Zelfmoord tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland verwijst naar de verschillende zelfmoordgolven die in Nederland plaatsvonden tijdens de oorlogsjaren. Deze golven ontstonden onder uiteenlopende groepen die werden geconfronteerd met de dreiging of realiteit van geweld, vervolging, nederlaag of berechting.
De eerste en grootste golf deed zich voor rond de Duitse inval in mei 1940, met name onder joodse burgers, politieke vluchtelingen en andere door het nazi-regime bedreigde groepen. Velen van hen kozen uit angst voor vervolging en deportatie voor het zelf beëindigen van hun leven, soms alleen, maar ook regelmatig samen met partners of het gehele gezin. Deze slachtoffers werden vaak pas later erkend als oorlogsslachtoffers.
Aan het einde van de oorlog ontstond opnieuw een piek, ditmaal onder politiek delinquenten zoals NSB’ers, die vreesden voor arrestatie, vergelding of berechting na de bevrijding. Ook onder geallieerde militairen, waaronder Canadezen, werden gevallen van zelfdoding gemeld, zij het in veel kleinere aantallen en vaak vanuit andere motieven.
Zelfmoordgolven Er valt onderscheid te maken tussen verschillende zelfmoordgolven tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog. De aanleidingen binnen deze golven verschillen. Afscheidsbrieven, getuigenissen en beschrijvingen van overlevenden bieden soms duidelijkheid over de omstandigheden waaronder mensen een einde aan hun leven maakten, maar de omstandigheden rond suïcide zijn vaak complex.
Duitse inval (1940) De Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 veroorzaakte grote paniek, vooral onder joodse Nederlanders en politieke vluchtelingen uit Duitsland. Volgens historicus Ligtenberg was de golf aan zelfmoorden niet alleen een reactie op de inval op 10 mei, maar ook op jarenlange angst en teleurstelling in de neutraal gebleven status van Nederland. De abrupte realiteit van een Duitse bezetting sloeg om in existentiële paniek. Schrijver Jacques Presser sprak van een ‘zelfmoordepidemie’ na de capitulatie op 15 mei 1940. Hij beschreef deze periode als een moment van massale wanhoop, ingegeven door angst voor arrestatie, deportatie of het opnieuw moeten ondergaan van vervolging, zoals bij veel Duitse emigranten het geval was.
Uitzichtloosheid onder joden Zelfdoding kwam veel voor bij joodse burgers die tijdens de oorlogsjaren, vaak na ontvangst van een oproep tot deportatie of uit angst voor arrestatie, zelfmoord pleegden of een poging daartoe deden. Namen van de joodse slachtoffers zijn verzameld op de website Joods Monument. Sommige slachtoffers overleefden een zelfmoordpoging maar werden later alsnog vermoord in concentratiekampen als Sobibór.
Sommigen zagen als jood geen toekomst meer en maakten individueel of met hun familie een einde aan hun leven. Schrijver Abel Herzbergs (Kroniek der Jodenvervolging, 1950) noemt degenen die zelfmoord pleegden, mensen "die niet mee wilden gaan met de nieuwe tijd, en liever de oude, die was gestorven, volgden." Het ging bijvoorbeeld om Barend Hartog Knap (1879-1940), die een afscheidsbrief schreef dat hij als jood geen toekomst meer zag.
Politieke tegenstanders Naar aanleiding van de Duitse inval was er ook sprake van zelfmoord onder politieke tegenstanders van het Duitse Nazi-regime. Zo pleegden leden van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) zelfmoord uit wanhoop over de bezetting en/of uit politieke en ideologische ontworteling. Het ging bijvoorbeeld om Bob van Gelderen en Wim Bonger (zie prominente gevallen).
Vluchtpogingen Vele slachtoffers probeerden na de invasie naar Engeland te vluchten. De poging mislukte, waardoor slachtoffers zich opgesloten zouden hebben gevoeld. Het ging bijvoorbeeld om Jacob Keesing (1889-1940) met zijn vrouw en halfzussen en Jozef Wins (1894-1940) met zijn vrouw en kinderen. Jacques Presser beschrijft in zijn boek Ondergang (1965) dat sommigen in een staat van 'berusting' zelfmoord pleegden. Mogelijk had hij het over de poging die hij en zijn vrouw Dé hadden gedaan. Nadat het mislukt was om via IJmuiden te vluchten, probeerden ze ‘in opperste zaligheid’ een einde aan hun leven te maken.
Angst voor deportatie vanaf 1942 Toen in de loop van 1942 de deportaties begonnen, nam het aantal zelfdodingen opnieuw toe. Het ging bijvoorbeeld om oogarts Jacob Pinkhof (1895-1942) met zijn vrouw en kinderen in september 1942, en Leentje Weenen-Löwenstein (1866-1942) overleed in Amsterdam. Zij kwam destijds nog maar zelden buiten, maar heeft waarschijnlijk uit angst en uitzichtloosheid haar huis verlaten om een einde aan haar leven te maken. Bevrijding Leden van de NSB Tussen 1944 en 1947 pleegden minstens 113 leden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) zelfmoord, vaak uit angst voor arrestatie of vergelding. De meeste gevallen vielen samen met de bevrijding van Zuid-Nederland (september 1944) en de Duitse capitulatie (april–mei 1945). Bekende voorbeelden waren Meinoud Rost van Tonningen (1894-1945) en Robert van Genechten (1895-1945).
Canadese bevrijders Na de bevrijding pleegden tientallen Canadese soldaten in Nederland zelfmoord, vaak als gevolg van oorlogstrauma’s, gemis aan psychische hulp en persoonlijke tegenslagen zoals verbroken relaties. Ondanks hun rol als bevrijders kregen deze slachtoffers lange tijd weinig erkenning of plaats in de herdenking.
Cijfers +Zelfmoorden van 1936-1949JaarTotaalJoden1936767gem. 2919377491938833193974519401046257194166137194290124719438551691944653194510111946852194770119486971949674 Volgens onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek bedroeg het aantal zelfdodingen in Nederland in mei 1940 in totaal 388, waarvan 201 joods en 187 niet-joods. 33 personen waren minderjarig, 64 waren alleen toen ze zelfmoord pleegden en 71 waren niet in Nederland geboren. Veel zelfmoorden vonden in de grote steden plaats, waarvan de meeste in Amsterdam (156 gevallen). Dit gebeurde vaak collectief, binnen gezinnen. De meesten stierven door gasverstikking, maar ook schotwonden, overdosis, vergiftiging, ophanging en andere methoden. Ligtenberg beschrijft in zijn boek dat zelfmoorden opvallend vaak in familieverband plaatsvonden en vaders individueel vaker uit het leven stapten dan moeders. Hij omschrijft hoe het onder de druk van de situatie vaak anders liep dan de bedoeling was, waarbij familieleden soms van gedachten veranderden of pogingen mislukten door ingrijpen van anderen. Vanwege het grote aantal meldingen kon de GGD soms pas de volgende dag reageren. Tussen juli 1942 en mei 1943 hield de Joodse Raad een lijst bij van geregistreerde gevallen, maar dit betreft slechts een deel van de gevallen.
Prominente gevallen Verschillende bekende Nederlanders pleegden in mei 1940 zelfmoord of deden een poging daartoe: Huisarts Bob Belinfante (1905-1940, joods (vader)), de broer van dirigent en verzetsheld Frieda Belinfante. Ook zijn zwangere vrouw Marianne Belinfante-Lisser (1902-1944, joods) deed een poging, die ze overleefde. Zij stierf in 1944 aan een hersenbloeding of suïcide, toen zij ondergedoken zat in IJlst. Emanuel Boekman (1889-1940, joods), wethouder van Amsterdam, en zijn vrouw Jansje Boekman-Nerden (1884-1940). Ze hadden hun zelfmoord vermoedelijk samen afgesproken met het gezin van bevriende politicus Bob van Gelderen. Wim Bonger (1876-1940), hoogleraar criminologie en sociologie, stierf in Amsterdam. Bonger was lid van het Comité van waakzaamheid, dat campagne voerde tegen het nationaalsocialisme. Menno ter Braak (1902-1940), schrijver en criticus, zag geen uitweg in het vooruitzicht van bezetting. Hij was in 1936 een van de oprichters van het Comité van waakzaamheid. Louis Fles (1871-1940), schrijver en activist. Bob van Gelderen (1891 -1940, joods), Tweede Kamerlid, koos samen met zijn vrouw Alexandrina van Gelderen-de Vries (1888-1940) en twee kinderen voor de dood, uit protest en wanhoop. Michel Joëls (1881-1940, joods), gemeenteraadslid in Den Haag. Naar aanleiding van zijn dood sprak burgemeester Salomon de Monchy de raad toe over het dreigende nazisme. Robert Leopold (1897-1940), oprichter van uitgeverij Leopold. Paul May (1868-1940, joods), bankier bij Lippmann, Rosenthal & Co., en zijn vrouw Rosine May-Fuld (1871-1940, joods). Zijn broer Robert May (1873-1962) overleefde de poging en de oorlog. Leonard Polak Daniels (1872-1940, joods), joods hoogleraar geneeskunde en farmacologie, rector magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen van 1935 tot 1936. Hij pleegde zelfmoord met zijn vrouw Catharina Polak Daniels-Pleijte (1875-1940, joods). Ze waren de ouders van tuinarchitect Catharina Polak Daniels (1904-1989), die de oorlog overleefde. In zijn afscheidsbrief schrijft Leonard: “Moeder en ik kunnen ons onmogelijk aan Duitschland overgeven.” Historicus Jacques Presser (1899-1970, joodse afkomst) deed samen met zijn vrouw Debora (Dé) Appel (1913-1943), een zelfmoordpoging. Zij belden een arts en overleefden het. Na de oorlog deed Presser uitgebreid onderzoek naar de Jodenvervolging. Zijn vrouw werd betrapt met een vals persoonsbewijs en werd vermoord in Sobibór. Johan Wertheim (1879-1940) en Hendrika Wertheim-van Gelder (1878 -1940), de ouders van hoogleraar sociologie Wim Wertheim en de grootouders van activist Anne-Ruth Wertheim. Zij waren van Joodse afkomst, maar deden niets met het geloof en sloten zich aan bij de remonstrantse kerk om beter te assimileren. In 1917 vluchtten zij uit Rusland, en in 1933 uit Duitsland, vanwege het opkomende antisemitisme. Ook de zus van Johan, Alida (Alice) Wertheim (1887-1940), pleegde zelfmoord.
Publicaties en onderzoek Historici zoals Loe de Jong (Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog), Jacques Presser (Ondergang) en Abel Herzberg (Kroniek der Jodenvervolging) besteedden aandacht aan de zelfmoorden van mei 1940, maar deden dit beperkt.
Een van de eerste systematische onderzoeken verscheen in 1960 van socioloog C.S. Kruijt, die het aantal zelfmoorden in mei 1940 vaststelde op 388, waarvan 201 joodse slachtoffers. Zijn gebruik van termen als ‘zelfmoordgolf’ en ‘-epidemie’ is later overgenomen door andere auteurs.
Lucas Ligtenberg schreef het boek Mij krijgen ze niet levend: de zelfmoorden van mei 1940. Hij vermoedt dat er zo weinig over het onderwerp is geschreven, vanwege het taboe dat er rond zelfmoord bestaat. "Maar het verbaast me wel dat in de 77 jaar sinds mei 1940 nog nooit een historicus dit onderwerp serieus heeft opgepakt."
Daarnaast verrichtten enkele sociologen onderzoek naar het statistisch en sociaal profiel van de zelfdodingen tijdens de gehele bezettingsperiode. Zij kregen toegang tot geanonimiseerde telkaarten van het CBS. De persoonsgegevens blijven echter geheim tot 2040.
Externe links Namenlijst zelfdoding van het Joods Monument Zelfmoordgolf mei 1940 door Netwerk Oorlogsbronnen
Categorie:Tweede Wereldoorlog in Nederland Categorie:Zelfmoord Categorie:Holocaust in Nederland