100px|right Binoculair zien is het zien van een enkel beeld met twee ogen. Er worden twee vormen onderscheiden, richtingzien en dieptezien. Daarnaast kunnen beide ogen elkaars gezichtsvermogen via binoculaire interactie positief of negatief beïnvloeden.
In de medische wetenschap is binoculair zien de aandoeningen en tests en oefeningen om binoculair zien te verbeteren.
In de biologie is binoculair zien het feit dat binoculair zien ook veel bij dieren voorkomt, maar afhankelijk van het fysiek van het dier en de leefomgeving enorm kan verschillen. Als dieren twee ogen hebben die niet op op enigerlei wijze samenwerken, dan is er sprake van (dubbel) monoculair zien.
In de maatschappij is binoculair zien toepassingen voor het zien van stereoscopische beelden en hulpmiddelen voor binoculair zien.
Richtingzien
Bij richtingzien worden de beelden van beide ogen in de waarneming gecombineerd tot één beeld en worden de richtingen waarin elk oog de objecten ziet, omgezet in praktisch bruikbare informatie.
De richting waarin het linker- en rechteroog een object zien, kan op drie verschillende manieren worden gecombineerd. Dit leidt tot het zien van een enkelbeeld, dubbelbeeld of een gefuseerd beeld. Deze waarneming is gekoppeld aan een bepaalde kwaliteit van dieptewaarneming: fijne stereopsis of grove stereopsis.
Dieptezien
Bij binoculair dieptezien gebruiken de hersenen het verschil in perspectief tussen de twee ogen om vormen en objecten te herkennen, om door camouflage heen te kijken en om informatie te verzamelen over ruimtelijke relaties.
Binoculaire interactie Er is sprake van binoculaire interactie als er een wisselwerking is tussen beide ogen waardoor het gezichtsvermogen met twee ogen anders is dan met een oog alleen. Het gezichtsvermogen kan beter zijn (binoculaire sommatie) of slechter (binoculaire inhibitie).
Binoculaire sommatie Bij binoculaire sommatie versterken de signalen van beide ogen elkaar zodat de gezichtsscherpte, contrastgevoeligheid, flikkergevoeligheid en helderheidsgevoeligheid verbeteren.Foundations of binocular vision: a clinical perspective door Scott B. Steinman, Barbara A. Steinman, Ralph Philip Garzia 2000 pagina's 153-160 Maximale binoculaire sommatie treedt op wanneer de gevoeligheden van elk oog afzonderlijk gelijk zijn. Verschillen in gevoeligheid verminderen het effect van binoculaire sommatie. Het effect van binoculaire sommatie neemt af met de leeftijd."Functional Burden of StrabismusDecreased Binocular Summation and Binocular Inhibition" door Pineles SL, Velez FG, Isenberg SJ, Fenoglio Z, Birch E, Nusinowitz S en Demer JL. JAMA Ophthalmol. 2013;131(11):1413-1419
Binoculaire inhibitie Bij binoculaire inhibitie is het zicht met twee ogen slechter dan met een oog. Dit kan gebeuren bij scheelzien of een lui oog, omdat het zwakkere oog het sterkere verstoort. Oogdominantie is een vorm van binoculaire inhibitie.
Oogdominantie
Oogdominantie is het onderdrukken van het beeld in de hersenen dat door een oog ontstaat door het beeld van het andere oog.
Perceptiesystemen Informatieverwerking voor richtingwaarneming en dieptewaarneming vindt plaats in twee systemen. Het ene systeem is gespecialiseerd in kleur en fijne details en houdt zich bezig met het ontdekken van vormen en objecten in een relatief statische omgeving. Het andere systeem is gespecialiseerd in het ontdekken van ruimtelijke relaties in een veranderende omgeving. Het eerste systeem draagt bij aan de waarneming van samengevoegde beelden met fijne diepte-informatie. Het tweede systeem draagt bij aan de waarneming van dubbele beelden die snel in plaats (diepte) kunnen veranderen en waarbij de grove locatie de belangrijkste informatie is.
Aandoeningen en tests Ongeveer tachtig procent van de mensen kan diepte zien, maar niet altijd even goed. Er zijn verschillende tests om te bepalen hoe goed iemand diepte kan zien en er zijn oefeningen om de dieptewaarneming te verbeteren. Als één oog niet goed functioneert of zelfs blind is, kan dit volledige stereoblindheid veroorzaken. Er zijn ook andere oogaandoeningen die het binoculaire zicht beïnvloeden. Soms werken de oogspieren bijvoorbeeld niet goed, waardoor de beelden van beide ogen niet goed op elkaar aansluiten. Of één oog is dominant, waardoor de signalen van het andere oog niet in het binoculaire beeld doorkomen, of waardoor de richting waarin een object wordt gezien verandert. Als oogdominantie tijdig wordt opgemerkt, kan worden geprobeerd deze te verminderen door middel van oefening, bijvoorbeeld door het dominante oog tijdelijk af te tapen.
Vóórkomen Afwijkingen van het binoculaire zicht behoren tot de meest voorkomende visuele stoornissen. Ze gaan meestal gepaard met symptomen zoals hoofdpijn, asthenopie, oogpijn, wazig zien en af en toe dubbelzien. Ongeveer 20% van de patiënten die naar een optometriekliniek komen, heeft binoculaire zichtafwijkingen. Omdat het gebruik van digitale hulpmiddelen steeds gebruikelijker wordt, gebruiken veel kinderen digitale hulpmiddelen gedurende een aanzienlijke periode. Dit kan leiden tot verschillende binoculaire zichtafwijkingen zoals verminderde accommodatieamplitudes, accommodatievermogen en positieve fusionele convergentie, zowel dichtbij als veraf. De meest effectieve manier om afwijkingen in het gezichtsvermogen te diagnosticeren is met de nabije convergentietest. Tijdens de NPC-test wordt een doel, bijvoorbeeld een vinger, naar het gezicht gebracht totdat de onderzoeker opmerkt dat één oog naar buiten is gedraaid en/of de persoon diplopie of dubbelzien heeft ervaren. Binoculaire afwijkingen kunnen tot op zekere hoogte worden gecompenseerd door aanpassingen van het visuele systeem. Als de afwijkingen van het binoculair zicht echter te groot zijn (bijvoorbeeld als het visuele systeem zich zou moeten aanpassen aan te grote horizontale, verticale, torsie- of grootte- (aniseikonische) afwijkingen) hebben de ogen de neiging om binoculair zicht te vermijden, wat uiteindelijk scheelzien veroorzaakt of verergert.
Lui oog
Een lui oog of amblyopie is een neurovisuele ontwikkelingsstoornis. De aandoening wordt gekenmerkt door een onderontwikkeling van verschillende visuele kenmerken en vaardigheden zoals gezichtsscherpte, oogbewegingen, oogsamenwerking en binoculair dieptezien.
Dubbelzien Dubbelzien of diplopie is wanneer een persoon zijn omgeving twee keer ziet. De twee beelden kunnen zowel boven als naast elkaar staan en in de diagonaal.
Scheelzien
Scheelzien, loensen, of strabisme is een oogafwijking waarbij de ogen niet in dezelfde richting kijken.
Het is bekend dat volledig binoculair zicht, inclusief stereopsis, van invloed is op het herstel na een operatie om de ogen recht te zetten. Veel mensen met een gebrek aan stereopsis hebben (of hadden) last van scheelzien. Dit kan het zelfvertrouwen negatief beïnvloeden, omdat het normaal oogcontact verstoort, wat vaak leidt tot schaamte, woede en ongemakkelijke gevoelens.Strabismus, van All About Vision, Access Media Group LLC
Aniseikonia Aniseikonia is een oogaandoening waarbij er een significant verschil is in de grootte van de netvliesbeelden van beide ogen, veroorzaakt door verschillen in refractie tussen de ogen.
Stereoblindheid Stereoblindheid is het onvermogen om binocuaire diepte (3D) waar te nemen. Oorzaken zijn onder andere blindheid aan één oog, dubbelzien en scheelzien.
Visietherapie Visie therapie is een omstreden behandeling om stereopsis te verbeteren.<referentie>
Overige aandoeningen Om stereopsis en enkelzien te behouden, moeten de ogen nauwkeurig gericht zijn. De positie van elk oog wordt aangestuurd door zes oogspieren. Kleine verschillen in de lengte, aanhechtingspositie of kracht van dezelfde spieren in beide ogen kunnen ertoe leiden dat één oog de neiging heeft om naar een andere positie in de oogkas te drijven dan het andere, vooral wanneer men vermoeid is. Dit staat bekend als forie. Een manier om dit te ontdekken is met de cover-uncover test. Om deze test uit te voeren, kijkt u naar de ogen van een meewerkende persoon. Bedek één oog van die persoon met een kaartje. Laat de persoon naar uw vingertop kijken. Beweeg de vinger rond; dit is om de reflex te doorbreken die normaal gesproken een bedekt oog in de juiste vergentiepositie houdt. Houd uw vinger stil en onthul vervolgens het oog van de persoon. Kijk naar het onbedekte oog. U kunt het snel zien bewegen van scheelzien naar de juiste positie. Als het onbedekte oog van buiten naar binnen bewoog, heeft de persoon esoforie. Als het van binnen naar buiten bewoog, heeft de persoon exoforie. Als het oog helemaal niet bewoog, heeft de persoon orthoforie. De meeste mensen hebben een zekere mate van exoforie of esoforie; dit is heel normaal. Als het onbedekte oog ook verticaal bewoog, heeft de persoon hyperforie (als het oog van beneden naar boven bewoog) of hypoforie (als het oog van boven naar beneden bewoog). Dergelijke verticale forieën zijn vrij zeldzaam. Het is ook mogelijk dat het bedekte oog in zijn oogkas draait; een dergelijke aandoening staat bekend als cycloforie. Ze zijn zeldzamer dan verticale forieën. De covertest kan ook worden gebruikt om de richting van de afwijking bij cycloforieën te bepalen.
De cover-uncovertest kan ook worden gebruikt voor meer problematische aandoeningen van het binoculair zicht, de tropia. Bij het covergedeelte van de test kijkt de onderzoeker naar het eerste oog terwijl hij of zij het tweede oog afdekt. Als het oog van binnen naar buiten beweegt, heeft de persoon exotropie. Als het van buiten naar binnen beweegt, heeft de persoon esotropie. Mensen met exotropie of esotropie hebben respectievelijk scheelzien. Dit zijn vormen van strabisme die gepaard kunnen gaan met amblyopie. Er bestaan talloze definities van amblyopie. Een definitie die al deze definities omvat, definieert amblyopie als een unilaterale aandoening waarbij het zicht slechter is dan 20/20 zonder duidelijke structurele of pathologische afwijkingen, maar waarbij een of meer van de volgende aandoeningen vóór de leeftijd van zes jaar optreden: amblyogene anisometropie, constante unilaterale esotropie of exotropie, amblyogene bilaterale isometropie, amblyogene unilaterale of bilaterale Astigmatisme (aandoening), beelddegradatie. Wanneer het bedekte oog het niet-amblyope oog is, wordt het amblyope oog plotseling het enige middel waarmee de persoon kan zien. Het scheelzien wordt zichtbaar door de beweging van dat oog om te fixeren op de vinger van de onderzoeker. Er bestaan ook verticale tropieën (hypertropie en hypotrofie) en cyclotropie. Afwijkingen van het binoculaire zicht omvatten: diplopie (dubbelzien), visuele verwarring (de waarneming van twee verschillende beelden die over dezelfde ruimte worden gelegd), onderdrukking (waarbij de hersenen het gezichtsveld van één oog geheel of gedeeltelijk negeren), horrorfusie (een actieve vermijding van fusie door een verkeerde ooguitlijning) en anomale retinale correspondentie (waarbij de hersenen de fovea van één oog associëren met een extrafoveaal gebied van het andere oog).
Testen voor stereopsis Bij stereopsistesten (afgekort: stereotesten), worden stereogrammen gebruikt om de aanwezigheid en de scherpte van binoculair dieptezien (stereopsis) te meten.
Er zijn twee soorten klinische testen: random dot stereotesten en contourstereotesten. Random-dot stereotesten gebruiken afbeeldingen van stereofiguren die zijn ingebed in een achtergrond van willekeurige stippen. Contourstereotesten gebruiken afbeeldingen waarin de aan elk oog gepresenteerde doelen horizontaal gescheiden zijn.Stereoacuity testing, ONE Network, American Academy of Phthalmology (gedownload op 2 september 2014)
Random-dot stereotesten