelijks pensioen van 1.100 mark ontving, een schadevergoeding van 53.000 mark van de stad Lübeck. Hij baseerde zijn claim op het Reichsleistungsgesetz (Rijksdienstplichtwet).Schulz 2011, p.153.
In 1955 en 1956 werden bovendien twee strafrechtelijke onderzoeken tegen hem door het Openbaar Ministerie van Lübeck wegens gebrek aan bewijs geseponeerd.Eichmüller 2012, p.409. Over het verdere verloop van zijn leven is daarna weinig bekend. Op 31 oktober 1973 overleed Schröder in Lübeck.
Carrière Schröder bekleedde verschillende rangen in zowel de Allgemeine-SS als Sturmabteilung. De volgende tabel laat zien dat de bevorderingen niet synchroon liepen.