De buitengewone riviercorrespondentie of bijzondere riviercorrespondentie was een Nederlandse regeling om bij hoogwater of ijsgang in de grote rivieren volgens een vast protocol gegevens over te brengen en passend te kunnen reageren. De regeling heeft bijna twee eeuwen bestaan en de oudste versies uit de 19e eeuw bevatten verplichtingen voor waterschappen en burgers, die ook moesten bijspringen in noodgevallen.
Tijdgeest en politiek In de 18e eeuw had Nederland een zwakke centrale overheid die grotendeels functioneerde als nachtwakersstaat: met weinig middelen en een klein ambtenarenkorps deed men het hoogstnodige, zoals budgettering en landsverdediging, en werkte men verder vooral reactief. Het waterbeleid was een zaak van de sterk versnipperde lage overheden, zoals steden, heerlijkheden en vooral waterschappen. Het middenniveau, waarvan provincies en generaliteitslanden deel uitmaakten, kon enigszins sturen met budgetten en kon samenwerking faciliteren, maar zelden afdwingen.
De rivieren en het watergeweld werden in de 18e eeuw als natuurkrachten beschouwd, wat tot fatalisme leidde, waarbij in religieuze kringen zelfs de opvatting leefde dat grote ingrepen Gods sturende hand uitdaagden. Deze mentaliteit en opvattingen verloren terrein door de Verlichting en de beginnende industriële revolutie, die de tijd rijp maakten voor het radicalisme van de Cultus van de Rede. Iets van dit geloof in de rede en het menselijk vernuft bereikte Nederland in de Franse Tijd. In januari maakte de eerste staatsgreep van 1798 formeel een einde aan het federalisme en in mei werd Bureau voor den Waterstaat opgericht, de voorloper van Rijkswaterstaat.
Door voortdurende machtsstrijd slingerde het bestuur tussen centralisme en federalisme. In 1803 kregen de provincies een sterke positie, maar met de Rivierenwet van 1806 en de Dijkwet van 1809 onderstreepte de centrale overheid haar verantwoordelijkheid voor het waterbeleid. In 1810 werd Nederland ingelijfd bij het Franse Keizerrijk, wat het rivierenbeleid in theorie volledig centraliseerde. De waterstaatsdienst werd onderdeel van de Franse nationale Service des Ponts et Chaussées (Dienst voor bruggen en wegen). De tussenlaag, de provincies, raakte alle bevoegdheden over waterbeheer kwijt, maar de waterschappen bleven intact. Ze kregen echter wel gedetailleerde voorschriften.
De nachtwakersstaat was echter niet volledig verdwenen: mede doordat het Keizerrijk de lage landen als wingewest uitbaatte, was er weinig geld voor waterstaatswerken. Een waarschuwingssysteem voor hoogwater was veel goedkoper dan het structureel aanpakken van de problemen, en dit werd gerealiseerd.
Rivieren In de 18e en 19e eeuw waren er voortdurend overstromingen. De rivieren meanderden en konden het water niet snel afvoeren, zodat de stroomsnelheid laag en variabel was. De rampen ontstonden bij hoogwater in de winter, maar de kiem werd gelegd in zomers met lage stroomsnelheden: dan groeide het sediment aan tot eilandjes en zandbanken in de beddingen, wat de zaak verergerde. Lokale belanghebbenden legden kribben en kaden aan om hun eigen problemen te verhelpen, maar voor de afvoercapaciteit was dat vaak desastreus. De weinige regels die er waren, werden amper afgedwongen. De meeste beleidsmakers namen tot halverwege de 19e eeuw de moeilijke en wisselende bevaarbaarheid van de rivieren voor lief en vooral koning Willem I richtte zich liever op de aanleg van kanalen, wat hem de bijnaam Kanalenkoning opleverde. alt=Kaart uit 1809, met in blauw de overstroomde gebieden. Deze omvatten de hele bovenstroom van Rijn, Waal en Maas, van de Duitse grens tot aan Gorinchem.|miniatuur|Kaart uit 1809, met in blauw de overstroomde gebieden. Deze omvatten de hele bovenstroom van Rijn, Waal en Maas, van de Duitse grens tot aan Gorinchem. Ook de veiligheid schoot tekort: het water kon 's winters razendsnel stijgen en de dijken konden dat niet aan. Overal waren knelpunten; vooral de samenvloeiing van Maas en Waal was al eeuwenlang berucht om de ijsdammen die zo hoog konden worden als kerktorens, zodat de stroom nagenoeg geblokkeerd werd. De watersnood van 1809 was zo dramatisch dat Lodewijk Napoleon de Nederlandse waterstaatkundigen voor het blok zette: Wanneer de veiligheid van een natie zo acuut en volledig wordt bedreigd, is geen enkele inspanning te groot voor een dergelijke onderneming."Lorsque la sureté d'une Nation est si prochainement et si totalement menacee il n’y a pas d’efforts trop grands pour une telle enterprise.” Nederlanders waren eveneens ontsteld, maar ook gewend aan overstromingen, en de tijdgeest en het gebrek aan kennis en middelen maakten hen huiverig voor grote ingrepen. Men probeerde er het beste van te maken met een reeks overlaten, die deels nog in hetzelfde jaar gerealiseerd werden. Daar liet men bij kritieke waterstanden het water over de dijken of door sluizen naar dunbevolkte gebieden stromen om ergere schade te voorkomen. Het openen of overstromen van een overlaat werd veelal aangekondigd met kanonschoten.
Geschiedenis
Regelingen en verplichtingen In 1803 werd na acht jaar discussie de buitengewone riviercorrespondentie ingevoerd en na allerhande wijzigingen kwam er in 1806 een min of meer definitieve regeling, al is die nog herhaaldelijk aangevuld. Vanaf 1835 gold het Reglement op de correspondentie bij ijsgang en hoog opperwater op de rivieren, dat gedurende de 19e eeuw enkele malen aangepast werd.
De kern was dat het Bureau voor den Waterstaat in de winter en bij dijkdoorbraken een reeks posten in het rivierengebied permanent bemand moest houden. Op sommige punten werden signaalkanonnen geplaatst, bijvoorbeeld bij Wageningen en de Beersche Overlaat. Die gaven aan andere posten en overheid en bevolking berichten door over de waterhoogten, ijsdammen en dreigende of acute dijkdoorbraken.
Het Bureau voor den Waterstaat, sinds 1848 bekend als Rijkswaterstaat, plaatste iedere winter medewerkers op de posten in het rivierengebied, en nabije telegraafkantoren moesten eveneens bemand blijven. Ook dijkbesturen werden daarvoor ingezet.
Uiteindelijk is de riviercorrespondentie ondergebracht bij de Stormvloedseindienst en in 2010 opgenomen in het Watermanagementcentrum Nederland.
De regeling voor de riviercorrespondentie bevatte ook verplichtingen voor derden. Waterschappen konden bewoners verplichten om aan de dijk te werken; zie in dit verband het begrip klokslag. Zelf moesten de waterschappen volgens bepaalde richtlijnen werken en verplichte noodmaterialen hebben. Ze moesten actief meewerken aan de berichtgeving en verslag uitbrengen van hun werk, wat het begin van gecoördineerde dijkverdediging inluidde. Rijksingenieurs konden waterschappen en garnizoenen in steden opdrachten geven, maar moesten die zo nodig onderbouwen.
Uitvoering Volgens de waterstaatsingenieur R.P.J. Tutein Nolthenius stond de buitengewone correspondentie onder leiding van een inspecteur van Rijkswaterstaat, die naar het klassieke middelpunt Gorinchem reisde en van daaruit contact onderhield met een legertje hoofdingenieurs en ingenieurs. Tutein Noltheius schreef in 1886 dat de posten bemand werden zodra er ergens beweging kwam in vastzittend ijs en dat dan de gewone riviercorrespondentie aangevuld werd met de buitengewone. Voor de Rijn, inclusief de vertakkingen zoals de IJssel, werden ook berichten uit Duitsland gebruikt en voor de Maas berichten uit België en Luxemburg. In het begin van de 19e eeuw zou dit afwachten te gevaarlijk zijn geweest, maar aan het eind van die eeuw was de berichtgeving sterk versneld door de telegrafie en de spoorbruggen die toen de grote rivieren begonnen te overspannen. Tussen de posten kon men deze revolutionaire technieken nog niet gebruiken en werden berichten overgebracht door ijlbodes te paard.
Bij hoogwater werd de bijzondere correspondentie ingezet als een bepaald noodpeil bereikt was, gemeten tussen de dijkkruin en het water. Voor de Rijn was een verschil van 1,60 meter bij Pannerden kritiek, voor de Maas waren twee peilen bepalend: voor het pand van Heumen tot 's-Hertogenbosch gold 1,40 bij Grave als noodpeil, voor het pand van 's-Hertogenbosch tot Werkendam was 1,60 bij Heusden. Het gevaar was dan nog niet groot, maar het nam toe als de dijken doorweekt raakten.
Bij hoogwater werd de buitengewone correspondentie beëindigd als het water weer onder het kritieke peil kwam, bij ijsgang als er weer ijsvrij water zichtbaar was.
Winter van 1947 In de winter van 1947/1948 werd de buitengewone riviercorrespondentie geactiveerd rond de jaarwisseling en met name rond Zevenaar was de situatie kritiek. Er was een afschuiving opgetreden bij de De Breuly-kolk aan de Oude Rijn, waar de dienstdoende Technisch Ambtenaar een gedetailleerd verslag van gemaakt heeft. Een probleem hierbij was dat waterstaatkundige veranderingen volgens traktaat goedkeuring nodig hadden van de Pruisische regering. De rechtsopvolger daarvan was de Duitse bondsregering in wording, maar die mocht zo kort na de oorlog niets ondernemen zonder toestemming van de Britse bezettingsmacht. Zie in dit kader ook het anonieme verslag van het hoogwater in maart 1947.
Categorie:Bataafse Republiek Categorie:Waterbeheer in Nederland