De Westelijke Liang-dynastie (400-421) was een Chinese dynastie die regeerde over een deel van Noord-China tijdens de periode van de Zestien Koninkrijken (304-439). Toen was dat gebied verdeeld in staten die voor het merendeel door niet-Chinese ruiternomaden waren gevormd. Westelijke Liang vormde hierop een uitzondering, maar werd door Cui Hong (478-525) in zijn Lente- en herfstannalen van de Zestien Koninkrijken desondanks gerekend tot de Zestien Koninkrijken. De keizers van de latere Tang-dynastie (618-907) beweerden rechtstreeks af te stammen van de heersers van Westelijke Liang.
Samenvattend overzicht Westelijke Liang werd in 400 gesticht door de Han-Chinees Li Gao , 351-417), toen hij zich losmaakte van het gezag van Noordelijke Liang (398-439) door de titel "Hertog van Liang" (, Liang gong) aan te nemen. Hij bleef de suzereiniteit van de keizer van de (Oostelijke) Jin-dynastie (317-420) erkennen en wilde de provincie Liang onder zijn gezag verenigen naar het voorbeeld van Vroegere Liang (314-376).
Westelijke Liang omvatte het westelijk deel van de huidige provincie Gansu, het zuidwestelijk deel van Binnen-Mongolië en delen van Xinjiang. De hoofdstad was Dunhuang () en werd in 405 verplaatst naar Jiuquan (). Li Gao stimuleerde landbouw en de handel met de oase-staten in het Tarimbekken en vestigde een school voor het opleiden van regeringsfunctionarissen. Na een langdurige oorlog met de Noordelijke Liang werd Westelijke Liang in 421 door hen veroverd.
Hoewel de staat zelf maar 21 jaar heeft bestaan verkregen veel nakomelingen van Li Gao hoge ambtelijke functies onder de opvolgende dynastieën van de Noordelijke Wei (386-534), Westelijke Wei (534-557), Noordelijke Zhou (557-581) en Sui (581-618). Een van hen, Li Yuan (566-635) was in 618 de stichter van de Tang-dynastie (618-907).
Politieke geschiedenis Vestiging door zich af te scheiden van Noordelijke Liang Li Gao werd in 351 geboren in Didao in Longxi (Lintao in de huidige prefectuur Dingxi in de provincie Gansu). Hij was de postume zoon van Li Chang (, 333-351), die een afstammeling in de 16e generatie zou zijn van Li Guang (, 184–119 v.Chr.), een generaal uit de Westelijke Han-dynastie (206 v.Chr.-9 na Chr.).
In 398 riep Duan Ye (, †401) de onafhankelijkheid uit van Noordelijke Liang (398-439/460). Hij was tot dat moment namens Latere Liang (386-403) gouverneur van het district Jiankang (, het huidige Zhangye, Gansu). Meng Min (), de prefect van Dunhuang (Gansu) droeg zijn gebied over aan Noordelijke Liang. Hij werd hiervoor door Duan Ye benoemd tot gouverneur van Shazhou (沙州刺史, Shazhou cishi). Duan Ye benoemde verder Li Gao tot districtsmagistraat van Xiaogu (, het huidige westelijk deel van Guazhou , Jiuquan in Gansu). Toen Meng Min reeds in 399 overleed werd Li Gao, op voordracht van twee notabelen van Dunhuang, Suo Xiang (, vice-gouverneur van Shazhou) en Guo Qian (, vice-commandant van Dunhuang) en gesteund door zijn (op dat moment aanwezige) halfbroer Song Yao (, 361-na 432) aangewezen als prefect van Dunhuang. Duan Ye accepteerde die keuze in eerste instantie, maar werd door generaal Suo Si (索嗣) gewaarschuwd voor verregaande ambities die Li Gao zou hebben. Suo Si (索嗣) werd door Duan Ye tot prefect van Dunhuang benoemd. Li Gao versloeg hem onmiddellijk na zijn aankomst in Dunhuang en Suo Si trok zich terug naar Jiankang. Li Gao eiste van Duan Ye dat Suo Si wegens zijn beledigende opmerkingen jegens hem zou moeten worden geëxecuteerd. Duan Ye voldeed aan die eis. Later in 400 maakten, op aandringen van Tang Yao (唐瑤), prefect van Jinchang zes districten rond Dunhuang zich los van Noordelijke Liang en kozen Li Gao als hun leider. Hij aanvaardde die positie, nam de titel Liang Gong (, "Hertog van Liang") aan en vormde zo de staat Westelijke Liang.
Li Gao (400-417) thumb|Li Gao (, 351-417). Li Gao vestigde zich in Dunhuang. Zijn vader kreeg van hem de postume titel "Koning Jian" (). Li Gao koos niet voor een eigen jaartitel en ook niet voor het volgen van de kalender van de Jin-dynastie. Tot en met 404 werden gebeurtenissen gedateerd volgens de zestigjarige cyclus van de Chinese dierenriem. Pas in 405 koos hij voor een eigen jaartitel.
Westelijke Liang was op dat moment beperkt van omvang. In 401 trok de Latere Qin-generaal Yao Shuode (姚碩德, †412) met een leger door de Hexicorridor om de regio te onderwerpen. Li Gao verklaarde zich tot vazal van Latere Qin, hij stuurde weliswaar tribuut, maar kon feitelijk onafhankelijk blijven handelen. Li Gao wilde zijn rijk uiteindelijk dezelfde omvang en status geven als Vroegere Liang (314-376)). Hiervoor moest Noordelijke Liang worden verslagen. Om zich daarop voor te bereiden koos hij eerst voor een uitbreiding naar het westen. Dankzij de steun van de plaatselijke Han-aristocratie kon hij zijn grondgebied naar het westen toe vergroten tot aan de Yangguan-pas (). In 401 sloten ook Jiuquan en Liangning (涼寧, noordwestelijk van de huidige stad Yumen) zich bij hem aan. Ter voorbereiding op de campagne in het oosten werd ook de economie versterkt. De landbouw werd bevorderd door de vestiging van militaire boerderijen, de zijdeteelt en de handel met de oase-staten werden gestimuleerd en tussen 403 en 405 werd in Dunhuang een confucianistische opleidingsschool voor ambtenaren gevestigd.
In 405 werd de hoofdstad verplaatst naar Jiuquan, dichter bij de grens met Noordelijke Liang. Tevens stuurde hij Huang Shi () en Liang Xingjian () als gezanten naar Jiankang, de hoofdstad van de Oostelijke Jin met het verzoek hem te erkennen als vazal. Toen daarop geen reactie kwam stuurde hij in 408 een tweede gezantschap, nu onder leiding van de monnik Faquan (), maar formele erkenning volgde pas in 418, toen zijn opvolger Li Xin de titel Liang gong (, "Hertog van Liang") van Jin ontving.
thumb|Positie van Westelijke en Noordelijke Liang in 416. In 406 viel Juqu Mengxun (, r.401-433), heerser van Noordelijke Liang Li Gao aan. Die leed een nederlaag en trok zich terug in zijn hoofdstad Jiuquan. Juqu Mengxun trok daarop ook zijn eigen legers terug. In 410 viel Noordelijke Liang opnieuw aan. Li Gao stuurde zijn zoon, kroonprins Li Xin (, †420) om de aanval af te slaan. Dit mislukte en Li Gao moest zijn gevangen genomen generaal Zhu Yuanhu () met goud en zilver vrijkopen. In 411 volgde een nieuwe aanval, nu onder leiding van de Noordelijke Liang-generaal Juqu Bainian (, †452). Toen zijn leger zich door voedselgebrek moest terugtrekken, werden zij op hun beurt aangevallen en verslagen door Westelijke Liang.
Annexatie door Noordelijke Liang (421) In 417 overleed Li Gao en werd opgevolgd door zijn zoon Li Xin. Hij gaf zijn vader de postume naam "koning Zhaowu van Liang" (, Liang Zhaowu wang) en zijn moeder ontving de titel "koningin-weduwe Yin" (, Yin taihou). Hij benoemde zijn oom Song Yao tot Wuwei jiangjun (, "Wuwei generaal"), Guangxia taishou (, "Gouverneur van Guangxia"), Junzi jijiu (, "militair adviseur") en lusan fushi (, "Optekenaar bij drie ministeries"). In 418 ontving Li Xin van de Jin-keizer als antwoord op het verzoek van zijn vader om erkend te worden als vazal, de titel Liang gong (, "Hertog van Liang"). Volgens de bronnen zou Li Xin verder strenge straffen hebben ingevoerd en een uitvoerig en kostbaar bouwprogramma zijn begonnen.
In 417 probeerde Juqu Mengxun van Noordelijke Liang om Li Xin in een hinderlaag te lokken. Juqu Guangzong (), de gouverneur van Zhangye, de hoofdstad van Noordelijke Liang, deed net of hij wilde overlopen naar Westelijke Liang en verzocht Li Xin om hem te komen ontzetten. Toen Li Xin realiseerde dat het om een hinderlaag ging, keerde hij terug. Hij werd onderweg aangevallen door Juqu Mengxun, maar wist hem te verslaan. Het jaar daarop viel Juqu Mengxun opnieuw aan, maar omdat het niet tot een veldslag kwam trok hij zich weer terug.
thumb|Noord-China in 423, na de annexatie van Westelijke Liang door Noordelijke Liang. In 420 zette Juqu Mengxun een nieuwe hinderlaag op. Hij deed net of hij Haomen ( het huidige Haidong in Qinghai) wilde innemen. Die stad lag in de staat Westelijke Qin. In plaats van aan te vallen, stelde hij zijn legers echter verdekt op in de buurt van zijn hoofdstad Zhangye. Li Xin, van mening dat de hoofdstad nauwelijks nog verdedigd werd, besloot tot een aanval. Hij werd verslagen door Juqu Mengxun, maar in plaats van veilig terug te keren naar zijn eigen hoofdstad viel Li Xin opnieuw aan. Hij werd nogmaals verslagen en verloor daarbij zelfs zijn leven. Het is onduidelijk of Li Xin sneuvelde of door Juqu Mengxun ter dood werd gebracht. De strategische blunder van Li Xin om Juqu Mengxun voor de tweede keer aan te vallen wordt in verband gebracht met schaamte die Li Xin ondervond over zijn eerste nederlaag. Bij terugkeer zou hij zijn moeder, koningin-weduwe Yin onder ogen moeten komen, die hem vóór het begin van de veldtocht uitdrukkelijk had gewaarschuwd om in het geheel niet tot een aanval over te gaan.
Juqu Mengxun trok na zijn overwinning door naar Jiuquan, de hoofdstad van Westelijke Liang en wist de stad in te nemen. Leden van de Li-clan waren al voor de inname naar Dunhuang gevlucht. Daar was Li Xun, een broer van Li Xin gouverneur. Hij nam in de winter van 420 de titels Liangzhou cishi (, "gouverneur van de provincie Liang") en guanjun jiangjun (, "Kampioen generaal") aan. Hoewel zijn rijk niet meer dan de oase Dunhuang omvatte nam hij toch een nieuwe jaartitel aan, Yongjian (), "voor eeuwig opgebouwd". Het leger van de Noordelijke Liang bouwde in 421 tijdens de belegering dijken rondom Dunhuang om het water van de nabijgelegen Dang-rivier (黨河) te blokkeren. Daarna werd het opgehoopte water gecontroleerd losgelaten in de richting van de stad, die hierdoor volledig overstroomde. Een verzoek van Li Xun tot overgave werd afgewezen. Toen zijn ondergeschikten zich daarop toch overgaven door de poorten van de stad te openen, pleegde Li Xun zelfmoord. Westelijke Liang hield zo op te bestaan.
Overzicht van de heersers van Westelijke Liang Titelatuur 400 Hertog van Liang: Li Gao (zelf geproclameerd), Li Xin (418 titel ontvangen van Jin) 420 Gouverneur van de provincie Liang: Li Xu 421 geannexeerd door Noordelijke Liang
Overzicht Persoonsnaam Regeer-periode Postume naam Tempelnaam Jaartitel(s) Li Gao () (351-417) 400-417 (Xi Liang) Zhaowu wang ( koning Zhaowu van (Westelijke) Liang / in 743 Xingsheng huangdi (), keizer Xingsheng (Liang) Taizu () 400-404 werd gedateerd volgens de jaren van de zestigjarige cyclus van de Chinese dierenriem: gengzi 37e jaar, 400 xinchou 38e jaar, 401 renyin 39e jaar, 402 guimao 40e jaar, 403 jiachen 41e jaar, 404 Jianchu (), 405-416 Li Xin () (†420) 417-420 (Xi Liang) Houzhu (), Laatste heerser / Liang gong (() hertog van Liang - Jiaxing (), 417-419 Li Xun () (†421) 420-421 Guanju hou (), markies (hou) van Guanjun! of 冠軍將軍 guanjun jiangjun, kampioen generaal - Yongjian (), 420-421
Historiografische bronnen De belangrijkste Chinese historiografische bronnen voor Xia zijn: Lente- en herfstannalen van de Zestien Koninkrijken (oorspronkelijk uit 528): De verkorte reconstructie uit 938: juan 8. De reconstructie uit 1585 in de herziene versie uit 1781: juan 91-93. Boek van de Wei uit 554: juan 99. Boek van de Jin uit 648: juan 87. Zizhi tongjian (Doorlopende spiegel tot hulp bij het bestuur) uit 1084: juan 111-119.
Geraadpleegde literatuur Corradini, Piero, 'The Barbarian States in North China' in: Central Asiatic Journal, 50 (2006), pp.163-232. Hier met name: p.220. Declercq, Dominik, A Prince of Martial Splendour in the Sixteen Kingdoms. Li Hao (351-417), Ruler of Western Liang, Leiden/Boston (Brill) 2025, , 208 pp. (Sinica Leidensia, 71), passim. Franke, Otto, Geschichte des chinesischen Reiches. Eine Darstellung seiner Entstehung, seines Wesens und seiner Entwicklung bis zur neuesten Zeit, Berlijn (Walter de Gruyter) 2001, (oorspronkelijke uitgave 1936) . Band 2 Der konfuzianische Staat I. Der Aufstieg zur Weltmacht. Hier met name: pp.114-115, pp.187-188.