Het pand Henric van Veldekeplein 29-31, soms aangeduid als 'paleis van de hoogproost', is een voormalig kanunnikenhuis in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht, gelegen aan het Henric van Veldekeplein in de centrumbuurt Binnenstad. Het statige herenhuis of hôtel particulier wordt in 21e-eeuwse literatuur wel de stadsresidentie van de proosten van Sint-Servaas genoemd, maar daarvoor bestaat geen bewijs. Het was een van de kanunnikenhuizen die deel uitmaakten van de claustrale singel of immuniteit rond de Sint-Servaaskerk. Deze huizen waren particulier eigendom van kanunniken en vielen onder het juridisch gezag van de Kamerhof, een van de rechtbanken van het kapittel van Sint-Servaas. Ook na de opheffing van het kapittel is het huis altijd in particuliere handen geweest als (vaak verhuurd) woonhuis, atelier of kantoor.

Het herenhuis heeft een U-vormige plattegrond en is gebouwd in Lodewijk XV-stijl. Het dateert vermoedelijk uit het tweede kwart van de achttiende eeuw. Sinds 1966 is het een rijksmonument..

Historiografie, naamgeving De kunsthistoricus jhr. Eugène Octave Marie van Nispen tot Sevenaer was in de eerste helft van de twintigste eeuw waarschijnlijk de eerste die zich serieus met het pand heeft beziggehouden, maar beperkte zich in deel V van De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst tot een bouwhistorische beschrijving. Over de bewoningsgeschiedenis vermeldde hij niets, ook niet dat dit de stadswoning van de proost zou zijn geweest. Van Nispen duidde het pand neutraal aan als 'St. Servaasklooster (Henric van Veldekenplein) 29'. Het lemma werd geïllustreerd met twee huisplattegronden (plaat XXV en XXVI) en een foto van het huis door G. de Hoog uit 1915 (foto rechtsboven).Van Nispen tot Sevenaer (1926-1953), pp. 623-625.

Bij gebrek aan een naam kreeg het gebouw begin 21e eeuw de betiteling 'paleis van de hoogproost' toebedeeld, een benaming waarvoor geen precedent bestaat. In Maastricht wordt geen enkel adellijk huis of kanunnikenhuis aangeduid als 'paleis'. Adellijke huizen en stadsresidenties van kloosters en abdijen uit de omgeving werden vanouds aangeduid als 'poort' (poorthuis of Latijn: mansio), 'refugie' (refugiehuis of refugio) of 'hof'. Voorbeelden zijn: Poort van Beusdael, Poort van Eijnenberg, Refugie van Herckenrode, Refugie van Hocht, Hof van Slijpe en Hof van Tilly.Ubachs/Evers (2005), p. 230: 'hof'; p. 417: 'poort'; p. 436: 'refugie'. Vanaf de achttiende eeuw sprak men in toenemende mate van 'huis': Huis Soiron, Huis Rouffaer, Generaalshuis, enz.

De kanunnikenhuizen op de immuniteit van het kapittel van Sint-Servaas worden in de historische bronnen aangeduid als ‘poort’. In totaal waren dat 18⅔ panden, te beginnen bij het zogenoemde Spaans Gouvernement aan het Vrijthof, daarna westwaarts oplopend langs de zuidzijde van Vrijthof en Henric van Veledekeplein, en vervolgens in noordelijke richting langs het tegenwoordige Sint Servaasklooster tot aan de Tweebergenpoort.Vriendelijke mededeling van mr.dr. Th.J. van Rensch (Maastricht). In de rij van kanunnikenwoningen lag de Proosdij van Sint-Servaas tegenover de westbouw van de Sint-Servaaskerk (en met die kerk verbonden door de zogenaamde 'westwerkbogen'). Dit was de ambtswoning van de proost van het kapittel wanneer hij in Maastricht verbleef en verder het administratief centrum van waaruit de eigendommen en leengoederen van de proosdij werden beheerd. Formeel viel de Proosdij niet onder de Kamerhof, maar alle immuniteitsrechten waren er wel op van toepassing.

Met betrekking tot de huidige benaming 'Paleis van de Hoogproost' kan nog opgemerkt worden dat de titel 'hoogproost' pas vanaf de zeventiende eeuw in zwang raakte, maar niet consequent werd gebruikt.Doppler (1936), pp. 7-8.Ubachs/Evers (2005), p. 234: 'hoogproost'. Waarschijnlijk is die benaming overgewaaid uit Luik, waar de proosten van de Sint-Lambertuskathedraal zich grand-prévôts noemden, ter onderscheiding van de proosten van de zes andere, kleinere kapittels in die stad. In Maastricht waren slechts twee kapittels. De onderlinge jaloezie was echter groot. Vandaar dat de behoefte bestond bij het grootste en rijkste kapittel, dat van Sint-Servaas, aan een onderscheidende titel.

Geschiedenis Kanunnikenhuis Het terrein waarop het huis Henric van Veldekeplein 29-31 is gebouwd, lag vanouds binnen de claustrale singel (of immuniteit) van het Sint-Servaaskapittel. Hier bouwden de kanunniken vanaf de twaalfde of dertiende eeuw, toen ze het gemeenschappelijk kloosterleven opgaven, hun kanunnikenhuizen. Zij en hun personeel genoten er immuniteit ten opzichte van de stedelijke rechtspraak en belastingen, maar waren wel onderworpen aan de rechtsmacht van het kapittel en van de Kamerhof.

thumb|Detail stadsplattegrond Larcher d'Aubencourt, 1749. 1 Sint-Servaaskerk; 2 Proosdij; 3 Sint-Janskerk. Wit met rode bebouwing: perceel met U-vormig kanunnikenhuis en koetshuis Men mag aannemen dat op deze prominente plaats binnen de claustrale singel, direct tegenover het Bergportaal van de Sint-Servaaskerk, altijd een kanunnikenhuis heeft gestaan. Dat lijkt te worden bevestigd door de oudste plattegrond van Maastricht, een schets door kapelaan Simon de Bellomonte uit 1587. Bellomonte, zelf werkzaam bij het kapittel, tekende aan het Sint Servaasklooster – ook het gedeelte dat nu Henric van Veldekeplein heet – een doorlopende rij solitiare poorten, ter aanduiding van de daar gelegen poorthuizen, in casu kanunnikenhuizen.Zie afbeelding op Wikimedia Commons. De aanwezigheid van oudere bebouwing valt ook af te leiden uit de plattegrond van de kelderverdieping (zie plattegrond hieronder), waarop een tweede, dieper gelegen kelder is te zien, die een geheel andere oriëntatie kent en vermoedelijk een restant van een ouder huis is. Op de achttiende-eeuwse Franse maquette van Maastricht en de daaraan ten grondslag liggende, zeer gedetailleerde stadsplattegrond van militair ingenieur Larcher d'Aubencourt (zie afbeelding hiernaast) is te zien dat het huis in 1749 al zijn huidige U-vorm bezat.

In de loop van de achttiende eeuw werden veel kapittelhuizen vernieuwd, veelal in de stijl van de Luiks-Akense barok. Enkele kregen het aanzien van stadspaleisjes, hôtels particuliers. Het statige pand Henric van Veldekeplein 29-31 is gebouwd in klassieke U-vorm rondom een afgesloten cour. Gezien de Lodewijk XV-bouwstijl betreft het een achttiende-eeuws huis. Architect noch opdrachtgever zijn met zekerheid bekend. Mogelijke opdrachtgevers zijn Johannes Henricus en Godefridus Cruts, in 1754 genoemd als kanunniken van Sint-Servaas. Qua bouwstijl zijn overeenkomsten vastgesteld met het werk van de Akense bouwmeester Johann Joseph Couven (1701-1763).Meischke (1973), p. 93. Vanaf 1765 was vermoedelijk kanunnik Johannes Henricus Cruts de enige eigenaar van het pand.Zie voorgaande noot. Vanaf 1772 verhuurde Cruts het pand aan Johannes Godefridus Veugen en Maria Helena Lousberg. Cruts woonde zelf als eigenaar in het pand ter linkerzijde (thans Kanunnikencour 1). Hij verkocht het pand in 1775 aan zijn huurder Joannes Godefridus Veugen, die in 1790 overleed. Het huis vererfde op zijn echtgenote en zijn drie nog in leven zijnde kinderen.

19e eeuw In 1797 werd het kapittel opgeheven, nadat het door de Franse overheid van alle bezittingen was beroofd.Ubachs/Evers (2005), pp. 243-244: 'immuniteit, geestelijke'; p. 267: 'kapittel, territorium'; pp. 477-478: 'Servaaskapittel, Sint-, algemeen'. De proost, deken en kanunniken verloren hun inkomsten, privileges en in sommige gevallen hun vrijheid. Kanunnikenhuizen waren privé-eigendom en konden dus niet worden geconfisqueerd. Wie in deze tijd eigenaar was van het kanunnikenhuis tegenover het Bergportaal is niet met zekerheid bekend.

thumb|Detail kadasterkaart 1823-1830. Wit met rode bebouwing: het perceel van Pillera Het U-vormige pand is goed te herkennen op de hiernaast afgebeelde kadasterkaart uit 1823-1830. Het Henric van Veldekeplein wordt op de kaart aangeduid als Vrede Plaats / Place de la Paix. De kanunnikenhuizen in deze omgeving zijn gewone burgerhuizen geworden, maar de grenzen van de percelen zijn in principe onveranderd. Op de kadasterkaart geven pijltjes aan welke percelen bij elkaar horen. Hierdoor wordt duidelijk dat het U-vormige herenhuis een geheel vormde met een kleiner pand om de hoek, vermoedelijk een (voormalig) koetshuis. Een zware tuinmuur begrensde het perceel aan de zuidzijde. Opvallend is dat het buurpand aan de oostzijde een enigszins vergelijkbare, II-vormige plattegrond had, waarvan de westelijke helft in 1906 is gesloopt. Dit perceel was echter aanzienlijk groter en liep door tot aan de Papenstraat. Sinds 1998 ligt hier de Kanunnikencour.

thumb|left|140px|Mr. W.A. Pillera,anoniem, zonder jaartal,Bonnefantenmuseum Vanaf 1806 werden in Maastricht huisnummers ingevoerd, niet per straat, zoals tegenwoordig, maar doornummerend in de hele stad. Het voormalige kanunnikenhuis tegenover het Bergportaal kreeg het huisnummer 732. Om uit de onverdeeldheid van de erfenis te raken verkochten de erven Veugen dit pand in 1822 aan mr. Willem Adriaan Pillera (1783-1859), griffier van Provinciale Staten van Limburg. Volgens het Bevolkingsregister woonde het gezin Pillera er in 1829 nog steeds, samen met drie, vermoedelijk inwonende bedienden.Bos (1995), p. 236. In 1836 werd Pillera benoemd tot griffier van Provinciale Staten van Holland en verhuisde hij met zijn gezin naar Haarlem. Waarschijnlijk verhuurde hij zijn Maastrichtse woning in die tijd.

In 1841 verkocht Pillera het huis aan de Luikse rentenier en grondeigenaar Nikolaas Balthazar Hubert Marie van Aken, die het pand verhuurde. In 1856 verkocht Van Aken het pand aan Andreas Claereboets, fabrikant van behangselpapier, gehuwd met Maria Catharina Smitsmans. Of Claereboets en zijn gezin ook in het herenhuis hebben gewoond is niet bekend. In ieder geval werd het pand in 1875 bewoond door twee andere personen: de weduwe S.E.A. (Sara) van der Loo-Pichot du Plessis en de kapelaan R. Nicolas.Adresboek van Maastricht en Wijk. Volgens officieële bronnen bewerkt. W. Rosenkranz, Maastricht, 1875 (online tekst op Delpher). Blijkbaar was het pand toen gesplitst in twee of meer woningen. Andreas Claereboets overleed in 1886. Zijn drie dochters verkochten het huis aan Jules van den Dijck, wijnhandelaar, gehuwd met Annette Timmermans, voor 20.000 gulden.

In de negentiende eeuw werd nog tweemaal een nieuw huisnummeringssysteem ingevoerd, in 1850 en 1888. Sint Servaasklooster 732 werd in 1850 nr. 1865. In 1888 werd wederom een nieuwe nummering ingevoerd, nu per straat (de huidige huisnummers). Sint Servaasklooster 1865 kreeg toen de huisnummers 27, 29 en 31, waarmee bevestigd werd dat het pand nu uit drie woningen bestond, onderverdeeld in de linkervleugel (nr. 27), het hoofdgebouw (nr. 29) en de rechtervleugel (nr. 31). Nrs. 27 en 29 zijn later samengevoegd.

20e en 21e eeuw