Het sultanaat Sennar (naar de hoofdstad Sennar), ook bekend als Funjistan, sultanaat van de Funj of Blauw sultanaat (vanwege de traditionele Soedanese conventie om zwarte mensen blauw te noemen) (Arabisch), was een monarchie in het huidige Soedan, noordwestelijk Eritrea en westelijk Ethiopië. Het sultanaat werd in 1504 gesticht door de Funj en bekeerde zich al snel tot de islam. Aanvankelijk was deze bekering slechts in naam. Totdat in de 18e eeuw een meer orthodoxe vorm van de islam voet aan de grond kreeg, bleef de staat een "Afrikaans rijk met een islamitische façade". Het bereikte zijn hoogtepunt aan het einde van de 17e eeuw, maar raakte in verval en viel uiteindelijk uiteen in de 18e en 19e eeuw. In 1821 gaf de laatste sultan, wiens macht sterk was afgenomen, zich zonder slag of stoot over aan de invasie door Ottomaans Egypte.

Geschiedenis

Oorsprong Het christelijke Nubië, vertegenwoordigd door de twee middeleeuwse koninkrijken Makuria en Alodia, begon vanaf de 12e eeuw in verval te raken. In 1365 was Makuria vrijwel ingestort en gereduceerd tot een reststaat die beperkt was tot Neder-Nubië, totdat het uiteindelijk rond 150 jaar later verdween. Het lot van Alodia is minder duidelijk. Er is gesuggereerd dat de staat al in de 12e eeuw of kort daarna is ingestort, aangezien archeologen suggereren dat Soba in deze periode niet langer als hoofdstad werd gebruikt. In de 13e eeuw leek Centraal-Soedan uiteen te vallen in verschillende kleine staten. Tussen de 14e en 15e eeuw werd Soedan overspoeld door bedoeïenenstammen. In de 15e eeuw zou een van deze bedoeïenen, die in de Soedanese traditie Abdallah Jammah wordt genoemd, een stammenfederatie hebben opgericht en vervolgens de restanten van Alodia hebben verwoest. Begin 16e eeuw werd de federatie van Abdallah aangevallen door indringers uit het zuiden, de Funj.

De etnische achtergrond van de Funj is nog steeds omstreden. De eerste en tweede van de drie meest prominente theorieën suggereren dat het óf Nubiërs óf Shilluk waren, terwijl de Funj volgens de derde theorie geen etnische groep waren, maar een sociale klasse. 

In de 14e eeuw was een moslim Funj-handelaar genaamd al-Hajj Faraj al-Funi betrokken bij de handel in de Rode Zee. Volgens mondelinge overleveringen kwamen de Dinka, die sinds de desintegratie van Alodia in de 13e eeuw stroomopwaarts langs de Witte en Blauwe Nijl migreerden, in conflict met de Funj, die door de Dinka werden verslagen. Eind 15e/begin 16e eeuw arriveerden de Shilluk bij de samenvloeiing van de Sobat en de Witte Nijl, waar ze een sedentair volk tegenkwamen dat volgens de Shilluk-tradities Apfuny, Obwongo en/of Dongo wordt genoemd. Dit volk wordt nu gelijkgesteld met de Funj. Er wordt gezegd dat ze verfijnder waren dan de Shilluk, en ze werden verslagen in een reeks wrede oorlogen en werden vervolgens geassimileerd of naar het noorden verdreven. Anti-Funj-propaganda uit de latere periode van het koninkrijk verwees naar de Funj als "heidenen van de Witte Nijl" en "barbaren" die afkomstig waren uit de "primitieve zuidelijke moerassen".

In 1504 versloegen de Funj Abdallah Jammah en stichtten het sultanaat van Funj.

Ottomaanse dreiging en opstand van Ajib links|miniatuur|309x309px|Jonge vrouw uit Sennar In 1523 werd het koninkrijk bezocht door de Joodse reiziger David Reubeni, die zich vermomde als een sjarief. Sultan Amara Dunqas, zo schreef Reubeni, reisde voortdurend door zijn koninkrijk. De sultan, die "over zwarte en blanke mensen heerste" tussen de regio ten zuiden van de samenvloeiing van de Nijl tot aan Dongola in het noorden, bezat grote kuddes van verschillende soorten vee en gaf bevel over een groor aantal kapiteins te paard. Twee jaar later vermeldde de Ottomaanse admiraal Selman Reis Amara Dunqas en zijn koninkrijk, en noemde het zwak en gemakkelijk te veroveren. Hij verklaarde ook dat Amara een jaarlijkse schatting van 9.000 kamelen aan het Ethiopische Rijk betaalde. Een jaar later bezetten de Ottomanen Sawakin, dat daarvoor geassocieerd was met Sennar. Het lijkt erop dat de Funj een bondgenootschap met Ethiopië sloten om de Ottomaanse expansie in de Rode Zeeregio tegen te gaan. Naast kamelen is bekend dat de Funj ook paarden naar Ethiopië exporteerden, die vervolgens werden gebruikt in de oorlog tegen het sultanaat Adal. De grenzen van Funj werden tijdens de oorlog overvallen door Ahmed Gurey, die veel slaven meenam voordat hij stopte bij het Takagebergte, in de buurt van het huidige Kassala.

Voordat de Ottomanen in 1555 voet aan de grond kregen in Ethiopië, werd Özdemir Pasha benoemd tot beylerbey van het (nog te veroveren) eyalet Habesh. Hij probeerde stroomopwaarts langs de Nijl op te rukken om de Funj te veroveren, maar zijn troepen kwamen in opstand toen ze de eerste cataract van de Nijl naderden. Tot 1570 hadden de Ottomanen zich echter gevestigd in Qasr Ibrim in Neder-Nubië, waarschijnlijk een preventieve zet om Opper-Egypte te beveiligen tegen de agressie van de Funj. Veertien jaar later waren ze zo ver naar het zuiden doorgedrongen als de derde cataract van de Nijl en probeerden vervolgens Dongola te veroveren, maar in 1585 werden ze verpletterd door de Funj in de slag bij Hannik. Daarna zou het slagveld, dat zich net ten zuiden van de derde Nijlcataract bevond, de grens tussen de twee koninkrijken markeren. Eind 16e eeuw drongen de Funj op richting de eyalet Habesh en veroverden het noordwesten van Eritrea. Toen de Ottomanen er niet in slaagden om vooruitgang te boeken tegen zowel het sultanaat van de Funj als Ethiopië, lieten ze hun expansiepolitiek varen. Vanaf de jaren 1590 verdween de Ottomaanse dreiging, waardoor de alliantie tussen de Funj en Ethiopië overbodig werd en de betrekkingen tussen de twee staten op het punt stonden te veranderen in openlijke vijandigheid. Nog in 1597 werden de betrekkingen echter als vriendschappelijk beschreven, met een bloeiende handel.

Ondertussen kwam onder het bewind van sultan Dakin (1568-1585) Ajib aan de macht, een kleine koning van Noord-Nubië. Toen Dakin terugkeerde van een mislukte campagne in de grensgebieden tussen Ethiopië en Soedan, had Ajib genoeg macht verworven om grotere politieke autonomie te eisen en te krijgen. Een paar jaar later dwong hij sultan Tayyib om met zijn dochter te trouwen, waardoor Tayyib en zijn zoon en opvolger, Unsa, feitelijk zijn vazallen werden. Unsa werd uiteindelijk in 1603/1604 afgezet door Abd al-Qadir II, wat Ajib ertoe aanzette het hart van Funj binnen te vallen. Zijn legers dreven de Funj-heerser naar het zuidoosten. Ajib regeerde dus feitelijk over een rijk dat zich uitstrekte van Dongola tot Ethiopië. Abd el-Qadir II, uiteindelijk afgezet in december 1606, vluchtte naar Ethiopië en onderwierp zich aan keizer Susenyos, waardoor deze de kans kreeg om in te grijpen in de zaken van het sultanaat. De nieuwe sultan van Funj, Adlan I, slaagde er echter in het tij van de oorlog tegen Ajib te keren, en hem uiteindelijk in 1611 of 1612 te doden. Terwijl hij de restanten van Ajibs leger naar het noorden achtervolgde, werd Adlan II zelf afgezet en opgevolgd door een zoon van de voormalige sultan Abd al-Qadir II, Badi I. Hij vaardigde een vredesverdrag uit met de zonen van Ajib, waarin hij ermee instemde de staat Funj feitelijk te splitsen. De opvolgers van Ajib, de Abdallabi, zouden alles ten noorden van de samenvloeiing van de Blauwe en de Witte Nijl krijgen, waarover zij zouden heersen als vazalkoningen van Sennar. Daarom verloren de Funj de directe controle over een groot deel van hun koninkrijk.

In 1618-1619 hielp bahr negash Gebre Mariam, heerser van de Medri Bahri, keizer Susenyos in een militaire campagne tegen het sultanaat. Susenyos stuurde bahr Gebre om Mandara aan te vallen, wiens koningin, Fatima, een strategische karavaanweg vanuit Sawakin controleerde. De bahr negash slaagde erin koningin Fatima gevangen te nemen, die hij terugstuurde naar het paleis van keizer Susenyos in Danqaz (Gorgora), waarna zij zich opnieuw aan het Ethiopische rijk onderwierp.

17e-eeuwse bloei miniatuur|Eigentijdse, zij het romantiserende, voorstelling van sultan Badi III die Theodor Krump ontvangt. Meer dan honderrd jaar later zou een ooggetuige Badi VII, de laatste Funj-sultan, beschrijven als iemand die een gewaad en een tuniek en een gehoornde muts van rijke Indiase stof droeg. Hij reed op een paard met een tuig versierd met goud en zilver en een pluim gemaakt van struisvogelveren. De onderwerping van Abd al-Qadir II aan de Ethiopische keizer en de mogelijkheid van een daaropvolgende invasie bleven een probleem voor de Funj-sultans. Adlan I was blijkbaar te zwak om iets aan deze situatie te doen, maar Badi I was in staat om de zaken in eigen hand te nemen. Een rijk geschenk van Susenyos, dat hij wellicht stuurde in de overtuiging dat de opvolgers van Abd al-Qadir II de onderwerping van laatstgenoemde zouden eren, werd ruw beantwoord met twee kreupele paarden en eerste invallen op Ethiopische posten. Susenyos, die elders verbleef, reageerde pas in 1617 op deze agressieve daad toen hij verschillende provincies van Funj plunderde. Deze wederzijdse plunderingen escaleerden uiteindelijk in een volwaardige oorlog in 1618 en 1619, wat resulteerde in de verwoesting van veel van de oostelijke provincies van de Funj. Er vond ook een veldslag plaats, die volgens Ethiopische bronnen een overwinning was. Dit wordt echter betwijfeld omdat de Ethiopische troepen zich direct daarna terugtrokken. Na de oorlog leefden de twee landen meer dan een eeuw lang in vrede.

De Funj-sultan die tijdens de oorlog regeerde, Rabat I, was de eerste in een reeks van drie monarchen onder wie het sultanaat een periode van welvaart, expansie en toegenomen contacten met de buitenwereld inging, maar ook met verschillende nieuwe problemen werd geconfronteerd.

In de 17e eeuw werden de Shilluk en Sennar gedwongen een ongemakkelijke alliantie aan te gaan om de groeiende macht van de Dinka te bestrijden. Nadat de alliantie haar zaak had beslecht, bezette sultan Badi II in 1650 de noordelijke helft van het koninkrijk van de Shilluk. Onder zijn bewind versloegen de Funj het koninkrijk Taqali in het westen en maakten de heerser ervan tot zijn vazal. 

Neergang links|miniatuur|Soedanese vrouw in een Ottomaanse miniatuur uit de late 18e eeuw Sennar bereikte zijn hoogtepunt aan het einde van de 17e eeuw, maar in de 18e eeuw begon de macht van de monarchie af te nemen. De grootste uitdaging voor het gezag van de sultan waren de door handelaren gefinancierde oelama die volhielden dat het hun rechtmatige plicht was om recht te spreken. 

Rond 1718 werd de vorige dynastie, de Unsab, door een staatsgreep omvergeworpen en vervangen door Nul. Hoewel hij familie was van de vorige sultan, stichtte hij feitelijk zijn eigen dynastie.

In 1741 en 1743 voerde de jonge Ethiopische keizer Iyasu II invallen in westelijke richting uit, in een poging om snel militaire roem te verwerven. In maart 1744 verzamelde hij een leger van 30.000 tot 100.000 man voor een nieuwe expeditie, die aanvankelijk bedoeld was als een zoveelste rooftocht, maar al snel veranderde in een veroveringsoorlog. Aan de oevers van de Dinder vochten de twee staten een hevige strijd uit, die in het voordeel van Sennar uitviel. James Bruce merkte op dat Iyasu II zijn weg terug naar Ethiopië plunderde, waardoor hij zijn campagne als een succes kon presenteren. Ondertussen maakte Badi IV's afweer tegen de Ethiopische invasie hem tot een nationale held. De vijandelijkheden tussen de twee staten duurden voort tot het einde van de regering van Iyasu II in 1755. De spanningen die door deze oorlog werden veroorzaakt, werden in 1773 nog steeds waargenomen. De handel werd al snel na het conflict hervat, zij het op beperkte schaal. miniatuur|Ten tijde van de Egyptische invasie in 1821 lag het paleis van Sennar al in puin