Adrianus Déking Dura (Dordrecht, 12 augustus 1849 – Amsterdam, 18 november 1919) was een Nederlands waterbouwkundige. Hij was de zoon van Jacob Cornelis Déking Dura, koopman in Dordrecht, en Cornelia Vos. Van 1875 tot 1906 werkte hij voor de provincie Overijssel. Na een integriteitsconflict vertrok hij daar en vestigde zich als zelfstandig ingenieur in Den Haag, waar hij actief was in veel commissies. In 1919 is hij overleden bij een ongeluk in Amsterdam, waar hij bij het instappen uit een tram gevallen was. Bij zijn begrafenis werd zijn nagedachtenis door de minister van waterstaat ir. A. A. H. W. König en verscheidene andere sprekers gehuldigd.

Op Koninginnedag 1898 is hij tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw benoemd.

Hij trouwde op 3 juni 1875 met Elisabeth Helena Posthuma, bij wie hij drie zonen en een dochter (die al jong overleden is) had.

Opleiding en eerste werkkring Na zijn school in Dordrecht ging hij in 1865 naar de Polytechnische School te Delft, hij haalde daar in 1870 het diploma van civiel ingenieur. Na zijn afstuderen werd hij benoemd tot buitengewoon opzichter bij Rijkswaterstaat en belast met de vervaardiging van de waterstaatskaart, waarvan hij enige bladen in Friesland bewerkte. Hij werd op 19 februari 1872 hij eervol ontslagen; hij kwam onmiddellijk daarna in dienst bij D.S.A. Docen, ir. E.J.J. Kuinders en S. baron van Heemstra voor het doen van opnemingen voor den aanleg van lokaalspoorwegen in Friesland. Na het het vergelijkend examen werd hij adspirant-ingenieur van de Rijkswaterstaat en geplaatst te Zwolle, waar hij opklom tot ingenieur bij die dienst.

Hij begon daar als ingenieur 3e klasse in het noordelijk arrondissement van Overijssel met standplaats Zwolle. Hier was hij 7 jaren werkzaam in het volle ingenieursleven, daar hij zowel rijks- als provinciaal ingenieur was. Begin 1876 werd de Willemsvaart aan zijn dienst toegevoegd. Wat hij in deze jaren tot stand bracht, is van veel belang. Hij heeft de Willemsvaart tot een voor Zwolle goed vaarwater gemaakt, een sluis in het Meppelerdiep te Zwartsluis gebouwd, de grondslag gelegd tot de vorming van de waterschappen Schipbeek en Regge, en verschillende verbeteringen aan de Dedemsvaart aangebracht. Tijdens het hoge water van februari en maart 1876 was hij te Kampen gestationeerd. Voor de toen bewezen diensten werd hem de zilveren watersnoodsmedaille toegekend.

Provincie Overijssel Hij kon het goed vinden met zijn chef, ir. J van der Toorn, maar minder met diens opvolger, ir. L.A. Reuvens. Na het besluit van de minister dat de rijksingenieurs vanaf 1882 niet meer ter beschikking stonden van de provinciale dienst, solliciteerde hij naar de functie van provinciaal ingenieur en nam ontslag als rijksingenieur. Déking Dura legde zich onmiddellijk met ijver op zijn taak toe; hij had het geluk, in de bekwame Commissaris des Konings mr. J. H. Geertsema een man te vinden, die hem op prijs stelde en steunde, terwijl ook de leden van de commissie, voor de waterstaatszaken in de provincie, jhr. mr. G. C. Junius van Hemert, J. D. van Hasselt en mr. H. W. J. van Marle, tot de beste krachten behoorden, met wie steeds een innige samenwerking plaats had. Deze mannen werden omstreeks 1890 door anderen vervangen, maar de invloed van Déking Dura op den gang der zaken werd misschien nog machtiger. miniatuur|Dedemsvaart, ijzeren brug naar de aardappelmeelfabriek De provincie had toen in beheer het kanaal de Dedemsvaart met zijtakken, de schutsluis te Blokzijl, enkele bruggen en grindwegen, met een totale lengte van 42 km. De Dedemsvaart had toen een diepte van 1,6 m. en een bodembreedte van slechts 6,5 m. Het kanaal is onder hem verbreed tot 9,5 m, met een diepte van 1,8 m. De houten schutsluizen en bruggen zijn vervangen door steen en ijzerconstructies.

Het Lichtmiskanaal en het benedendeel van de belangrijkste zijtak der Dedemsvaart, de Lutterhoofdwijk, werden verbeterd; in laatstgenoemde verbetering was begrepen de vervanging van twee schutsluizen door één sluis. Bij elke sluis werd een stroomkanaal met stroomduiker gemaakt, waardoor de belemmering kwam te vervallen, welke de scheepvaart vroeger ondervond door het stromen met de schuiven in de sluisdeuren. miniatuur|Coevorden-Piccardiekanaal Ter verbinding van de Coevorden-Vechtkanaal en de Lutterhoofdwijk met het Duitse kanalennet werd een nieuw, 21 km lang kanaal gegraven, lang 21jt K.M., van uit de stadsgracht van Coevorden naar de Pruisische grens in de richting van Alte Piccardie. Dit kanaal, het Coevorden-Piccardiekanaal, kwam in 1884 gereed. Bovendien werd in 1896 het Coevorden-Vechtkanaal van de Coevorder kanaalmaatschappij in beheer en onderhoud overgenomen en daarna verbeterd.

De toestand van de kleine rivieren in Overijssel, met name de Regge, de Schipbeek, de Bolksbeek en de Dorterbeek, was in 1882 nog treurig en de oprichting van de waterschappen de Schipbeek en de Dorterbeek (het eerste voor een klein en het tweede voor een groot deel gelegen in de provincie Gelderland) in 1881 en van het waterschap de Regge in 1883 was op zichzelf niet voldoende om daarin verandering te brengen, hetgeen ten slotte oorzaak was, dat door rijk en provincie financiële steun werd verleend voor de uitvoering van omvangrijke verbeteringswerken. Deze werken, op Overijssels gebied, werden voorbereid en uitgevoerd onder leiding en toezicht van Déking Dura, terwijl het bovendeel van de Schipbeek, de Buurserbeek, met een lengte van 26,5 km door de provincie werd verbeterd.

Oorspronkelijk bestonden in Overijssel niet anders dan negen dijkdistricten, benevens enkele polders. Daarop was van toepassing het reglement op het beheer der dijken, kaden, polders en watergangen van 15 juli 1845, dat verouderd was. Het werd vervangen door het grondwaterreglement voor waterschappen door de Provinciale Staten vastgesteld in november 1879. Dit reglement heeft zeer veel bijgedragen tot het ontwerpen en doen uitvoeren van plannen tot oprichting van waterschappen. Naast de bestaande dijkdistricten met een oppervlakte van bijna 90.000 ha, zijn tot aan het ontslag van Déking Dura in 1906, in totaal 40 waterschappen opgericht, elk met een bijzonder reglement, de nodige keuren enz., Dit omvatte in totaal 155.000 ha. Ingevolge de bepalingen van het reglement op de watergangen, door Déking Dura ontworpen, werden alle gemeentelijke leggers van de watergangen met bijbehorende kaarten naar eenzelfde model omgewerkt en vernieuwd.

Hij werkte samen met zijn ambtgenoten in Drenthe en Gelderland wat o.a tot de volgende rapporten leidde:

Rapport over de Dronter bedijking, (13 oktober 1883 en 2 januari 1886) beide met de provinciale ingenieur van Gelderland, ir. M. A. van Idsinga. Rapport over de middelen tot verbetering van den waterafvoer van het Meppelerdiep te Zwartsluis, met de provinciale ingenieur van Drente ir. J. P. Hofstede.

Ook was hij lid van een commissie inzake de kostenberekening van een verbeterde afstroming van het Meppelerdiep. Ook na zijn ontslag in 1906 is hij door gedeputeerde staten gevraagd om in deze commissie te blijven.Het eindrapport verscheen in maart 1909.

in het voorjaar van 1904 werd zijn zoon, Jacobus Cornelis, benoemd als tijdelijke ingenieur bij de provincie, in het voorjaar van 1906 werd dit omgezet in een vaste aanstelling. In maart 1906 vroeg hij zelf ontslag als hoofdingenieur bij de provinciale waterstaat, ook zijn zoon heeft toen voor zijn benoeming als ingenieur bij de provincie bedankt. De reden voor zijn ontslagaanvraag was volgens de krant het feit dat de Commissaris van de Koningin (P. Lycklama à Nijeholt) het niet kon goedkeuren dat vader en zoon bij de provincie een leidinggevende positie hadden. Zijn zoon is daarna bij de provincie Zeeland gaan weken en in 1908 vennoot geworden bij het ingenieursbureau Van Hasselt en De Koning, waar hij in 1917 enig directeur werd.

Wegenaanleg en -onderhoud miniatuur|Tolhuis (met boerderij) in Dalfsen In de periode van 1882 - 1906 heeft hij ook veel gedaan aan de verbetering van het wegennet. Hij vond het voor de wegen verkeerd wanneer besturen van kleine gemeenten en waterschappen het onderhoud van de doorgaande wegen op zich nemen, daar er dan zeer grote kans is, dat het onderhoud uit verkeerd begrepen zuinigheid verwaarloosd wordt. Hij ontwierp een regeling waarbij de provincie zich verbindt om bij de aanleg van nieuwe wegen de helft van kosten door de provincie worden gewaarborgd. Meestal wordt deze helft gevonden uit een Rijkssubsidie en uit bijdragen van de gemeenten en van belanghebbenden. Het onderhoud is dan voor rekening van de provincie, maar de betrokken gemeenten moeten zien verbinden om de helft der onderhoudskosten aan de provincie terug te geven, zonder dat zij medezeggenschap hebben omtrent de wijze en de kosten van het onderhoud. Om voor aanleg door de provincie in aanmerking te komen, moeten de wegen voorkomen op een in 1906 door Provinciale Staten vastgestelden staat, waarvan slechts bij hoge uitzondering wordt afgeweken. Bovendien is een staat vastgesteld van in 1906 bestaande verharde wegen, in onderhoud bij gemeenten, waterschappen of particulieren. Meest waren deze laatste in beheer bij commissies, sommige bij naamlooze vennootschappen. Deze wegen worden door de provincie overgenomen, wanneer 2/3 van de kosten, noodig om hen in goeden staat te brengen, aan haar wordt teruggegeven en haar bovendien wordt toegezegd, dat zij de helft der onderhoudskosten van de belanghebbende gemeenten jaarlijks terug zal ontvangen. Ook hier is het beginsel: uitvoering der verbeteringswerken en van het onderhoud door de provincie.

In 1906 zijn de provinciale tollen afgeschaft en is bepaald, dat alle voortaan door de provincie aan te leggen of over te nemen wegen tolvrij zullen worden onderhouden. Bovendien steunt de provincie de aanleg van wegen, die niet van voldoende belang zijn om voor aanleg door de provincie in aanmerking te komen, met een subsidie van 25 tot 30 % van de aanlegkosten.

PIANC miniatuur|VIIe Congrès international de Navigation. 1898 In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond de behoefte aan internationale uitwisseling van kennis op het gebied ban scheepvaartinfrastrutuur (kanalen en havens). Voor de coördinatie daarvan is door de koning van België de PIANC opgericht. Déking Dura was van het begin af aaneen actieve deelnemer aan deze congressen. Zo nam hij deel aan het eerste internationale binnenscheepvaartcongres te Brussel in 1884 bij; bij het congres, in 1886 te Wenen gehouden, was hij de enige aanwezige Nederlander. Verder woonde hij deze congressen in 1888 te Frankfurt aan de Main, in 1890 te Manchester, in 1892 te Parijs, in 1894 te 's-Gravenhage, in 1898 te Brussel, in 1900 te Parijs, in 1902 te Düsseldorf, in 1905 te Milaan en in 1909 te St. Petersburg bij. Het congres van 1912 te Philadelphia werd wegens ziekte niet door hem bijgewoond. Hij was de enige Nederlander, die tot 1909 alle congressen bijwoonde, en hij verwierf daardoor langzamerhand grote bekendheid bij de buitenlandse leden van PIANC. Op het congres van 1894 was hij voorzitter der 3e sectie, handelsexploitatie en economische vraagstukken.

Op verschillende van deze congressen deed hij mededelingen over de onder zijn leiding uitgevoerde werken, alsmede over de wenselijkheid van tollen op die scheepvaartwegen, die nodig zijn om ze te kunnen aanleggen en in behoorlijke staat te onderhouden. Déking Dura stond als onpartijdige tussen de verschillende meningen. Hij wees op de bijzondere toestand in Nederland, waar de kanalen in tegenstelling met het buitenland niet uitsluitend voor de scheepvaart, maar ook voor de afwatering zijn aangelegd, en staafde, dat zij als het ware gegroeid zijn met de ontwikkeling der streek. Uitvoerig zette hij zijn standpunt uiteen op het congres van 1894 in Den Haag.