De geschiedenis van de vrijmetselarij in België kan in vier formeel afgelijnde en inhoudelijk samenhangende periodes worden opgedeeld, die samenvallen met de invloed van vier verschillende maçonnieke obediënties of grootmachten.
Oostenrijkse periode 1721-1794 thumb|Logegebouw La Parfaite Union in Bergen, gebouwd volgens de plannen van architect Hector Puchot in 1890De geschiedenis van de vrijmetselarij in de Zuidelijke Nederlanden is de geschiedenis van de vrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Deze geschiedenis is te situeren in een periode die start met de Vrede van Utrecht in 1713 en eindigt met de Franse annexatie van 1794.
In vele maçonnieke geschiedenissen wordt gesteld dat de oudste vrijmetselaarsloge op Belgische bodem reeds in 1721 in het Henegouwse Bergen werd gesticht onder de naam Parfaite Union. Tevens wordt gesteld dat in 1730 in het Vlaamse Gent en het Henegouwse Doornik twee verdere loges zijn ontstaan. Historische documenten die deze beweringen onomstotelijk bewijzen bestaan echter niet.
In 1738 verschijnt een Franse vertaling van een Engels vrijmetselaarsgeschrift van de hand van Samuel Pritchard (Masonry Dissected) in de Belgische contreien. Dit werd heruitgegeven in 1743 te Gent.
Historische bronnen bevestigen dat in het jaar 1743 een eerste loge wordt opgericht in Brussel onder de naam L'Égalité. De Fransman Joseph Uriot, een toneelacteur, was er lid van. Hij schreef in 1744 een boekje getiteld Le secret des franc-maçons mis en évidence. Hiernaast bestond zeer kortstondig een tweede loge. Beiden werden in 1743 gesloten in opdracht van keizerin Maria Theresia.
Vanaf 1740 werden er verschillende loges opgericht door buitenlandse militairen of burgers, die in België vertoefden en voornamelijk afkomstig waren uit Engeland en Frankrijk. Zo waren bijvoorbeeld Britse troepen aanwezig in de Zuidelijke Nederlanden van 1742 tot 1748 ten tijde van de Spaanse Successieoorlog en van 1755 tot 1762 ten tijde van de Zevenjarige oorlog. De vrijmetselarij verspreidde zich gestaag. Er bestonden loges in Philippeville (1744), in Namen (1747), in Antwerpen (1749), in Luik (ca. 1749), in Bergen (1748), in Ieper (ca. 1756) in Kortenberg (1756) en wellicht ook in Oostende (ca. 1746).
De personen die tijdens deze periode loges oprichtten hier ten lande deden dit op eigen initiatief en zonder mandaat van een buitenlandse obediëntie. Voorbeelden hiervan zijn Jean Rousset de Missy, Nicolas Louchier de Jericot en Thomas Chambers Cecil. Het staat historisch vast dat vele van deze loges voor korte, of langere tijd bestonden. Maar deze organisatorische anarchie kon niet blijven duren, en er werden voorzichtige pogingen ondernomen om tot organisatorische en structurele samenwerking te komen.
In 1763 werd te Gent voor het eerst een loge opgericht, Le Candeur, die erkend werd door de Grootloge der Zeven Verenigde Nederlanden. Deze obediëntie was reeds in 1756 opgericht. In 1765 werd een tweede Gentse loge, La Bienfaisante, eveneens erkend door de Nederlandse Grootloge.
In 1764/1765 werd de Aalsterse loge La Discrète Impériale erkend met nummer 278/341 door de Premier Grand Lodge of England. In 1768 werd een Gentse loge, La Constante Union, erkend onder het nummer 427 en in 1770 werd een Doornikse loge, Les Frères Réunis, erkend onder nummer 394. De aanvraag van de Gentse loge La Discrète Imperiale et Royale richting de Premier Grand Lodge of England werd niet aanvaard. Daarnaast was de Grand Lodge of Scotland als maçonnieke grootmacht aanwezig in de Belgische contreien, erkend door de Naamse loge La Parfaite Union.
In het Prinsbisdom Luik ontstond de eerste vrijmetselaarsloge in 1749 onder de naam La Nymphe. In 1760 werd de vrijmetselarij verboden door de toenmalige prins-bisschop. Zijn opvolger, Franciscus Karel van Velbrück, beschermde de orde (men heeft zelfs lang gedacht dat hij vrijmetselaar was). Andere loges werden gesticht in 1770 en 1775.
In Bergen stonden sedert 1763 twee loges met elkaar in concurrentie, La Parfaite Union en La Vraie et Parfaite Harmonie. In 1765 werd de Zuidelijke Nederlander François Bonaventure Joseph du Mont, Markies de Gages ingewijd in de Bergense loge La Vraie et Parfaite Harmonie. Als intimus van de Franse prins Louis de Bourbon-Condé, grootmeester van de historische Grande Loge de France, werd hij in 1776 benoemd tot Grand maître provincial et inspecteur général des loges rouges et bleues pour les provinces de Flandres, de Brabant et de Hainaut . Op deze wijze trachtte ook hij de onafhankelijke loges onder een centraal gezag te groeperen en te doen aansluiten bij de Grande Loge de France. Loge La Vraie et Parfaite Harmonie zou een belangrijke rol spelen bij dit proces, maar vanuit de landelijke loges bestond er weinig animo voor het Franse project en slechts La Parfaite Égalité te Brugge sloot zich aan. Verder introduceerde de Gages de hogere gradenvrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden.miniatuur|Zegel en Grootzegel van de Provinciale Grootloge van de Oostenrijkse Nederlanden.In 1770, werd de Gages tot grootmeester van de Grande Loge Provinciale des Pays-Bas Autrichiens benoemd, een provinciale grootloge van de Premier Grand Lodge of England. In 1779 waren reeds negen loges lid geworden en in 1786 waren er 26 loges lid van deze provinciale grootloge.
De Luikse loges verkozen in groten getale hun onafhankelijkheid te bewaren, en weigerden zich aan te sluiten bij de Grande Loge Provinciale des Pays-Bas Autrichiens. Enkele loges sloten zich aan bij de Grand Orient de France, die ondertussen de Grande Loge de France was opgevolgd.
Toen keizer Jozef II in 1780 alleenheerser werd hervormde hij de vrijmetselarij drastisch. Vanuit een verlicht rationalisme verbood hij in 1783 alle confrérieën en godvruchtige genootschappen en verving deze door één centrale Confrérie van de universele liefdadigheid.
De loges werden in een eerste fase geherstructureerd door de oprichting van een uniforme Grande Loge Provinciale Unie pour les Pays-Bays Autrichiens. In 1785 telde ze twintig loges. Deze provinciale grootloge stelde echter – in tegenstelling tot haar zusterobediënties uit Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Lombardije, Galicië en Zevenburgen – het besluit om zich aan te sluiten bij de Nationale Grossloge von Österreich steeds uit.
Jozef II verbood in 1785-86 vervolgens het lidmaatschap van een loge bij een buitenlandse obediëntie en beperkte het aantal vrijmetselaarsloges tot drie loges te Brussel. Het moet dan ook niet verbazen dat de heersende mentaliteit in de plaatselijke loges uitgesproken anti-Oostenrijks was en pro-Zuidelijke Nederlanden.
Evaluatie Van de ongeveer negentig verschillende loges die bestaan hebben gedurende de 18e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik bestond meer dan de helft maar voor zeer korte tijd. Slechts 38 loges konden langer dan drie jaar ononderbroken werken.
Deze 18e-eeuwse vrijmetselaars behoorden hoofdzakelijk tot de gegoede middenklasse, de kleine adel en de burgerij. Loges die voornamelijk rekruteerden uit andere sociale klassen werden niet erkend door de Provinciale Grootloge voor de Oostenrijkse Nederlanden. Zo werd de Gentse loge La Constante Union in 1781 heropgericht als De Stantvastige Eendracht en hanteerde de volkstaal. Zij werd niet opgenomen en verdween opnieuw in 1786. Ook de in 1784 opgerichte Gentse loge La Félicité Bienfaisante, de Antwerpse loge La Parfaite Union, de Brusselse loge L'Union Fraternelle en de Oostendse loge Les Trois Niveaux hadden gelijkaardige problemen.
Loges met vele adellijken en leden van de hogere burgerij kenden dergelijke problemen niet. Voorbeelden daarvan waren La Parfaite Intelligence in Luik, Les Frères Réunis in Doornik en Les Amis Thérésiens in Bergen. Deze laatste was een loge die uitsluitend uit katholieke geestelijken bestond. Een loge aan de Universiteit Leuven bestaande uit studenten, geestelijken en adellijken werd verboden door de autoriteiten.
Alhoewel de moederobediëntie lange tijd Engels was, stonden de loges in de Zuidelijke Nederlanden toch bloot aan Franse invloed. Na de oorspronkelijke erkenning en oprichting door de Engelse grootloge, werd vooral naar Frankrijk gekeken voor verdere inspiratie en ontwikkeling. De contacten met de continentale, Franse loges, waren frequent. Zo werd ook de hoge gradenvrijmetselarij zeer populair in de Oostenrijkse Nederlanden.
Na een volgend edict van keizer Jozef II uit 1785-86 bleef er in de Belgische contreien zo goed als niets meer over van de in de loop van de 18e eeuw gegroeide vrijmetselarij. Op het einde van de 18e eeuw begon aldus onder Frans, Nederlands en Belgisch bewind de totale heropbouw van de vrijmetselarij gedurende de ganse 19e eeuw.
Franse periode 1794-1815 Deze periode begint formeel met het de annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden door de Franse Republiek in 1794. Ze eindigt met de nederlaag van keizer Napoleon Bonaparte te Waterloo in 1815, gevolgd door het Congres van Wenen. Deze periode staat ook wel bekend als de Franse tijd.
In 1789 brak het gewapende verzet uit tegen het bewind van keizer Jozef II van Oostenrijk in de provincies Brabant, Vlaanderen en Henegouwen, en een jaar later ook in Antwerpen, Namen, Limburg en Luxemburg. Deze opstand - ook wel de Brabantse Omwenteling genaamd - onder leiding van Hendrik van der Noot, lid van loge Les Vrais Amis de l'Union, mislukte.
Bij het begin van de Franse annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden en Luik in 1794 stond de vrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden op een zeer laag pitje. Veel loges hadden noodgedwongen elke activiteit moeten staken. Onder het Franse revolutionaire regime kende zij een eerste grote bloei. Dit kwam mede doordat er vele Franse militairen verbleven in de Belgische contreien. Slapende loges werden heropgericht, zoals de Gentse loge La Constante Union in 1809, of nieuwe loges werden opgericht. Ook militaire loges schoten als paddenstoelen uit de grond. In 1798 werd door een groep Franse militairen en ambtenaren de Brusselse loge Les Amis Philanthropes opgericht. Deze loge zou zich later ontwikkelen tot spil in de verdere ontwikkeling van vrijmetselarij in België.
Eind 1813 telden de negen Verenigde Departementen opnieuw ruim 30 vrijmetselaarsloges. 6 hiervan waren reeds opgericht onder de Grande Loge Provinciale Unie pour les Pays-Bays Autrichiens en overgegaan naar het Grand Orient de France, anderen werden opgericht vanuit het Grand Orient de France.
Evaluatie In tegenstelling tot de Britse en Oostenrijkse pogingen om tot eenheid te komen, werd er vanuit Franse hoek nooit een provinciale grootloge opgericht: de incorporatie van de Zuidelijke Nederlanden in Frankrijk was steeds de bedoeling. Van 1795 tot 1814 maakt de geschiedenis van de Belgische vrijmetselarij dan ook integrerend deel uit van die van het Grand Orient de France. In deze tijd werd de Franse invloed op de Belgische vrijmetselarij geconsolideerd en werd de trend richting uitgesproken vrijzinnigheid ingezet.
Nederlandse periode 1815-1830 miniatuur|Prins Frederik als Grootmeester, ca. 1870. Schilderij B. de Poorter, collectie Vrijmetselarijmuseum Het Noorden en het Zuiden werden in 1815 samengesmolten tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op het Congres van Wenen. Koning Willem I der Nederlanden was vorst van de eenheidsstaat. Aldus was de rol van de Grand Orient de France structureel uitgespeeld. Maar inhoudelijk bleef ze de trendsetter, niet alleen tot het uitbreken van de Belgische Revolutie, maar ook daarna.
De Brusselse loge Les Amis Philanthropes probeerde tevergeefs een Grande Loge de Belgique op te richten. Dit mislukte, het Grootoosten der Nederlanden verving haar en speelde tot 1830 een centrale rol.