Eric Heinze (1961) is hoogleraar recht en geesteswetenschappen aan de School of Law Queen Mary van de Universiteit van Londen. Hij heeft bijgedragen op het gebied van rechtsfilosofie, rechtvaardigheidstheorie, jurisprudentie en mensenrechten. Hij heeft ook bijgedragen aan de beweging voor recht en literatuur.
Sociale en juridische theorie In Coming Clean: The Rise of Critical Theory and the Future of the Left betoogt Eric Heinze dat politieke progressieven hebben aangedrongen op kritische inzichten in de westerse geschiedenis, maar er niet in zijn geslaagd om dezelfde kritische methoden toe te passen op de eigen geschiedenis van links. In een interview op National Public Radio betoogde Heinze dat het niet zijn doel was om links te 'definiëren', maar om 'dominante stromingen' te benoemen die de linkse politiek en het activisme hebben aangedreven. In The New York Post schreef hij dat links haar zogenaamde 'geheugenpolitiek' moet veranderen. Een columnist van de Irish Times vroeg zich af of Heinze kon worden beschuldigd van Whataboutery, door de nadruk te leggen op linkse wandaden en daarme de aandacht af te leiden van die aan de rechterzijde. Volgens een recensie in de Deense krant Berlingske betoogt Heinze niet dat ‘progressieven moeten stoppen met het bedrijven van kritische theorie, of diversiteitsbeleid, queertheorie of feminisme moeten afschaffen’, maar dat ze ‘een nieuwe benadering nodig hebben’.
In Het concept van onrecht onderzoekt Heinze wat hij de 'klassieke' benadering van de rechtvaardigheidstheorie noemt, van Plato tot Rawls. Volgens Heinze gaan klassieke rechtvaardigheidstheoretici uit van de notie van 'onrecht', gebaseerd op de ogenschijnlijk vanzelfsprekende aanname dat ‘rechtvaardigheid’ en ‘onrecht’ logische tegenpolen zijn. Voor Heinze is 'onrecht' in zowel oude als moderne westerse talen louter een etymologisch toeval. ‘Rechtvaardigheid’ en ‘onrecht’ verschijnen inderdaad als tegenpolen binnen conventionele, reeds vooraf gedefinieerde contexten waarin bepaalde normen onkritisch worden aangenomen. Zonder deze aannames blijkt de relatie tussen beide begrippen echter aanzienlijk complexer.
Om die terugkerende fout te boven te komen, stelt Heinze een concept van 'post-klassieke' rechtvaardigheidstheorie voor, geïllustreerd aan de hand van literaire teksten. Dat project bouwt voort op Heinzes eerdere publicaties in Law & Literature. In een artikel in het tijdschrift Law & Critique Adrian Howe, A 'Right to Passions'? Compassion's Sexed Asymmetry and a Minor Comedy of Errors, Law & Critique (2012), vol 23, pp 83-102. onderzoekt de feministische wetenschapper Adrian Howe hoe Heinze binnen de kritische theorie heeft vernieuw door alternatieve interpretaties van William Shakespeare aan te reiken. Aan de hand van het voorbeeld van The Comedy of Errors legt Howe uit hoe wetenschappers tot ver in de 20e eeuw vaak dachten dat Shakespeare niet zou hebben geprobeerd een serieuze sociaal-juridische kritiek tot uiting te brengen in een ogenschijnlijk luchtig toneelstuk. Heinze, aldus Howe, onthult een "reeks sociaal-juridische dualismen: meester-dienaar, echtgenoot-vrouw, inheemse-vreemdeling, ouder-kind, monarch-parlement, koper-verkoper. Volgens [Heinze] gebruikt The Comedy de concepten ‘komedie’ en ‘fout’ om problematische sociaal-juridische verhoudingen te belichten, gebaseerd op traditionele maar veranderende modellen van overheersing en ondergeschiktheid.Adrian Howe, A 'Right to Passions'? Compassion's Sexed Asymmetry and a Minor Comedy of Errors, Law & Critique (2012), vol 23, p.98 Howe voegt eraan toe dat, volgens Heinzes lezing, "het het standpunt van de bevoorrechte man is dat in het stuk ter discussie wordt gesteld."Adrian Howe, A 'Right to Passions'? Compassion's Sexed Asymmetry and a Minor Comedy of Errors, Law & Critique (2012), vol 23, p.99 In The Concept of Injustice werkt Heinze deze thema's verder uit. Hij bespreekt klassieke theorieën van rechtvaardigheid, van Plato tot Rawls, en stelt vraagtekens bij hun veronderstelling van een ogenschijnlijk logische tegenstelling tussen 'rechtvaardigheid' en 'onrechtvaardigheid'.
Vrijheid van meningsuiting Op het gebied van de mensenrechten heeft Heinze herhaaldelijk kritiek geuit op de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting in Europa, met name de zogenoemde "haatzaaiende” verboden. Heinze betoogt dat een moderne democratie effectievere en legitiemere manieren heeft om sociale intolerantie te bestrijden, zonder de uitingsvrijheid in de publieke sfeer te hoeven inperken.Kay Goodall, Human Rights Pitted Against Man (II) - A Response, International Journal of Human Rights, 14(7), 2010, 1165-1184 Volgens de expert op het gebied van de vrijheid van meningsuiting Eric Barendt wijst Heinze daarnaast op verdere inconsistenties in de haatzaaiwetgeving. Barendt schrijft dat de verboden, volgens Heinze, "vaak gerechtvaardigd worden als noodzakelijk om discriminatie tegen de beoogde raciale of andere groepen te voorkomen. Maar in feite discrimineren ze zelf tussen de groepen die beschermd worden door wetten op haatzaaien ( raciale, etnische, religieuze groepen en homo's ) en degenen die onbeschermd blijven (andere culturele groepen, lichamelijk en geestelijk gehandicapten, transseksuelen )."Eric Barendt, Religious Hatred Laws: Protecting Groups or Belief?, Res Publica (2011), vol 17, pp 41-53.
In zijn boek Hate Speech and Democratic Citizenship bespreekt Heinze de voortdurende debatten over de legaliteit van gevaarlijke, provocerende of aanstootgevende uitlatingen. Hij erkent dat sommige democratieën instabiel genoeg kunnen zijn om beperkingen noodzakelijk te maken, maar een democratie die een duidelijke drempel heeft overschreden om te worden wat Heinze een 'langdurige, stabiele en welvarende democratie' (LSPD) noemt kan meningsuiting alleen legitiem worden beperkt op basis van de inhoud (‘selectieve standpunten’), en dan uitsluitend binnen onafhankelijk toetsbare criteria van een uitzonderingssituatie die neerkomt op een nationale veiligheidsnoodsituatie.
Heinze erkent dat haatzaaiende taal tot geweld heeft geleid in Rwanda, de Duitse Weimarrepubliek, het Joegoslavië vlak na de Koude Oorlog en andere zwakkere democratieën. Geen van deze, merkt Heinze op, was een LSPD. Volwaardige democratieën daarentegen hebben legitiemere en effectievere manieren om geweld en discriminatie te bestrijden zonder dat ze personen hoeven te straffen die provocerende opvattingen hebben. ‘Centraal in het LSPD-model’, aldus Lesley Abdela, ‘is dat westerse democratische staten morele en symbolische standpunten hebben ingenomen - niet altijd perfect of zonder tegenstrijdigheden - maar zeker op manieren die verder gaan dan louter lippendienst. Maatregelen zoals antidiscriminatiewetten, pluralistisch onderwijs, en verboden op individueel gerichte stalking, intimidatie of beledigend taalgebruik, geven uitdrukking aan de morele en symbolische boodschap van de staat tegen intolerantie en geweld.'
In The Most Human Right: Why Free Speech Is Everything betoogt Heinze dat internationaal erkende mensenrechten deels zijn uitgehold door institutionele tekortkomingen in het onderscheiden van mensenrechten en menselijke waarden/goederen. Heinze stelt dat veel tradities door de geschiedenis heen essentiële menselijke waarden hebben erkend. Als mensenrechten werkelijk een eigen rol moeten vervullen, moeten ze méér betekenen dan enkel een herhaling van die waarden. Heinze stelt, op basis van een analyse van het rechtsbegrip, dat menselijke waarden pas via vrije meningsuiting kunnen uitgroeien tot echte mensenrechten, wat tot de verdere conclusie leidt dat het concept van mensenrechten buiten een democratisch kader geen betekenis heeft - en op zijn best terugvalt op het concept van menselijke waarden.
In zijn vaste 'Unthinkable'-rubriek in The Irish Times vat columnist Joe Humphreys het argument van Heinze als volgt samen: “Als er geen voldoende democratische omgeving bestaat, dan is dat wat je als een ‘recht’ ziet slechts een ‘goed’: iets wenselijks dat een regering al dan niet zou kunnen bieden.” In een recensie van het boek op de Zweedse website Dixicon merkt de internationale mensenrechtenexpert Hans Ingvar Roth op: “Het is ook geen toeval dat veel autoritaire leiders zich door de geschiedenis heen steeds eerst op juist dat recht richtten, vóór ze ook andere rechten begonnen aan te tasten.”
Seksualiteit