De Naksa (Arabisch : النكسة, "de tegenslag") was de verdrijving van ongeveer 300.000 Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, toen deze gebieden door Israël werden veroverd in de Zesdaagse Oorlog van 1967. Daarbij werden een aantal Palestijnse dorpen verwoest door het Israëlische leger, zoals Imwas, Yalo, Bayt Nuba, Beit Awwa en Al-Jiftlik.

Achtergrond Tijdens de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 vonden er grote verdrijvingen van Palestijnen plaats, wat resulteerde in ongeveer 750.000 Palestijnse vluchtelingen. Ongeveer 145.000 van degenen die in 1967 werden verdreven, waren al vluchtelingen ten gevolge van hun ontheemding in 1948.

Volgens historicus Tom Segev is de hoop om de Arabieren van Palestina naar andere staten te verhuizen een constante factor in de zionistische beweging, en zochten de zionistische leiders tijdens de Britse overheersing naar verschillende manieren om Arabieren tegen betaling naar verre provincies te verhuizen.

Na de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 werd de Westelijke Jordaanoever geannexeerd door Jordanië en werd de Gazastrook een niet-erkende satellietstaat van Egypte, bekend als het Al-Palestina Protectoraat, totdat dit in 1959 werd opgeheven.

Zesdaagse Oorlog In april 1967 raakten Israël en Syrië betrokken bij grensconflicten die resulteerden in het neerhalen van zes Syrische MiG-jagers nabij de Golanhoogten. Kort daarna ontving Egypte vanuit de Sovjet-Unie misleidende rapporten over de activiteiten van het Israëlisch defensieleger aan de Israëlisch-Syrische grens. Deze desinformatie verergerde de regionale spanningen. De Egyptische president Gamal Abdel Nasser gaf op 16 mei 1967 het bevel tot de terugtrekking van de vredestroepen van de Verenigde Naties (UNEF) van het Sinaï-schiereiland. De vredestroepen functioneerden als bufferfunctie tussen de staten en was ingesteld na de Suezcrisis van 1956. Nassers besluit op 22 mei 1967 om de Straat van Tiran voor Israel af te sluiten was een schending van eerdere internationale overeenkomsten, waaronder de wapenstilstandsakkoorden van 1956 die Israëlische toegang tot de Straat van Tiran garandeerden. Twee weken later reageerde Israël met een verrassingsaanval op de luchtmacht van Egypte, Jordanië en Syrië, waarmee de Zesdaagse Oorlog begon. Na zijn overwinning in deze oorlog bezette Israël verschillende gebieden die voorheen toebehoorden aan zijn buren en stelde daar het nieuw opgerichte Israëlische Militaire Bestuur in.

Naksa miniatuur| Palestijnse vluchtelingen vluchten naar Jordanië over de verwoeste Allenbybrug, 1967 miniatuur| Vluchtelingenkamp Talbieh in Jordanië, 1983 Na het einde van de Zesdaagse Oorlog nam de VN Veiligheidsraad resolutie 242 aan om een duurzame vrede in de regio af te dwingen. Deze resolutie probeerde Israël te dwingen zich terug te trekken uit (de) door hen bezette gebieden, maar het land negeerde de resolutie en begon zich in de gebieden te vestigen als een permanente bezettingsmacht. Oost-Jeruzalem en een groot gebied eromheen werden direct na de oorlog van 1967 bij Israël gevoegd (net als later de Golanhoogten). Palestijnen werden uit hun huizen in Oost-Jeruzalem verdreven en meer dan 100.000 Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever werden vluchtelingen na de oorlog van juni 1967. Veel van deze vluchtelingen werden met geweld verdreven, aangezien Israël verschillende Palestijnse dorpen verwoestte en met bulldozers platlegde, zodat de inwoners nooit meer konden terugkeren, terwijl ook vluchtelingenkampen in de Jordaanvallei met geweld werden ontruimd.

Tegen december 1967 waren er naar schatting 245.000 mensen uit de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook naar Jordanië gevlucht, 11.000 waren uit de Gazastrook naar Egypte gevlucht en 116.000 Palestijnen en Syriërs vluchtten uit de Golanhoogten verder naar Syrië. Tot 1967 leefde ongeveer de helft van alle Palestijnen nog binnen de grenzen van het voormalige mandaatgebied Palestina, maar na 1967 kwamen de meesten als vluchteling terecht in andere landen. De vluchtelingenkampen van Aqabat Jaber, ʿEin as-Sultan en Nu'aymah, waarvan de bewoners het slachtoffer waren geweest van de Palestijnse verdrijvingen van 1948, werden nagenoeg helemaal verlaten. Ongeveer 50.000 mensen waren gevlucht of verdreven naar Jordanië.

Een speciale commissie van de Verenigde Naties behandelde de beschuldigingen over de vernietiging van meer dan 400 Arabische dorpen, maar er werd geen bewijs ter ondersteuning hiervan aan de speciale commissie overlegd. In 1971 publiceerde deze VN-commissie een rapport waarin werd geconcludeerd dat de Israëlische regering opzettelijk een beleid voerde dat erop gericht is de bevolking van de bezette gebieden te verhinderen naar hun huizen terug te keren en degenen die nog in hun huis wonen, te dwingen dit te verlaten, door rechtstreekse deportatie dan wel indirect door pogingen hun moreel te ondermijnen door middel van speciale aanbiedingen en stimulansen. Het uiteindelijke doel van dit alles zou zijn de bezette gebieden te annexeren en te koloniseren. Volgens de speciale commissie behoorden de handelingen waarmee dit beleid werd bevorderd, tot de ernstigste schendingen van mensenrechten waarover zij zich moest buigen. Uit bewijsmateriaal bleek dat deze situatie verergerd was sinds de laatste missie van de speciale commissie in 1970. Hoewel de speciale commissie van de VN (officieel de Special Committee to Investigate Israeli Practices Affecting the Human Rights of the Population of the Occupied Territories) in 1971 geen fysieke toegang tot de door Israël bezette gebieden kreeg, meende de commissie dat ze op basis van getuigenissen en documenten toch conclusies kon trekken over de situatie in de bezette Palestijnse gebieden en de Golanhoogten.

Na het bezoek van de eenheid voor psychologische oorlogsvoering aan Qalqilya en veel inwoners waren gevlucht, constateerde de VN-vertegenwoordiger Nils-Göran Gussing dat 850 van de 2.000 huizen in de stad waren verwoest., 1967: Israel, the War, and the Year that Transformed the Middle East, p. 405.

Herdenking Jaarlijks, op 5 juni, wordt Naksa-dag gevierd om de gebeurtenissen te herdenken van de ontheemding die in 1967 plaatsvond.

Historiografie Volgens wat historicus Nur Masalha in 2003 beweerde, zou in tegenstelling tot het grote aantal boeken dat is geschreven over de Palestijnse vluchtelingenstroom van 1948, er slechts beperkt historisch onderzoek zijn gedaan naar de exodus van 1967.

Zie ook Joodse vluchtelingen uit de Arabische wereld

Categorie:Zesdaagse Oorlog