Elisabeth Dorothea (Mopsa) Sternheim, geboren als Elisabeth Dorothea Löwenstein (Düsseldorf-Oberkassel, 10 januari 1905 – Parijs, 11 september 1954)Sommige bronnen geven als overlijdensdatum 12 september op. was een Duits-Oostenrijkse kostuumontwerper, decorontwerper en verzetsstrijder.

Haar jeugd bracht ze afwisselend door in Duitsland, België, Nederland en Zwitserland. Nadat ze in 1926 haar opleiding tot decorontwerper had afgerond, verhuisde ze naar Berlijn. In het vrije Berlijn van de Weimarrepubliek was ze onderdeel van het nachtleven en had ze diverse wisselende relaties met mannen en vrouwen. Een behandeling met Eukodal (Oxycodon) na een motorongeluk in 1927, leidde tot een drugsverslaving waar ze tot haar dood mee worstelde.

Kort na de machtsovername van Adolf Hitler in 1933 verhuisde ze naar Parijs en tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot ze zich aan bij het Franse verzet. Dit leidde in 1943 tot een arrestatie en gevangenschap in kamp Ravensbrück waar ze haar verzetsactiviteiten voortzette. Als onderdeel van werd ze in 1945 door het Zweedse Rode Kruis gered.

De laatste jaren van haar leven werden gekenmerkt door financiële problemen, een echtscheiding, diverse rechtszaken, een ongelukkige liefdesrelatie en ziekte. In 1954 overleed ze in Parijs aan de gevolgen van darmkanker.

Jeugd Elisabeth Dorothea Sternheim werd geboren in Düsseldorf-Oberkassel op 10 januari 1905 als Elisabeth Dorothea Löwenstein. Ze was de buitenechtelijke dochter van de Joodse toneelschrijver Carl Sternheim en de katholieke Thea Sternheim, geboren Bauer. Haar moeder was ten tijde van de geboorte van Dorothea, die 'Moiby' of 'Mopsa'De bijnaam 'Mopsa' behield ze haar gehele leven en ze werd tevens door vrienden op deze manier aangesproken. Door de pers werd ze in haar latere leven 'Thea' genoemd. werd genoemd, getrouwd met de Joodse advocaat Arthur Löwenstein die haar als zijn dochter erkende.

De eerste jaren van haar leven groeide ze samen met haar oudere halfzus Agnes 'Nucki' op in een welvarend gezin. Haar moeder was deel van de gevestigde Duitse bourgeoisie en afkomstig uit een zeer vermogende ondernemersfamilie. In mei 1906 erfde haar moeder enkele miljoenen Duitse mark.

In december van datzelfde jaar gingen haar ouders uit elkaar. Nadat ze in april 1907 officieel scheidden, kreeg Löwenstein de voogdij over Mopsa en haar halfzus. Haar moeder hertrouwde enkele maanden later met Carl Sternheim, Mopsa's biologische vader. Door de voogdijregeling zag ze haar moeder slechts twee maanden per jaar tijdens de zomermaanden.

Toen Löwenstein in 1912 hertrouwde, droeg hij de zorg voor Mopsa over aan haar moeder. In augustus van dat jaar verhuisde Mopsa naar België, waar haar moeder samen met Carl Sternheim en haar drie jaar jongere broer Klaus 'Kloisy' in Terhulpen, nabij Brussel, woonde. Dat Carl Sternheim haar biologische vader was, ontdekte ze pas toen ze elf jaar oud was. miniatuur|Mopsa samen met haar moeder Thea Sternheim (1913)|links

Eerste Wereldoorlog Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in juli 1914 vertrok het gezin via Nederland naar Duitsland en Zwitserland. Ze woonden tijdelijk in Bad Harzburg, Genève en Königstein im Taunus. In mei 1916 keerde het gezin terug naar Terhulpen.

Aanvankelijk woonden ze in Villa Piccola, daarna verhuisden ze naar de nieuwgebouwde . De villa groeide tijdens de oorlogsjaren uit tot een sociale ontmoetingsplaats voor intellectuelen. De ouders van Sternheim stonden in nauw contact met in Brussel gestationeerde Duitsers, onder wie auteur Gottfried Benn, kunsthandelaar Alfred Flechtheim en uitgever Hermann von Wedderkop.

Als kind had Mopsa erg naar haar moeder verlangd en nadat ze bij haar was ingetrokken ontwikkelden ze een sterke band. Haar moeder bracht veel tijd door met de kinderen en gaf thuis onderwijs. Daarnaast kreeg ze les van enkele privéleraren, waaronder de Belgische dadaïst Clément Pansaers. Ze was een verwoed lezeres en las boeken van Kleist, Dostojevski, Tolstoj en Schiller. Pansaers omschreef haar als een kind met 'de intelligentie van een 50-jarige vrouw'.

Naarmate het einde van de oorlog naderde, groeide de dreiging jegens Duitse burgers in België. Carl vertrok in oktober 1918 met Mopsa en haar broertje naar Nederland en vestigde zich in Scheveningen. Haar moeder bleef tot februari 1919 in Terhulpen. Een deel van het vermogen en bezittingen van het gezin, waaronder hun bibliotheek, werden door de Belgische autoriteiten geconfisqueerd als vijandelijk bezit. Aangezien het voor het gezin Sternheim niet mogelijk was in Nederland te blijven, vertrokken zij in april 1919 naar Zwitserland waar ze zich in Thun vestigden. Na een maand verhuisden ze naar Sankt Moritz, Ze woonden vanaf februari 1920 in Uttwil aan het Bodenmeer.

Conflicten In de periode na de Eerste Wereldoorlog kampte Carl Sternheim met een steeds sterker afnemend cognitief vermogen door een syfilisbesmetting waarna hij seksueel grensoverschrijdend gedrag naar andere vrouwen en naar Mopsa begon te vertonen. Daarnaast had hij diverse buitenechtelijke relaties, wat voor onrust in huis zorgde. Haar moeder wist van dit gedrag, en had regelmatig conflicten met hem, maar ze verliet hem niet. De situatie had een grote impact op de geestelijke gesteldheid van haar moeder, die depressief werd en in oktober 1920 een suïcidepoging deed. Als kind voelde Sternheim zich naar eigen zeggen verantwoordelijk voor de gemoedstoestand van haar moeder en voelde ze zich verscheurd door de spanningen tussen haar ouders.

Ontmoetingen miniatuur|Toegangspoort tot landhuis Waldhof Vanwege aanhoudende financiële problemen verhuisde het gezin in juni 1922 van Zwitserland naar landhuis op het platteland van , nabij Dresden. De vrienden van haar ouders, onder wie publicist Franz Pfemfert, zijn echtgenote Anja Ramm-Pfemfert, vakbondssecretaris voor de Sovjet-Unie Helene Lerner, auteur Alice Rühle-Gerstel en haar echtgenoot Otto Rühle, kwamen regelmatig over de vloer en hadden een grote invloed op Mopsa.

In Nederland had ze op dertienjarige leeftijd een vrouw ontmoet die politiek actief was, wat haar interesse in politiek had doen opbloeien. Ze volgde alle politieke discussies die thuis gevoerd werden met grote interesse, vooral die over de filosofische en praktische aspecten van het communisme. Naar eigen zeggen vond ze het jammer dat ze tijdens haar leven weinig vrouwen ontmoette met wie ze over politiek kon discussiëren.

Opleiding en start loopbaan In de lente van 1923 startte Sternheim met een studie decorontwerp aan de kunstacademie van Dresden. In deze periode ontwikkelde ze gevoelens voor enkele van haar vrouwelijke medestudenten, maar durfde hen niet aan te spreken. Hoewel ze erg van tekenen hield, wist ze dat ze hiermee niet haar brood kon verdienen. Ze voelde zich op de kunstacademie niet op haar plek en was ervan overtuigd dat ze niet voldoende talent had. Haar eerste betaalde ontwerpopdracht kreeg ze van haar vader, die haar vroeg voor de theaterproductie van zijn stuk kostuums te ontwerpen. De ontwerpen vielen in de smaak en in 1924 werd ze benaderd door de Keulse theaterdirecteur Gustav Hartung die haar aanbood in de leer te gaan bij decorontwerper Theodor Caspar Pilartz. Ze accepteerde het aanbod en verhuisde dat jaar naar Keulen. miniatuur|Van links naar rechts: Erika Mann, Klaus Mann en Pamela Wedekind (ca. 1925) Tijdens haar opleiding kwam ze in contact met actrice Pamela Wedekind, die haar voorstelde aan de schrijvers Erika Mann en haar broer Klaus Mann, kinderen van Thomas Mann. De vier ontwikkelden een hechte band en stonden bekend als de 'dichterskinderen'.Pamela Wedekind was de dochter van schrijver Frank Wedekind. Voor de theaterproductie van Klaus Manns stuk (1925) ontwierp Sternheim de kostuums. Datzelfde jaar werd ze door haar vader gevraagd de kostuums te ontwerpen voor zijn stuk (1925). Een jaar later ontwierp ze de kostuums en het decor voor het stuk (1926), waarin Wedekind een rol speelde.

Verhuizing naar Berlijn In 1926 rondde Sternheim haar opleiding af en verhuisde ze naar Berlijn. Daar had ze wisselende relaties met mannen en vrouwen, waaronder een korte, maar intense, affaire met de negentien jaar oudere schrijver Gottfried Benn, een vriend van haar ouders die zij in 1917 had leren kennen. Terwijl zij een relatie hadden onderhield Benn ook een romantische briefwisseling met haar moeder. Mopsa beschouwde zijn dubbelleven als een 'handleiding voor opportunisten'. Toen Benn de relatie in augustus 1926 wilde beëindigen, dreigde ze met zelfmoord. Ze nam een overdosis pillen, waarna Benn, die tevens arts was, haar maag leegpompte. Hoewel de relatie van korte duur was, beschouwde Sternheim hem als de liefde van haar leven.

In 1927 ging Sternheim samen met Erika Mann, Klaus Mann en Pamela Wedekind op tournee door Duitsland met Klaus' stuk . Zij ontwierp de kostuums voor het stuk en Wedekind speelde de hoofdrol. Sternheims vriendschap met Klaus Mann was bijzonder innig. Ze bespraken politieke onderwerpen en de twee gebruikten regelmatig samen drugs. Nadat Sternheim in 1927 een motorongeluk kreeg, werd ze behandeld met de pijnstiller Eukodal, die werd gezien als een minder verslavend alternatief voor morfine en heroïne. Na haar behandeling raakte Sternheim ernstig verslaafd aan pijnstillers.

Haar eerste lange relatie kreeg Sternheim met actrice Ruth Landshoff die ze in 1926 in Wenen had leren kennen toen Sternheim aan het stuk Die Schule von Uznach oder neue Sachlichkeit werkte. Via Landshoff kwam ze in contact met Annemarie Schwarzenbach die in 1930 van Zwitserland naar Berlijn was verhuisd en met wie ze een hechte vriendschap ontwikkelde. Net als Sternheim was Schwarzenbach goed bevriend met Erika en Klaus Mann. Ruth Landshoff kreeg er spijt van dat ze Sternheim en Schwarzenbach aan elkaar had geïntroduceerd, aangezien Schwarzenbach dankzij Sternheim ook startte met het gebruiken van drugs. Landshoff nam door haar gebrek aan interesse in politiek en haar afkeur van drugsgebruik steeds meer afstand van de vriendengroep. De relatie tussen haar en Sternheim kwam tot een einde, maar de twee bleven contact houden.

In december 1927 scheidden Sternheims ouders en in april van het jaar daarna hertrouwde haar vader met Pamela Wedekind. Voor Sternheim was dit de aanleiding de vriendschap met Wedekind te verbreken.

Huwelijk In januari 1928 leerde Sternheim de Franse surrealistische kunstschilder René Crevel kennen met wie ze een korte relatie kreeg. Hoewel hij homoseksueel was, deed hij haar een huwelijksaanzoek met als voorwaarde dat het een open huwelijk zou zijn waarin hij relaties had met mannen en zij met vrouwen. Samen maakten ze reizen naar Parijs, waar Sternheim via hem in contact kwam met vele surrealistische kunstschilders. Het contact dat Sternheim met hen had was echter allesbehalve amicaal en ze hekelde hun minachting voor vrouwen en homoseksualiteit. Tot een huwelijk tussen Crevel en Sternheim kwam het niet, maar de twee bleven met elkaar bevriend. In 1929 ontmoette Sternheim de Oostenrijkse kunstschilder en illustrator Rudolph von Ripper met wie ze datzelfde jaar trouwde. Door het huwelijk kreeg ze het Oostenrijks staatsburgerschap.

Sternheim wist dat ze een voorkeur had voor intieme relaties met vrouwen, maar deze waren altijd kortstondig. Volgens haar hadden de meeste vrouwen die zij kende weinig interesse in politiek, waardoor relaties haar snel verveelden. Ze kon slecht omgaan met routine en was telkens op zoek naar nieuwe ervaringen en verandering. In deze periode verbleef ze afwisselend in Marokko, Parijs, Berlijn en Salzburg zonder zich ergens voor lange perioden te vestigen.