De Noordelijke Liang-dynastie (398-439/460) was een niet-Chinese dynastie die regeerde over een deel van Noord-China tijdens de periode van de Zestien Koninkrijken (304-439). Toen was dat gebied verdeeld in staten die voor het merendeel door niet-Chinese ruiternomaden waren gevormd. Het land groeide uiteindelijk uit tot een belangrijke mogendheid in de Hexicorridor en was tegelijkertijd een centrum van boeddhistische geleerdheid. Noordelijke Liang was volgens Cui Hong (478-525) in zijn Lente- en herfstannalen van de Zestien Koninkrijken het laatst overgebleven zelfstandig koninkrijk toen het in 439 werd veroverd door de Noordelijke Wei. Wel bleef tot 460 in Gaochang, in het uiterste westen van de voormalige staat nog een rompstaat van Noordelijke Liang bestaan.
Samenvattend overzicht Noordelijke Liang ontstond als gevolg van een opstand gericht tegen Latere Liang (386-403), die was begonnen door Juqu Mengxun (沮渠蒙遜, 368–433) en waar districtsgouverneur Duan Ye (段業, †401) zich bij aansloot. Die riep in 398 de onafhankelijkheid uit van Noordelijke Liang. Al in 400 kreeg de nieuwe staat te maken met een zware tegenslag toen Li Gao (李暠, 351-417) zich losmaakte van het gezag van Noordelijke Liang en in Dunhuang (westelijk Gansu) zijn eigen staat Westelijke Liang (400-421) stichtte.
In 401 nam Juqu Mengxun de macht over van Duan Ye, hij regeerde tot 433 en werd de belangrijkste heerser van Noordelijke Liang. Juqu Mengxun behoorde tot de Lushuihu (盧水胡, de "Nomaden van de Lu-rivier"), waarschijnlijk verwant met de Xiongnu. Hij veroverde in 411 Guzang (姑臧, het huidige Wuwei in Gansu), toen de hoofdstad van Zuidelijke Liang (397-414), annexeerde in 421 de Westelijke Liang en maakte praktisch een einde aan de Westelijke Qin (385-431). Daarmee had Noordelijke Liang de grootste omvang bereikt en omvatte de staat het huidige Qinghai, Ningxia, westelijk Gansu en delen van Xinjiang.
In 439 veroverden de Noordelijke Wei (386-534) de hoofdstad Guzang en gaf de laatste heerser van Noordelijke Liang zich aan hen over. Twee van zijn broers vluchtten naar het westen en vestigden in Gaochang een voortzetting van de Noordelijke Liang. Dit Beiliang Gaochang (北涼高昌) bestond van 442 tot 460, toen de staat werd veroverd door de stammenconfederatie van de Rouran en de leden van de Juqu-clan door hen werden omgebracht.
Noordelijke Liang was een centrum van boeddhistische geleerdheid en van vroomheid. De boeddhistische monnik en belangrijke vertaler Dharmakṣema (385-433) was vanaf 420/421 werkzaam in de hoofdstad Guzang. Ook is er onder de Noordelijke Liang een begin gemaakt met de constructie van boeddhistische tempelgrotten, waarvan de Tiantishan-grotten (天梯山石窟) en het op de Werelderfgoedlijst geplaatste complex van de Mogaogrotten de bekendste zijn.
Politieke geschiedenis Voorgeschiedenis Juqu Menxun (沮渠蒙遜), de feitelijke stichter van Noordelijke Liang, werd geboren in 368 in het district Linsong (臨松郡, het huidige district Minle (民樂县) in Zhangye, Gansu). Hij behoorde tot de Lushuihu (盧水胡, "nomaden van de Lu-rivier"), mogelijk een tak van de Xiongnu. Zijn voorouders waren zuo juqu (左沮渠 "linker juqu") in dienst van de Chanyu (單于), de hoogste leider van de Xiongnu. De inhoud van de functie juqu was onbekend, wel werd de functienaam sindsdien gebruikt als clannaam.
Zijn grootvader, (Juqu) Qifuyan (沮渠祁復延, fl. 340-370) ontving, mogelijk van Zhang Zuo (張祚, r.353-355), heerser van Vroegere Liang (314-376), de titel "Prins van Beidi" (北地王). Zijn vader, (Juqu) Fahong (沮渠法弘) erfde de titel. Toen Fu Jian (r.357-385) van Vroegere Qin (351-395) in 376 Vroegere Liang veroverde, kwam Fahong in dienst bij een functionaris van Vroegere Qin, de "Vice-commandant van Zhongtian" (中田護軍, Zhongtian hujun). Na de dood van Fahong (mogelijk kort voor 400?) nam Juqu Menxun de leiding van de militie (部曲, buqu) van zijn vader over.
Juqu Mengxun kwam in 396 als (zelfvoorzienende, 箱直 xiangzhi) garnizoenscommandant in dienst bij Lü Guang (呂光, 337-399/400), stichter van de staat Latere Liang. Ook twee van zijn ooms, Juqu Luochou () en Juqu Quzhou ( waren in dienst van Latere Liang, elk met hun eigen cavalerie. Zij namen in 397 deel aan een veldtocht tegen Westelijke Qin (385-431) onder leiding van Lü Yan (), een broer van heerser Lü Guang. Zijn leger werd verslagen en Lü Yan sneuvelde. Juqu Luochou en Juqu Quzhou werden door Lü Guang verantwoordelijk gehouden voor de nederlaag en ter dood gebracht. Hun dood was voor hun neef, Juqu Mengxun aanleiding om een opstand onder de Lushuihu te beginnen die was gericht tegen Latere Liang. Lü Guang stuurde zijn zoon Lü Zuan () op hem af. Terwijl die Juqu Mengxun tot in de bergen achtervolgde, belegerde zijn neef, Juqu Nancheng () de bestuurszetel van het district Jiankang (, het huidige Zhangye, Gansu) en onderdeel van Latere Liang. De aldaar aanwezige gouverneur van dat district, Duan Ye (, †401) sloot zich aan bij de opstand en riep in 397 de onafhankelijkheid uit van Noordelijke Liang. Lü Zuan werd gedwongen zijn strijd te staken toen ook in Guzang, de hoofdstad van Latere Liang een opstand uitbrak.
Duan Ye (397-401) Consolidatie Duan Ye verklaarde zich in 397 na zich te hebben aangesloten bij de opstand tot "Gouverneur van de provincie Liang" (涼州牧, Liang zhou mu) en "Hertog van Jiankang" (建康公, Jiankang gong). Ook nam hij zijn eigen jaartitel aan, Shenxi (神璽, 397–399). Juqu Nancheng werd benoemd tot fuguo jiangjun (輔國將軍, "bolwerk-generaal van de staat") en prefect (太守, taishou) van Jiuquan, Juqu Mengxun werd "Zhenxi-generaal" (鎮西將軍, Zhenxi jiangjun) en prefect van Zhangye. Feitelijk beheersten beiden alle staats- en militaire zaken, de heerschappij van Duan Ye was eerder nominaal van aard. Juqu Mengxun wist het gebied van Noordelijke Liang fors uit te breiden ten koste van Latere Liang. Al het gebied ten noordwesten van Jiankang gaf zich aan hem over. Ten zuidwesten van Zhangye werd Guzang, de hoofdstad van Latere Liang genaderd tot op 100 kilometer. Duan Ye verplaatste zijn residentie van Jiankang naar Zhangye.
Relatie met Latere Liang en Zuidelijke Liang In 399 nam Duan Ye de prestigieuzere titel "Koning van Liang" aan (涼王, Liang wang) en veranderde zijn jaartitel in Tianxi (天璽, 399-401). Juqu Mengxun werd benoemd tot zijn linkerkanselier (尚書左丞, shangshu zuocheng) en de functionaris Liang Zhongyong (梁中庸) tot zijn rechterkanselier (尚書右丞, shangshu youcheng). Latere Liang reageerde op de titelaanname met een aanval op Noordelijke Liang, geleid door kroonprins Lü Shao (呂紹) en zijn broer Lü Zuan (呂纂). Duan Ye vroeg ondersteuning aan Tufa Wugu (r.397-399), heerser van Zuidelijke Liang. Die stuurde zijn broer Tufa Lilugu en generaal Yang Gui (楊軌). Een door Duan Ye gewenste gecombineerde tegenaanval werd tegengehouden door Juqu Mengxun. Die wilde zich beperken tot een verdediging van de hoofdstad. Uiteindelijk trokken de troepen van Latere Liang zich terug. In 400 volgde een nieuwe aanval, waarbij Lü Zuan (sinds 399 heerser van Latere Liang) Zhangye, de hoofdstad van Noordelijke Liang belegerde. Zuidelijke Liang reageerde daarop door Guzang, de hoofdstad van Latere Liang aan te vallen. Onder leiding van Tufa Rutan werd die stad geplunderd en 8000 families werden naar Zuidelijke Liang gedeporteerd. Lü Zuan werd zo gedwongen zich uit Noordelijke Liang terug te trekken.
Afscheiding van Westelijke Liang thumb|Noord-China in 402, na de afsplitsing van Westelijke Liang van Noordelijke Liang in 400 en de annexatie van Latere Liang door Latere Qin in 403. Toen Duan Ye in 397 de onafhankelijkheid van Noordelijke Liang had uitgeroepen, koos Meng Min (), de door Latere Liang benoemde prefect van Dunhuang zijn zijde. Hij werd hiervoor door Duan Ye benoemd tot gouverneur van Shazhou (沙州刺史, Shazhou cishi, Dunhuang). Duan Ye benoemde verder Li Gao (李暠, 351-417), tot districtsmagistraat van Xiaogu (, het huidige westelijk deel van Guazhou , Jiuquan in Gansu). Toen Meng Min reeds in 399 overleed werd Li Gao, op voordracht van notabelen uit Dunhuang aangewezen als nieuwe prefect van Dunhuang. Duan Ye accepteerde dit voorstel in eerste instantie, maar benoemde later zijn generaal Suo Si (索嗣) tot prefect van Dunhuang. Die had hem gewaarschuwd voor eventuele hogere ambities van Li Gao. Toen Suo Si bij aankomst in Dunhuang door een legermacht onder leiding van Li Gao werd verslagen, vluchtte hij terug naar Jiankang. Li Gao eiste van Duan Ye dat Suo Si wegens zijn beledigende opmerkingen over hem als trouwe medewerker (sic!), zou worden geëxecuteerd. Op aanraden van Juqu Nancheng, die Suo Si niet vertrouwde, liet Duan Ye zijn generaal terechtstellen. Desondanks maakten later in 400 zes districten rond Dunhuang zich los van Noordelijke Liang en kozen Li Gao als hun leider. Hij nam de titel Liang Gong (, "Hertog van Liang") aan en vormde zo zijn eigen staat Westelijke Liang. Noordelijke Liang raakte door deze afscheiding een groot deel van zijn westelijk grondgebied kwijt.
Machtsovername door Juqu Mengxun In de loop van 401 verslechterde de relatie tussen Juqu Mengxun en Duan Ye zodanig dat Duan Ye zijn kanselier Juqu Mengxun ontsloeg en verving door Ma Quan (馬權). Juqu Mengxun begon een lastercampagne tegen Ma Quan die leidde tot de executie van Ma Quan door Duan Ye. Een poging van Juqu Mengxun om Juqu Nancheng op te zetten tegen Duan Ye mislukte omdat Juqu Nancheng weigerde daaraan mee te werken. Juqu Mengxun liet vervolgens via zijn ambtenaar Xu Xian (許咸) het gerucht verspreiden dat Juqu Nancheng van plan was Duan Ye te doden. Toen Duan Ye hiervan hoorde liet hij ook Juqu Nancheng terechtstellen. Juqu Mengxun gebruikte die executie vervolgens als aanleiding om een opstand tegen Duan Ye te beginnen. Zijn troepen belegerden Zhangye en wisten de stad in te nemen. Duan Ye werd ter dood gebracht en Juqu Mengxun nam zijn positie over. De laatste nog overgebleven naaste medewerker van Duan Ye, de rechterkanselier Liang Zhongyong liep in 403 over naar de rivaliserende staat Westelijke Liang.
Volgens de historische bronnen was Duan Ye oorspronkelijk een deugdzame en gerespecteerde confucianistische geleerde, die per toeval op de troon kwam. Hij miste politiek inzicht, was niet in staat zijn ondergeschikten te sturen en vertrouwde bij zijn beslissingen veel op waarzeggerij en tovenarij.
Juqu Mengxun (401-433) Relaties met omringende staten Toen Juqu Mengxun de macht overnam, was Noordelijke Liang omringd door vijandelijke staten, Latere Liang, Zuidelijke Liang, Westelijke Liang, Latere Qin en vanaf 408 Westelijke Qin. Door een combinatie van diplomatie en militair ingrijpen wist Juqu Mengxun zijn positie ten opzichte van die andere staten systematich te versterken.
Relatie met Latere Liang Latere Liang werd in de zomer van 401 aangevallen door Yao Shuode (姚碩德), een generaal van Latere Qin. Na een beleg van de hoofdstad Guzang dwong hij Lü Long (r.401-403), de laatste heerser van Latere Liang, om een vazal van Yao Xing, heerser van Latere Qin te worden. In 402 viel Juqu Mengxun Guzang aan, waar op dat moment hongersnood heerste. Lü Long kreeg voor die strijd tegen Juqu Mengxun ondersteuning van troepen uit Zuidelijke Liang, maar wist Juqu Mengxun nog voor hun aankomst op eigen kracht te verslaan. Desondanks was de situatie in 403 in Guzang zo nijpend geworden, dat Lü Long besloot Latere Liang volledig over te dragen aan Yao Xing en kon Qi Nan (齊難), generaal van Latere Qin, zonder strijd Guzang bezetten.
Vazal van Latere Qin