Operatie Sonnenwende (Duits: Unternehmen Sonnenwende) was een Duitse aanvalsoperatie in januari 1945 en was onderdeel van Operatie Nordwind. Het strategische doel van Operatie Sonnenwende was een gebied in de vorm van een driehoek tussen de rivieren de Ill en de Rijn bij de plaatsjes Erstein en Sélestat. Het gebied rond Erstein zou moeten gaan dienen als een springplank voor een opmars naar Molsheim, dat zo'n 15 kilometer verder naar het noorden gelegen was, bij een eventuele omsingeling van Straatsburg. De aanval zou uitgevoerd worden vanuit de noordelijkste punt van de Colmar Pocket door een Duitse infanteriedivisie, versterkt met een gemengde pantserbrigade. In de eerste dagen maakten de Duitse troepen snel vorderingen en omsingelden en vernietigden zelfs een Frans bataljon. Maar de Franse troepen in dit gebied slaagde erin de Duitsers niet over de Ill te laten komen en daarmee liep het offensief al snel dood. De doorstoot naar Molsheim kwam niet meer ter sprake.

Inleiding Vlak na het begin van het Duitse Ardennenoffensief, richtte het Amerikaanse 3e Leger zich volledig op de Ardennen. Het Amerikaanse 7e Leger nam daarop een deel van de frontlijn van het 3e Leger over. En daarop moest het Franse 1e Leger ook weer zijn frontlijn oprekken in de Elzas. Intussen planden de Duitsers een nieuw offensief, Operatie Nordwind, in Elzas-Lotharingen.

Het Duitse plan thumb|150px|Reichsführer-SS Heinrich Himmler (hier in 1942) Het plan voor Operatie Nordwind dat eind december 1944 ontstond, had als hoofdaanvalsrichting de noordelijke Vogezen en zou uitgevoerd worden door het Duitse 1e Leger. Deze aanval zou op 31 december 194 van start gaan. Daarnaast zou het 19e Leger ook twee aanvallen uitvoeren aan beide zijden van Straatsburg. De ene was een aanval over de Rijn bij Gambsheim, die uiteindelijk op 5 januari 1945 startte). De andere was vanuit de Colmar Pocket naar het noorden, beginnend op 7 januari 1945.

Die laatste aanval was in het oorspronkelijke plan echt een kleinschalige nevenaanval met “aanvallen in bataljonssterkte”. In de eerste dagen van januari 1945 kreeg de staf van het 64e Legerkorps de opdracht een aanval voor te bereiden vanaf de lijn Diebolsheim-Hilsenheim naar het noorden. Voorlopige doel was de rivier de Ill en daar een sector in te nemen van Erstein tot Sélestat (Duits: Schlettstadt). Twee dagen voor de vastgestelde startdatum van 7 januari, zou de 198e Infanteriedivisie een kleine aanval uitvoeren op Neunkirch, met als doel gevangenen te maken en informatie te verzamelen. Het plan van het legerkorps, dat goedgekeurd werd van hogerhand, voorzag in een aanval langs de westelijke zijde van het Rhône-Rijnkanaal.

Ingezette troepenonderdelen Wehrmacht Het opperbevel van deze operatie lag bij de Heeresgruppe Oberrhein van Reichsführer-SS Heinrich Himmler. Uitvoering lag bij het 19e Leger onder bevel van General der Infanterie Siegfried Rasp. Rasp had het 64e Legerkorps van General der Infanterie Hellmuth Thumm aangewezen om de aanval uit te voeren.

De hoofdaanval zou worden uitgevoerd door de 198e Infanteriedivisie onder bevel van Generalmajor Otto Schiel. Deze divisie was beschikte over drie regimenten: het 305e Grenadierregiment, het 308e Grenadierregiment en het 326e Grenadierregiment en had een gevechtssterkte van 2692 man. Ook werd een relatief sterke gepantserde strijdmacht samengebracht, bestaande uit:

Panzerbrigade 106 “Feldherrnhalle” onder bevel van Oberst Franz Bäke (vanaf 12 januari 1945 vervangen door Major Bernhard von Schkopp). Deze brigade beschikte (inzetbaar) over 1 Panzer IV, 3 Panthers, 1 Jagdpanzer IV en 3 Flakpanzers Kampfgruppe Noak onder bevel van Major Karl-Heinz Noak. Deze Kampfgruppe bestond uit ongeveer de helft van de schwere Panzerjäger-Abteilung 654, samengesteld uit de Kampfgruppen Schnepf en Heyn met samen 20 Jagdpanther. Toegevoegd waren ook 2 compagnieën tankjagers, de 1./Heeres-Panzerjäger-Abteilung 93 en de 1./Heeres-Panzerjäger-Abteilung 525 met totaal 22 Nashorn’s. Tijdens de operatie werden de gepantserde delen van de Panzerbrigade 106 onder bevel gebracht van Noak. Heeres-Sturmgeschütz-Brigade 280 onder bevel van Major Kurt Kühme. De brigade beschikte over 12 StuG III en StuH 42’s

Als versterking had Thumm ook nog de 269e Infanteriedivisie (Generalleutnant Hans Wagner) achter de hand. Delen van deze divisie werden na enkele dagen ingezet, maar de hele divisie werd medio januari op transport gezet naar het oostfront en was daardoor niet meer beschikbaar. Daarnaast was ook beschikbaar het Divisions-Füsilier-Bataillon 708 van de 708e Volksgrenadierdivisie.

Geallieerden thumb|150px|Général Jean de Lattre de Tassigny (hier in 1946) De verdediging van de Rijn-sector en de Colmar Pocket was de verantwoordelijkheid van het 1e Franse Leger onder bevel van Général Jean de Lattre de Tassigny. De noordsector van de Colmar Pocket werd verdedigd door het Franse 2e Legerkorps en de betreffende sector was ingenomen door de 1e Vrije Franse Divisie (Fr: 1re DFL) onder Général Pierre Garbay. Deze divisie had de sector pas op 31 december 1944 overgenomen, na inzet aan de Atlantische Kust. In de directe aanvalsrichting lag de 4e brigade (onder Colonel Raynal). Deze bestond uit de: Bataillon de marche no 21 (afgekort BM 21, onder Capitaine Fournier) Bataillon de marche no 24 (afgekort BM 24, onder Commandant Pierre Coffinier) Bataillon d'infanterie de marine et du Pacifique (afgekort BIMP, onder Commandant Edmond Magendie) Delen van de rest van de divisie werden in latere dagen ingezet ter ondersteuning. Ook delen van de Alsace-Lorraine Onafhankelijke Brigade (onder Colonel André Malraux) werden ingezet.

Staat van de troepen aan beide zijden Zowel de Franse als de Duitse troepen die zouden deelnemen aan de gevechten waren niet in optimale conditie. De 1e Vrije Franse Divisie had in de late herfst van 1944 zeer veel ervaring verloren. In die tijd werden ongeveer 6000 ervaren Senegalese (koloniale) troepen vervangen door onervaren leden van de Forces françaises de l'intérieur (FFI). Deze vervanging van wat toen “zwarten” werden genoemd door blanke mannen staat in Frankijk bekend als “Blanchiment des troupes coloniales” (vrij vertaald: het witwassen van koloniale troepen). De gevechtskracht van de divisie liep hierdoor zeer sterk terug en was begin januari zeker niet op het oude niveau.

Bij de Duitsers zat het niet veel anders. De 198e Infanteriedivisie had tijdens zijn terugtocht uit de Provence stevige verliezen geleden. Deze werden in de herfst van 1944 opgevuld met twee grenadierbataljons, een Festungs-Infanterie-Bataillon, een Festungs-MG-Bataillon, een Schiffs-Stamm- Abteilung, resten van twee andere bataljons, delen van een Sicherungs-Regiment, delen van een Marine Art.Abt. etc.. Ofwel een ratjetoe aan verschillende troepen van verschillende oorsprong. De Panzerbrigade 106 beschikte bij het begin over 2 Panzer IV, 12 Panthers, waarvan er dus maar resp. 1 en 3 operationeel inzetbaar waren. Bedenk dat een volledige panzerbrigade over 36 Panther’s en 11 Jagdpanzer IV’s zou moeten beschikken. Qua personeel (inclusief de pantsergrenadiers) zat de brigade echter op 80%. Ook de Heeres-Sturmgeschütz-Brigade 280 beschikte dus maar over een kwart van zijn organieke Sturmgeschützen.

Insigne's van de belangrijkste eenheden:

Het verloop van de strijd, dag voor dag Dag 1: 7 januari 1945 De aanval begon zoals gepland. Het op links opererende 305e GR drong vanaf 05.00 u door het bos van Sermersheim, maar door een opgeblazen brug bij het Riedhof en Franse tegenstand van voorposten van het 11e Kurassierregiment (Fr: 11e régiment de cuirassiers) kon het regiment 's avonds alleen de noordelijke en westelijke randen van de bossen van Sermersheim en Riedwald bereiken. De rechts opererende groep (308e en 326e GR) nam Neunkirch rond 08.50 u al in, waarmee de doorbraak bereikt werd. Nu kon Kampfgruppe Noak uitbreken, de Zembs werd overgestoken en rond 10.30 u verschenen de eerste pantservoertuigen al voor Osthouse en rond 12.00 uur verschenen tanks ten zuiden van Erstein, vuurden en verdwenen dan. Om 13.00 u werd de kanaalbrug ten zuiden van KrafftDorp, nu een wijk van de stad Erstein veroverd. Later in de middag volgde een aanval richting Krafft, maar door anti-tank vuur werd een Jagdpanther vernietigd en een tweede beschadigd. Een compagnie van de BM 21 kon brug over het afvoerkanaal van de Ill opblazen. Daarop werden verdere aanvallen afgeblazen en gingen de Duitsers hier ter verdediging over.

Achter de tanks rukte de infanterie op en nam Witternheim in rond 10.30 uur en vervolgde met een aanval rond 11.00 uur op Herbsheim vanuit het zuidoosten. Deze aanval werd door de Franse eenheden afgeslagen, net als een volgende aanval om 16.30 uur. ’s Nachts werd een volgende aanval afgeslagen met hulp van drie lichte tanks van het 1e RFM (Fr: 1er Régiment de Fusiliers Marins).

Overdag was er in het gebied tussen het Rhône-Rijnkanaal en de Rijn alleen de strijd met Duitse troepen die Rhinau en Friesenheim bezetten, de Fransen nadat zich hadden teruggetrokken naar Boofzheim. Voor BM 24 leek er niet zoveel aan de hand, tot begin van de middag een tweetal Duitse pantservoertuigen (de twee voorheen genoemde Jagdpanther’s?) gemeld werden ten noordwesten van Gerstheim. BM 24 kreeg te horen dat ze moeten blijven waar ze zijn, aangezien er een tegenaanval werd voorbereid via de wegen Osthouse-Gerstheim en Sand-Obenheim. In feite waren deze acties niet meer dan verkenningen, maar de Duitsers waren meteen alert en vertraagden hun acties naar het noorden er richten zich meer op Sand en Benfeld. De 1re DFL begon aan het eind van de dag de sector te versterken met wat voorhanden was. De resten van Combat Command 5 van de 5e Franse Pantserdivisie werden aan de sector toegewezen en BM 11 (2e brigade) werd versneld afgelost door Amerikaanse troepen. Diezelfde avond nog gaf Himmler het bevel de aanvallen richting Benfeld te versterken en daarna op te trekken naar het noordwesten, richting Molsheim.

Dag 2: 8 januari 1945 thumb|150px|Karl-Heinz Noak, hier als Oberleutnant in 1942 thumb|150px|Franz Bäke, hier als Major in februari 1944 Ondanks hun inspanningen boekten de Duitsers slechts beperkte vooruitgang, terwijl Franse troepen hun eerste serieuze tegenaanvallen uitvoerden. Na de nacht doorgebracht te hebben bij Krafft, rukte de Kampfgruppe Noak langzaam op over de weg Sand-Obenheim en 's avonds kon het GR 326, ondanks de steun van de tanks, niet verder komen dan het Pfifferwald; in feite stuitte het op deze as op Franse pogingen om de verbinding met de BM 24 te herstellen. Om 9 uur stuitte een Frans detachement op Duitse tanks en moest zich terugtrekken en om 14.15 uur had een actie uitgevoerd door elementen van BM 11 hetzelfde resultaat. Verder naar het noorden probeerden de Duitsers om 07.30 uur, 11.00 uur en 12.30 uur tevergeefs een aanval op de Osthousebrug. Een Franse poging rond 10.15 uur op de weg Osthouse-Gerstheim faalde ook. In de middag trok hetzelfde detachement, met versterkingen van de BM 11, op naar de oostelijke rand van het Osthouse-bos, alvorens het bevel tot terugtrekking te krijgen. Ook 's avonds mislukten de Franse offensieven.

De verbinding met BM 24 kon niet worden hersteld, maar ook de Duitse opmars naar Sand kwam tijdelijk tot stilstand. De Duitse leiding was ontevreden over de agressiviteit van de Duitse pantsertroepen en Major Noak werd vervangen door Oberst Franz Bäke.

De hele dag werden Rossfeld en Herbsheim gebombardeerd en naar het westen breidden de Duitsers hun bezetting van de bossen uit. Ten oosten van het kanaal ging Daubensand verloren gegaan en een Duits bataljon stak de Rijn over ter hoogte van Gerstheim. De commandant van de BM 24 overwoog vervolgens een terugtrekking naar het noorden. Om 20.00 uur hij kreeg toestemming om Gerstheim te bereiken nadat hij de Franse troepen uit Boofzheim had teruggehaald. Maar in de nacht kreeg BM 24 de opdracht kreeg om in Obenheim te blijven.

Dag 3: 9 januari 1945