Marie Thérèse Françoise Walwein (1776-1816) was een West-Vlaamse kunstenares uit het dilettante genre, bekend om haar uniek tekenalbum met 61 botanische studies. Haar werk, thans bewaard in het Stedelijk Museum Ieper, illustreert de artistieke productie van vrouwen in de late 18e eeuw, gekenmerkt door precisie en een "vrouwelijke" beeldtaal. Als dochter uit een gegoede Ieperse familie groeide zij op in een kunstminnend milieu, maar ontbeerde - in tegenstelling tot haar broers - een formele academische opleiding.

Levensloop Walwein stamde uit de burgerij van Ieper, als dochter van advocaat Joseph Walwein (1731-1815) en van Marie-Anne van den Peereboom (1736-1827). Haar twee oudere broers waren professionele schilders van portretten en religieuze taferelen. Over haar jeugd is weinig bekend, maar waarschijnlijk verliet zij haar geboortestad tijdens haar adolescentie. Op 37-jarige leeftijd keerde zij terug om te huwen met Emmanuel Jan François Ryckx (1778-1800). Uit dit huwelijk werd dochter Marie Joséphine Constance Ryckx geboren. Walwein overleed twee jaar later, op 40-jarige leeftijd.

Artistiek werk

Het tekenalbum Walweins nalatenschap omvat een blauwgrijs tekenalbum met de gekalligrafeerde titel Desseins/T. WALWEIN. De 61 bladen, gedateerd vanaf 1791-1792 (toen ze 15-16 was), zijn stilistisch in vier reeksen onder te verdelen op basis van materiaalgebruik. De meeste tekeningen zijn bloemstudies uitgevoerd in roodkrijt, aquarel, kleurpotlood en gouache en zijn gekenmerkt door een feminiene beeldtaal met nadruk op accutaresse, fijngevoeligheid en precisie.

Thematiek en stijl Haar werk past in het "vrouwelijk dilettantisme" van de late 18de en vroege 19de eeuw, een stroming die het amateuristische karakter van vrouwelijke kunstproductie benadrukte. Thematiek en materialen weerspiegelen de heersende gendernormen, geïnspireerd door filosoof en cultuurcriticus Jean-Jacques Rousseau: "Vrouwen horen in de privésfeer; zij zijn geduldig, toegewijd en volhardend." In tegenstelling tot haar broers, die wel een opleiding genoten aan de Ieperse academie, leerde Walwein tekenen in de privésfeer - passend binnen het humanistische opvoedingsideaal voor vrouwen van haar stand.

Context: Albums in de 19de eeuw In de 19de eeuw groeiden albums uit tot een zelfstandig genre binnen de feminiene kunstproductie. Botanische tekeningen kregen een passionele ondertoon en dienden als gespreksonderwerp in vrouwenkringen, soms in aanwezigheid van mannelijke bewonderaars. Albums werden vaak uitgewisseld of geschonken aan familie of vrienden, en ontwikkelden zich tot waardevolle kunstobjecten.

Overlevering en erkenning Het album Desseins à Tse Walwein 1791 werd generaties lang binnen de familie doorgegeven. Dochter Marie Joséphine kreeg het album van haar vader en schonk het bij haar dood aan haar meest artistieke zoon. De overlevering gebeurde verder van vader op zoon, meestal in een schenking met meerdere kunstobjecten.

In 1844 schilderde de Ieperse kunstenaar François Böhm (1801-1873) Herinnering aan Marie-Thérèse Walwein, als hommage. Het is uiteindelijk achterkleinzoon Philippe Coppieters de Gibson die het album bij zijn dood, samen met een deel van zijn kunstcollectie, overlaat aan het Hotel-Museum Arthur Merghelynck in Ieper. Het werk wordt thans bewaard in het Stedelijk Museum van Ieper (Yper Museum) en is er gedigitaliseerd.

Externe links "Het album van Thérèse Walwein" (OKV) Dilettantisme (DBNL)

Categorie:Zuid-Nederlands kunstenaar (voor 1830) Categorie:Zuid-Nederlands tekenaar (voor 1830) Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 18e eeuw