Thea Sternheim, geboren als Olga Maria Theresia Gustava Bauer (Neuss, 25 november 1883 – Bazel, 5 juli 1971) was een Duitse auteur, vertaler en dagboekschrijfster.

Van 1903 tot en met 1971 hield ze bijna onafgebroken een dagboek bij waarin ze schreef over haar dagelijkse leven alsmede haar briefwisselingen en vriendschappen met onder anderen Gottfried Benn, Max Ernst, Alfred Flechtheim, André Gide, Julien Green, Frans Masereel, Pablo Picasso en Jean Schlumberger. Het 30.000 pagina's tellende dagboek wordt beschouwd als een van de belangrijkste dagboeken van de twintigste eeuw vanwege zijn omvang en de langdurige periode van verslaglegging.

Ze was van 1907 tot en met 1927 getrouwd met toneelschrijver Carl Sternheim. Ze zette zich in de jaren zestig in voor het behoud van zijn nalatenschap.

Jeugd Olga Maria Theresia Gustava Bauer, roepnaam 'Thea', werd geboren in het Rijnlandse Neuss op 25 november 1883. Ze was de dochter van Georg Bauer en Agnes Schwaben. Ze groeide op in een conservatief en welgesteld katholiek gezin met twee oudere broers Richard en Theodor. Haar vader was een zeer vermogend industrieel en mede-eigenaar van . Met ruim 400 werknemers was het een van de grootste werkgevers in de opkomende industriestad. Het huishouden van het gezin Bauer werd gerund door meerdere personeelsleden, waaronder een kindermeisje, kok en een huisknecht.

Hoewel ze binnen het gezin als jongste kind en enige dochter een voorkeurspositie had bij haar vader, voelde ze zich als meisje minderwaardig ten opzichte van haar broers. Het was voor haar duidelijk dat met name haar broer Theodor het lievelingetje was van haar moeder, waardoor ze geen sterke band met haar broers opbouwde. Als kind voelde ze zich naar eigen zeggen vaak eenzaam en ervaarde ze de relatie tussen haar en haar ouders als afstandelijk. Ze herinnerde haar vader als een 'angstaanjagende, dominante en strenge autoriteit' en haar moeder als een 'vreemde, bleke schim'. links|miniatuur|Hansaring, Keulen (ca. 1890)|300x300px In 1888 verhuisde het gezin naar een herenhuis in Keulen dat was ontworpen door de jongere broer van haar vader. Het huis lag aan de Hansaring, een boulevard die in deze periode werd beschouwd als het meest prestigieuze adres van Keulen. Achter de woning lag een tuin met een fontein, een stal met koetshuis en koetsierswoning, en een gastenpaviljoen met een eigen biljartzaal.

Een keer per week bezocht ze samen met haar moeder haar grootmoeder in het nabijgelegen Deutz. Naar eigen zeggen maakte het bescheiden huis van haar grootmoeder meer indruk op haar dan haar ouderlijk huis. Ondanks de levendige sfeer met twee honden en een Russisch sprekende papegaai, ervoer ze het huis als 'vredig'.

Opleiding In 1889 werd ze ingeschreven aan de private hogere meisjesschool aan de Gereonsdriesch. Haar nicht Elisabeth Bauer startte op hetzelfde moment en de twee werden speelkameraden. Binnen de school werd een nadruk gelegd op religieus onderwijs. Hoewel haar ouders de kerk slechts sporadisch bezochten, werd ze aangemoedigd regelmatig kerkdiensten bij de wonen. Ook haar beide grootmoeders en kindermeisje hadden grote invloed op haar religieuze ontwikkeling. Haar kindermeisje spoorde haar aan een klein altaar met Mariabeeld in haar slaapkamer in te richten. Ze ontwikkelde een interesse in Bijbelse verhalen, martelaarsverhalen, hagiografieën en Griekse mythologie. Haar verzameling heiligenplaatjes vormde de basis voor haar latere passie voor kunst.

Bonn In 1896 begon ze op twaalfjarige leeftijd aan de in Bonn waar ze twee jaar in een katholiek privémeisjespensionaat verbleef. Het schoolleven was daar erg streng en liet weinig ruimte voor persoonlijke ontwikkeling. Toen ze in 1895 was gestart met de voorbereidingen op de communie, begon ze te twijfelen over het geloof. Om die reden veinsde ze ziekte op het moment dat ze haar Eerste Communie moest afleggen. Daarbij paste vroomheid ook niet goed bij haar persoonlijkheid. Ze raakte in conflict met de schoolleiding nadat ze een kritisch stuk over de kruistochten en spottende gedichten over klasgenoten schreef. Dit had als gevolg dat ze niet langer met bepaalde kinderen mocht optrekken vanwege haar 'anarchistische invloed'. Daarnaast confronteerde ze de schoolleiding met de censuur die werd toegepast op haar briefwisselingen. Om ook buiten de schooluren extra toezicht op haar te houden, werd schrijver Hans Willy Mertens ingehuurd als privéleraar. Ze volgde naast het reguliere schoolprogramma tevens muziek-, dans- en zangonderwijs. Een talent voor muziek en sport had ze niet, maar wel een grote voorliefde voor lezen en schilderen.

Nadat ze van haar tante een collectie Reclam-boekjesReclam-boekjes waren goedkope pocketuitgaven van klassieke literatuur, waaronder poëzie, toneelstukken, proza en filosofische teksten, die werden uitgegeven door Reclam Verlag. met klassieke toneelstukken kreeg, startte ze met het schrijven van korte toneelstukken en het geven van voordrachten. De toneel- en operavoorstellingen die ze in het stadstheater van Keulen zag, speelde ze na met haar poppentheater dat ze als kerstcadeau had gekregen. Samen met haar vriendinnen Isolde en Gudrun Wette, de dochters van schrijvers Hermann en Adelheid Wette, voerde ze toneelstukken op. Het artistieke huishouden van de familie Wette fascineerde haar en wakkerde haar verzet aan tegen de conservatieve, burgerlijke waarden van haar eigen familie. Ze ambieerde een carrière in het theater, iets dat voor vrouwen uit de burgerlijke kring in deze periode zeer ongewoon was. De meeste welgestelde vrouwen werkten niet, slechts het beroep van lerares was een geaccepteerde carrièremogelijkheid.

Brussel Op veertienjarige leeftijd, in 1897, stuurden haar ouders naar het internaat van een protestantse school in Brussel. Anders dan in Bonn kreeg ze een eigen slaapkamer en was ze omringd door studenten uit allerlei landen en werelddelen. De vrijere sfeer die er heerste paste beter bij haar en ze kon zich verder ontwikkelen. Ze had een voorliefde voor literatuur en geschiedenis, en leerde zeer snel te schrijven in het Frans. Buiten de schooluren reed ze paard, volgde ze pianolessen en las ze werken van Heinrich Heine, Émile Verhaeren en Maurice Maeterlinck. Daarnaast ontwikkelde ze een interesse in kunst van de Vlaamse school.

Tijdens de zomervakantie van 1899 keerde ze terug naar Keulen waar ze de tien jaar oudere toekomstige advocaat Arthur Löwenstein ontmoette. Hij fascineerde haar door zijn knappe uiterlijk, zijn talent om viool te spelen en zijn interesse in filosofie en muziek. Tegen het einde van de zomervakantie was ze, op vijftienjarige leeftijd, stiekem met Löwenstein verloofd. Na haar terugkeer naar het internaat schreef ze in het geheim brieven met hem. Toen haar vader dit ontdekte, verbood hij haar contact met hem te hebben. Löwenstein vroeg tijdens een bezoek met de kerst toestemming aan haar vader om met haar te trouwen, maar haar vader wees dit verzoek af, mede door de Joodse afkomst van Löwenstein.

Ze wilde graag naar de universiteit, maar toegang tot het hoger onderwijs was in deze periode voor vrouwen uitzonderlijk. Toen ze haar vader in 1899 vroeg eindexamen te mogen doen, keurde hij haar keuze af. Uit wrok jegens haar vader nam ze opnieuw contact op met Löwenstein en beloofde hem trouw te zijn. Opnieuw werd ze door haar vader betrapt, waarna hij Löwenstein in een brief betichtte uit te zijn op het vermogen van zijn dochter. Deze beschuldiging trof haar diep.

In de winter van 1900 zat haar tijd op het Brusselse internaat erop en keerde ze terug naar Keulen. De sfeer in het ouderlijk huis was gespannen en bereikte een dieptepunt tijdens Driekoningen in 1901. Ze wist haar kamermeisje, dat haar naar de kerk zou begeleiden, over te halen een ontmoeting met Löwenstein toe te staan. Na terugkeer naar huis raakte ze in een fysiek conflict met haar ouders, waarna ze uit wanhoop uit het raam probeerde te springen. Het voorval zorgde ervoor dat de relatie tussen haar en haar ouders verder verslechterde.

Huwelijken In de zomer van 1901 vertrok ze samen met een kennis van haar ouders naar Nederland. Daar begon ze opnieuw met Löwenstein te schrijven en ontmoetingen met hem te regelen, waarna plannen ontstonden om stiekem in Engeland te trouwen nadat hij zijn examen had gehaald. Op 10 november 1901 trouwde het paar in Londen. Daarna keerde het stel terug naar Keulen. Al snel merkte ze dat Löwenstein haar trachtte weg te houden bij haar vrienden en familie, waarna ze in opstand kwam tegen hem. Ze vluchtte weg in boeken uit de Russische literatuur van onder meer Tolstoj, Dostojevski en Gogol, die ze haar leven lang bleef koesteren.

Ze deed een poging zich te verzoenen met haar ouders door haar vader een brief te schrijven. Hij antwoordde haar dat hij haar vergaf, maar niet kon vergeten wat er was voorgevallen. Door haar ouders te beloven in de kerk opnieuw te trouwen en hun kinderen katholiek op te voeden, vonden ze opnieuw enige toenadering tot elkaar. In 1902 verhuisde het stel naar een nieuwbouwwoning in Oberkassel, nabij Düsseldorf. Het appartement was echter zeer vochtig, waardoor er constant drie kachels moesten branden. Daarnaast had ze, in tegenstelling tot in haar jeugd, slechts één dienstmeisje en moest ze zelf koken.

Ontmoetingen Op 3 december 1902 werd hun eerste dochter Agnes (Nucki) Löwenstein geboren, maar het echtpaar groeide steeds verder uit elkaar. Löwenstein leek vooral geïnteresseerd in zijn vioolspel, terwijl het moederschap op haar schouders terechtkwam. Datzelfde jaar leerde ze toneelschrijver Carl Sternheim kennen. Hij was op dat moment getrouwd met een oud-klasgenoot die ze kende uit het meisjespensionaat in Bonn. Met name zijn toneelstuk Judas Ischarioth (1901) maakte diepe indruk op haar, waarna ze een briefwisseling met hem begon. In deze periode kwam ze tevens in contact met de kring rond Sternheim, die bestond uit onder meer auteurs en kunstenaars, met wie ze gesprekken over literatuur en kunst voerde. Ze ontmoette onder anderen kunsthandelaar en galeriehouder Alfred Flechtheim, met wie ze haar liefde voor moderne kunst deelde. In 1903 startte ze met het bijhouden van een dagboek en datzelfde jaar publiceerde ze haar verhaal Anna onder zijn naam.Het verhaal Anna werd samen met de verhalen en Meta gepubliceerd in een bundel getiteld . Dat Thea Sternheim de werkelijke auteur was van het verhaal, werd pas in 1920 bekend. In 1904 had ze enkele geheime ontmoetingen met hem, waarbij ze zwanger van hem raakte. Op 10 januari 1905 werd hun dochter Dorothea (Mopsa) geboren, die doordat ze nog getrouwd was met Löwenstein diens achternaam kreeg.miniatuur|Villa Bellemaison in Höllriegelskreuth miniatuur|Thea Sternheim bezat onder meer het werk L'Arlésienne van Van Gogh dat ze in 1908 aankocht en in 1915 verkocht. De relatie met Sternheim zorgde echter voor verdere frictie in haar huwelijk. In december van 1906 verliet ze Löwenstein om met Sternheim te gaan samenwonen. Naar eigen zeggen las ze op de avond dat ze Löwenstein verliet het boek Madame Bovary. Het verhaal, over een vrouw die worstelt met haar rol als echtgenote en moeder, gaf haar inzicht in haar eigen situatie. Nadat ze in april 1907 officieel van hem was gescheiden, kreeg hij de voogdij over de kinderen. In juli van dat jaar hertrouwde ze met Sternheim.