Beauford Delaney (Knoxville (Tennessee), 30 december 1901 - Parijs, 26 maart 1979) was een Amerikaans kunstschilder.

Zijn eerste artistieke bloei bereikte hij in New York, te midden van de Harlem Renaissance. Op zijn 52ste, vertrok hij naar Parijs, waar hij een van de bekendste kunstenaars van de Afro-Amerikaanse diaspora werd. In zijn jonge jaren werd hij geplaagd door neerslachtige buien en hij worstelde met zijn homoseksuele geaardheid. Zijn leven eindigde in materieel en psychisch verval en na zijn dood verdween hij haast uit het blikveld van de kunstkenners. Begin 21ste eeuw kent zijn werk een vernieuwde waardering.

Levensloop Eerste jaren Delaney was het achtste kind in een zwart, conservatief christelijk gezin van tien; slechts vier brachten het tot volwassenheid. Zijn moeder Delia Johnson (1865-1958) was nog in slavernij geboren en bleef ongeletterd maar was een sterke persoonlijkheid.Beauford heeft haar enkele keren geschilderd. Op het bekendste (postume) portret uit 1964, in een gelige olieverf, kijkt ze ons, als een toonbeeld van rust, haast recht in de ogen – alsof de auteur wilde zeggen ‘al heb ik haar sinds jaren niet meer gezien, haar aanblik zal ik nooit vergeten’. Het portret is afgebeeld op de site van het Ogden Museum of Southern Art, New Orleans – waar het in 2022 deel uitmaakte van de expo Be Your Wonderful Self, zie https://ogdenmuseum.org/exhibition/be-your-wonderful-self/beauford-delaney-1901-1979-mothers-portrait-aka-portrait-of-delia-delaney-1964/, bezocht 10/8/2022. Een eerder portret (1933) is afgebeeld op https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2017/07/beauford-in-psychology-and-art-part-3.html, bezocht 15/8/2025 Zij werkte als was- en poetsvrouw. Zijn vader was kapper, maar tegelijk ook (onbezoldigd) predikant in een methodistische kerk. Knoxville was een typisch zuidelijke, gesegregeerde stad, die weinig kansen bood aan zwarte jongeren om in voorspoed op te groeien, laat staan om een culturele bagage op te bouwen.

Toch was dat de voornaamste belangstelling die Beauford met zijn jongere broer Joseph gemeen had en die in de (toen uitsluitend voor zwarte kinderen bestemde) Austin High School ook aangemoedigd werd.

De eigenaar van een winkel waar Beauford, een tiener nog, nu en dan als schoenpoetser werkte, trof toevallig diens schetsboek aan. Hij vond de tekeningen zo goed, dat hij een schilderij - meer bepaald een zeegezicht - bij hem bestelde. Hij zorgde voor doek en schildermaterieel. Beauford had nog nooit de zee gezien, en al evenmin met olie gewerkt. Maar toch kwam er een hoogst individuele marine uit de verf. De opdrachtgever was zo tevreden dat hij Beauford voorstelde aan Lloyd Branson, een Knoxvillese kunstenaar. Branson zag ook wat in de jongen en nam hem in de leer in ruil voor een aantal klusjes. Amazing Grace, p 14.

Branson scherpte hem vooral de kracht van het licht in, voor hem de essentie van elk schilderij, een bekend leerstuk van de impressionistische school en een dat Beauford nooit zou vergeten.

In 1919 overleed zijn vader en wat later werd Knoxville het toneel van ernstige rassenrellen. Beauford besloot dat het beter was een ander oord op te zoeken. Zijn moeder overleed pas in 1958 maar heeft hem slechts één keer teruggezien. Zelfs haar begrafenis heeft hij niet kunnen bijwonen. Amazing Grace, 138

Boston (1923-29) Branson gaf Beauford introductiebrieven mee om in het noordelijke, liberale Boston kunsten te gaan studeren aan verschillende instellingen. Altijd informeel, als vrij student, want hij werkte ’s nachts als portier en kon de inschrijvingsgelden niet betalen. Een diploma heeft hij dan ook nooit behaald. Hij concentreerde zich op de basisvaardigheden van het schilderen en de portretkunst.

In Boston maakte hij kennis met het zwarte activisme voor burgerrechten. Ook ontmoette hij de liberale blanken van de Boston radicals, van wie hij geregeld steun ondervond. Hij leefde er als het ware in drie werelden: die van de welopgevoede zwarte die toegang had tot de artistieke en literaire salons van de (welwillende) blanken, die van de zwarte armen in gore pensions en slecht betaalde nachtelijke arbeid en ten slotte de verboden ontmoetingen van zijn ontluikende homoseksualiteit – die botste met zijn Bijbelse opvoeding, de wet en een maatschappelijk taboe.Paris Noir, blz 240 Die drie werelden woelden in zijn innerlijk en de eerste tekenen van tegenstrijdige ‘stemmen’ in zijn hoofd doken op. Hij kon anderen wel opvrolijken met vlotte praatjes, muziek en grimassen – hij werd algemeen als een aimabele jongen gezien - maar zelf ervoer hij zich als ‘anders’.Amazing Grace, p 27

New York en de eerste creatieve periode Lente 1929 verkaste hij naar New York, aangetrokken door de reputatie als wereldcentrum van hedendaagse kunst, en door de Harlem Renaissance, die kansen bood voor zwarte muzikanten en kunstenaars allerhande – hoopte hij. Helaas, bij zijn aankomst in New York had de grote economische depressie net toegeslagen.

Delaneys eerste kennismaking was ontnuchterend. Hij trok meteen naar Harlem, waar de meeste zwarte New Yorkers woonden, werd er door een huisjesmelkster opgelicht en bestolen en belandde blut aan Union Square Park, ging er uitgeput op een bank zitten en keek om zich heen: “ik kwam er snel achter dat de meeste van deze mensen niets omhanden hadden en precies deden wat ik deed: zitten denken hoe ze aan eten zouden komen en waar ze de nacht zouden doorbrengen.”citaat uit zijn dagboeknotities, zoals weergegeven in Amazing Grace, p32. Het dagboek is niet uitgegeven maar wordt uitvoerig aangehaald in de biografie Delaney zag er zwarte sneeuw. Toch ervoer hij er een directe camaraderie met deze lotgenoten “of all races”, berooid, maar ook “seeming very much in a good mood” (die overigens erg goedgeluimd leken). In de eerste jaren ’30 vervulde Delaney allerlei kleine baantjes, daarnaast verkocht hij op de markt sneltekeningen, en schetste hij dansers en muzikanten in de vele jazzclubs die Harlem rijk was.

Daar verdiende hij wat mee en zo kwam hij via via in contact met de Whitney studio Galleries in Greenwich Village - de voorloper van het Whitney Museum of American Art. De curatrice nodigde hem uit werk aan te leveren voor een groepstentoonstelling in februari-maart 1930 van “autodidactische zondagsschilders”. Maar Beauford had een hele portefeuille samengesteld voor de expositie. Het was de eerste tentoonstelling waaraan hij deelnam, en het leverde hem enkele krantenartikelen op. Hij werd ook een tijdje inwonend conciërge en duvelstoejager van de Whitney Studio’s, waardoor hij tal van mensen uit de kunstscene leerde kennen.

Intussen was ook zijn broer Joseph in New York aangekomen. Ze trokken soms samen op maar de relatie was ongemakkelijk – Joseph probeerde een burgerlijk leven op te bouwen, Beauford was daar, alleen al door zijn homoseksualiteit (hij werd minstens één keer toegetakeld door homohaters), maar ook zijn wankele gemoedstoestand, niet toe geneigd. Hoewel hij eigenlijk niet te klagen had over de receptie van zijn werk in media- en kunstenaarskringen, bleef hij toch aan de onderrand van de roem en de samenleving hangen. Ook in zijn meest welvarende Greene street-periode, naar de straat waar hij een tijd een studio hadin SoHo, net buiten de Village; zie het kleurrijke schilderij Greene street uit 1946 op https://www.villagepreservation.org/2020/02/18/beauford-delaney-harlem-renaissance-abstract-painter/ bezocht 15/8/2025, was hij bekend, maar niet in wijde kring; niet ongeliefd maar niet hoog genoteerd bij verzamelaars. Een zwarte kunstenaar? Geen veilige belegging…

Niet onbemind ook. In zijn dagboeknotities komen veel jonge mannen voor, met wie zijn relaties vriendschappelijk en soms erotisch getint waren.Amazing Grace, zie p. 51 Dat was vooral en gedurende lange tijd het geval met de zanger Dante Pavone, al waren ze ‘not technically lovers’ volgens Delaneys biograaf.Amazing Grace, p55 Beauford heeft Dante vaak afgebeeld “for a while his principal subject”, aldus Henry Miller in The amazing and invariable Beauford D., 1945) – een van de portetten was Dante as Christ – aureool inbegrepen.

Maar hij geneerde zich om met deze vrienden seks te hebben en schakelde hen – volgens zijn biograaf - liever in om straatjongens te werven, met wie hij zich tegen geringe betaling kon laten gaan.Amazing Grace, 55 Zijn zwarte vrienden in Harlem wisten niets van zijn seksuele escapades en nauwelijks van zijn contacten met welgestelde liberale blanken in the Village, die hem voor een ‘brave neger’‘good negro’ - Amazing Grace, p. 56 aanzagen.

Naast dat verbrokkelde sociale leven waren er nog de hommels in zijn hoofd, stemmen, angsten, die hem vaak radeloos maakten.

Heel zijn moeizame leven lang, was Beauford omringd door vrienden en mensen die om hem gaven. Onder hen, in verschillende periodes: de schrijver Henry Miller, de danser Bernard Hassell1930–1991, danser, werkte als doublure in de Folies Bergères. Ook diens levenspartner, kunstschilder Richard Olney – zie http://www.elisarolle.com/queerplaces/a-b-ce/Bernard%20Hassell.html, bezocht 20/8/2025), Charles Gordon Boggs en diens vrouw Gita, schrijver James Jones, de cultuurhistoricus en kunstverzamelaar Richard A. Long.‘Robert’, Afro-Amerikaans cultuurhistoricus, schrijver en verzamelaar. Long nam een lang interview van hem af in Parijs in 1970, dat gepubliceerd werd in de catalogus voor een retrospectieve tentoonstelling in New York 1978, waarvan hij curator was. Hij getuigde over zijn relatie met Beauford

Met Alfred Stieglitz, een invloedrijke fotograaf en kunstkenner, en diens vrouw, de schilder Georgia O'Keeffe ging het om een meer professionele relatie, maar ook om wederzijdse bewondering. Er zijn vijf portretten bekend die O'Keeffe maakte van Delaney.sommige in houtskool andere in pastel zie https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2010/08/beauford-georgia-okeeffe-portraits.html , bezocht 31/7/2025

In zijn jonge jaren in New York leerde hij ook Willem de Kooning kennen, maar diens adviezen om zijn werk beter in de markt te zetten liet hij aan zich voorbijgaan.

Zijn belangrijkste vriend zou ongetwijfeld James Baldwin worden, ook een homoseksuele zwarte domineeszoon, die hij voor het eerst ontmoette in 1940 toen deze 16 was en op zoek was naar morele steun. De eerder getormenteerde kunstenaar werd dus de leidsman – volgens Baldwin zelfParis Noir 195-2000, tentoonstellingscatalogus van het Centre Pompidou, 2025, passim – van de toekomstige schrijver die de invloedrijkste zwarte intellectueel van de VS zou worden.

Geleidelijk raakten de rollen omgekeerd en zou Baldwin hem vaak te hulp schieten, met eigen middelen of door een beroep op meer gegoede sympathisanten. Baldwin schreef o.m. in The Price of the Ticket, Als Beauford en Mrs. Anderson – de zangeres – deel uitmaakten van mijn erfgoed, dan was ik deel van hun hoop.

Kortom, de 25 jaren in New York waren een opeenvolging van op- en neergaand succes – maar slechts sporadisch een comfortabel inkomen - van hechte vriendschappen en oppervlakkige relaties, van stabiele periodes en inzinkingen, van veel bezoeken aan musea en galerieën, maar ook aan drankgelegenheden en -winkels. Alcoholmisbruik droeg bij tot zijn psychotische crises.

Europa, en vooral Parijs 1953-1979 In Boston en zeker in New York had hij zich in de Franse kunst van de 19de en 20ste eeuw verdiept. Tevens wilde hij weg van het dagelijkse racisme. En zijn homoseksualiteit – waarmee hij nog steeds worstelde – zou in Frankrijk maatschappelijk beter aanvaard worden en viel er alvast niet onder het strafrecht. Dat zijn wellicht de redenen waarom hij in 1953 zijn weinige bezittingen inpakte en vertrok hij met het Franse schip Liberté naar Le Havre.