Johannes Hendrik Kop (Jan) (Djatiroto (Nederlands-Indië), 4 juni 1930 - Leersum, 30 december 2019) was een Nederlands waterbouwkundige (drinkwater- en irrigatie-expert) die veel werk heeft verricht in Indonesië.
Jeugd Hij was de zoon van August Johannes Kop (laborant bij de toen opgerichte gloednieuwe suikerfabriek Goenoeng Sari (“Bloemenheuvel”) op Oost-Java en Maria Elisabeth (Bep) van Bremen. Zijn ouders trouwden op 26 maart 1929 in Haarlem. Na zijn geboorte kreeg zijn vader een baan bij de Rubber Cultuur Maatschappij Amsterdam (RCMA). Eerst 2 jaar als planter en later als hoofd van het laboratorium op de rubberonderneming Liberta (thans Sungai Mankei) op Sumatra’s Oostkust (Deli). In zijn jeugd heeft Jan Kop dus een groot deel van Indonesië gezien.
In de oorlog werd Jan met zijn moeder en zusje geïnterneerd in het Dokter Fonds ziekenhuis in Pematang Siantar. Ze werden op 22 december 1942 overgebracht naar interneringskamp Brastagi.
Zijn vader heeft de oorlog niet overleefd. Jan trouwde na de oorlog met Hillegonda Frieling.
Bedrijfsleven
FAO en Grontmij miniatuur|Ganges-Kobadak Irrigation Project Hij studeerde in 1957 af in civiele techniek (irrigatie en waterkracht) in Delft. Hij begon in 1957 als FAO-assistent-deskundige in Oost-Pakistan (Bangladesh) aan het Multipurpose Ganges-Kobadak Project. Er was in die tijd bij de UN-organisaties, waaronder de FAO, een grote vraag naar ingenieurswetenschappelijke kennis van tropische irrigatie. Door de onafhankelijkheid van Indonesië waren veel goed opgeleide ingenieurs uit Indonesië vertrokken en kwamen daardoor op belangrijke posities binnen de UN terecht. Het Ganges-Kobadak Project was al in 1954 door de Pakistaanse overheid goedgekeurd, maar pas in 1956 werd er echt aan begonnen. Fase I van dit project bestond uit de aanleg van een toevoerkanaal (het Kushtia Main canal) en een gemaal om water op te pompen vanuit de Ganges in dat kanaal. Dit kanaal en gemaal bij de Hardingebrug werd operationeel in 1969.
Kop ging in 1961 werken voor het adviesbureau Grontmij waar hij werkte tot 1980 aan tal van projecten, waaronder het Masterplan voor Drainage en Overstroming van Jakarta uit 1973. Dit project werd door de Nederlandse omwikkelingssamenwering gefinancierd en uitgevoerd door Nedeco.
In Nederland heeft hij bij de Grontmij een drijvende waterzuiveraar ontwikkeld.
VEWIN Van 1980 tot 1984 was hij hoofd van het Planbureau van de Vewin.
TU Delft In november 1984 werd hij benoemd tot hoogleraar civiele gezondheidstechniek (=drinkwater en afvalwaterbehandeling) aan de faculteit Civiele Techniek in Delft. Hij aanvaardde die functie met de rede "Zorgen voor en om water". In 1993 nam hij afscheid met de rede "Gezondheidstechniek, een duurzame uitdaging". Ook tijdens zijn professoraat in Delft heeft hij veel aandacht houden voor ontwikkelingslanden, Zo propageerde hij dat de Delftse Kennis in Bangladesh gebruikt moest worden om overstromingsrampen tegen te gaan.
Pensioen Hij ging met pensioen in 1993. Na zijn pensionering heeft zijn zijn belangstelling voor werken in ontwikkelingslanden weer opgepakt. Samen met Wim Ravesteijn schreef en redigeerde hij vier boeken over openbare werken met een ‘Nederlandse handtekening’ in Nederlands-Indië.
Jan Kop heeft een belangrijke rol gespeeld in de bedrijfstak drinkwater, en voor het internationale ingenieursvak (met speciale liefde voor Indonesië en Bangladesh, en een van de weinige Nederlandse ‘Fellows’ van het Institution of Civil Engineers uit het Verenigd Koninkrijk).
Categorie:Waterbouwkundige in Nederlands-Indië Categorie:Nederlands waterbouwkundige