miniatuur|Voorzitter Johannes Henricus Midderigh onderweg naar de Nationale Vergadering op 22 januari 1798. Prent van Ludwig Gottlieb Portman naar een tekening van Cornelis van Cuylenburgh. De Staatsgreep van 22 januari 1798 was de geweldloze machtsovername in de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek door radicale revolutionairen op 22 januari 1798. De oorzaak was onvrede over de trage invoering van democratische wetgeving naar Frans model.

Drie jaar eerder, in januari 1795, vielen Franse troepen de Zeven Verenigde Nederlanden binnen en kwam de Bataafse Republiek tot stand. In deze zusterstaat van Frankrijk begonnen Nederlandse revolutionaire politici met politieke hervormingen van het bestuurlijk bestel. De Nationale Vergadering moest een grondwet ontwerpen en kwam na twee jaar met een eerste voorstel. Het afwijzen van deze grondwet bij het referendum van augustus 1797, vergrootte de bestaande impasse. Daarom planden de radicalen met steun van generaal Daendels en de Franse ambassadeur Charles Delacroix een staatsgreep. Andere sleutelfiguren waren de radicale voorman Pieter Vreede en de voorzitter van de Nationale Vergadering Johannes Henricus Midderigh.

De coupplegers arresteerden 28 leden van de Nationale Vergadering, die zij verantwoordelijk hielden voor de impasse. Na deze staatsgreep richtten de radicale republikeinen het Uitvoerend Bewind op als nieuw landelijk bestuursorgaan. In april 1798 werd per referendum een nieuwe grondwet goedgekeurd: de Staatsregeling van 1798. Door impopulaire maatregelen hield het radicale bestuur in de Republiek slechts enkele maanden stand. Op 12 juni bracht een nieuwe staatsgreep de gematigden aan het bewind.

Achtergrond Bataafse Republiek

In de winter van 1794-1795 viel een Frans republikeins leger de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnen. Dit leger ondervond weinig tegenstand van het stadhouderlijk leger. Als onderdeel van de oorlog die de geallieerden voerden met Frankrijk waren Pruisische en Britse legers in de Republiek terecht gekomen. Deze legers verlieten via het oosten het grondgebied van de Republiek. De opmars van het Franse leger ging dermate snel dat de patriotten geen omwenteling meer konden organiseren. Op 18 januari 1795 vertrok stadhouder Willem V uit de Republiek toen hij inzag dat zijn positie onhoudbaar was geworden.

De "fluwelen revolutie" die zich in de oude Republiek voltrok, kreeg de goedkeuring van de gematigde Franse Republiek en in januari 1795 erkende Frankrijk de zelfstandigheid van de "Bataafse Republiek", die het zogenaamd bevrijd had. Het Haags Verdrag dat beide landen sloten maakte van de Republiek een Franse satellietstaat. De vrijheidsstrijders noemden de situatie in 1795 na de Bataafse Revolutie "onordentelijk" (zonder orde). Er moest een nieuwe staatkundige orde komen, maar hoe deze eruit moest zien was nog onduidelijk. Het voltooien van de revolutie zou dan nog meer dan drie jaar gaan duren.

Partijstrijd in de Nationale Vergadering miniatuur|Zitting van de allereerste Nationale Vergadering in Den Haag, getekend door George Kockers.In 1795 was de Republiek op politiek vlak diep verdeeld en de staat was moeilijk te hervormen. Een aanzienlijke groep orangisten stond politiek buitenspel na de revolutie, maar onder patriotten – die nu aan de macht waren gekomen – heerste verdeeldheid. Onder hen bevonden zich radicale en principiële democraten, maar ook gematigde pragmatici en aristocraten die van mening waren dat de bestuurlijke orde slechts een renovatiebeurt behoefde. In de beginfase bleek dat de gematigde hervormers ruim in de meerderheid waren, waarmee ze in de positie waren om hun invloed te laten gelden.

Het duurde meer dan een jaar totdat het nieuwe parlement (de Nationale Vergadering) voor het eerst bijeenkwam, op 1 maart 1796. Onder de inwoners van de Bataafse Republiek heerste vanaf de eerste bijeenkomst van de Nationale Vergadering het gevoel dat de patriottenbeweging nu definitief in verschillende partijen uiteen was gevallen. In Frankrijk was na de revolutie in het parlement een linker- en rechterfractie ontstaan. Deze situatie moest voorkomen worden in de Nederlandse republiek en daarom werd in het Reglement vastgelegd dat alle leden van de Nationale Vergadering iedere twee weken van plaats zouden wisselen. Dit kon partijdigheid in het parlement echter niet voorkomen.

Binnen de Nationale Vergadering ontstonden na de vorming van het parlement twee partijen. Tijdens de bespreking van het Reglement erkende parlementariër Johannes Henricus Midderigh het bestaan van deze partijen:

miniatuur|Rutger Jan Schimmelpenninck, geportretteerd door Reinier Vinkeles. Een belangrijk punt waar deze partijen verschillend over dachten was of de revolutie in 1795 was beëindigd, of dat deze pas beëindigd kon worden als in de Republiek een grondwet was ingevoerd. Volgens Pieter Vreede was de grondwet "nog in zijn geboorte; zij is nog niet bij ons ontworpen (...) en zoo lange dit geen plaats heeft, zoo lange leven wij in een staat van revolutie". De leden van het parlement die het met dit uitgangspunt eens waren noemden zichzelf Republikeinen. Vreede en Johan Valckenaer waren de belangrijkste gezichten van deze partij. Na de benoeming van Valckenaer tot ambassadeur in Spanje werd Vreede gezien als de leider van de Republikeinen. De Republikeinen waren voorstanders van een representatieve volksvertegenwoordiging en verdedigden het leidende beginsel van "volkomen een- en ondeelbaarheid van de republiek". Dit betekende financiële eenheid en eenheid van bestuur.

In navolging van de republikeinen formeerde ook de moderate partij zich. Jan Bernd Bicker en Rutger Jan Schimmelpenninck waren bekende leden van deze partij. Zelf noemden deze parlementariërs zich "gematigden" of "bedaarden", terwijl hun tegenstanders hen onder andere als "slijmgasten" en "anti-revolutionairen" aanduiden. De moderaten waren voorstanders van de ware vrijheid die volgens Hendrik Collot d'Escury alleen kon standhouden "wanneer dezelve rust op goede orde, ondergeschiktheid aan de wet en die geconstitueerde magten, die 's volks wil heeft daargesteld."

Ten aanzien van de ideale staatsvorm bestonden er binnen de moderate partij twee richtingen. Zo bewonderde volksvertegenwoordiger Jacob Abraham de Mist de door velen verguisde Unie van Utrecht, maar erkende hij dat deze enigszins gebrekkig was en was hij voorstander van uitbreiding van de unie met Drenthe en Bataafs-Brabant. Hij vond het ook onrechtvaardig om de gewestelijke schulden samen te voegen; dit was een punt waar de republikeinen wel voor pleitten. Schimmelpenninck was wel voorstander van het eenheidsprincipe en samenvoeging van de schulden, maar volgens hem kon de gewesten wel zelfbestuur worden toegestaan voor zaken van lokale aard. De Republikeinen hadden tijdens de debatten nog weleens de gewoonte om de gehele partij van moderaten te vereenzelvigen met het standpunt van De Mist.

Staatsregeling Eind 1796 bracht de Constitutiecommissie een eerste voorstel voor een grondwet ter tafel in de Nationale Vergadering. De republikeinen hekelden het cryptofederalistische karakter van het voorstel. Vreede noemde het in een toespraak voor het parlement een rampzalig en onwerkbaar mengsel van federalisme en uniteit. In zijn speech verweet hij de mensen die een federalistische grondwet verlangden dat zij ook "een Tiran; een Stadhouder" wilden. Het parlement nam het Plan van Constitutie met 66 tegen 52 stemmen aan en in een tweede stemming bepaalde de vergadering dat de Republiek "volstrekt een en ondeelbaar" was, waarmee het federalisme werd afgewezen. Begin december benoemde de Nationale Vergadering een commissie die het Plan van Constitutie in lijn moest brengen met dit eenheidsbeginsel.

miniatuur|Orangistische spotprent op de uitslag van het referendum van 8 augustus 1797, waarbij de constitutie wordt begraven en een man op de voorgrond het water van de revolutie uitbraakt. Maker onbekend. In mei 1797 kwam een geamendeerde grondwet ter tafel. Dit compromisvoorstel was tot stand gekomen door wisselende meerderheden. Hoewel het voorstel maar weinig politici kon bevredigen, kreeg het steun omdat men de mening was toegedaan dat er eindelijk een grondwet moest komen. Valckenaer verklaarde dat het beter was een slechte constitutie te hebben dan helemaal geen.

Op 8 augustus 1797 vond het eerste landelijke referendum in de Nederlandse geschiedenis plaats, waarin gestemd werd over de grondwet. De Constitutie telde 781 artikelen en stond dan ook bekend als het "Dikke Boek". In de campagne voorafgaand aan het referendum publiceerden twaalf republikeinse representanten, de Twaalf Apostelen, een manifest tegen het grondwetsvoorstel. In dit manifest kwalificeerden zij het voorstel als een aristocratische samenzwering die het volk klein moest houden. De kiezers verwierpen de Grondwet met 80 procent van de stemmen. Een Tweede Nationale Vergadering, die op 8 augustus werd verkozen, moest het werk overdoen. De republikeinen kwamen redelijk goed uit de verkiezingen: de Twaalf Apostelen waren allemaal herkozen en meerdere districten verkozen Vreede als hun representant.

Plannen voor een coup Het nieuwe parlement vormde een nieuwe constitutiecommissie en deze kwam onder leiding te staan van de progressieve parlementariër Willem Ockerse. Terwijl Ockerse werkte aan de Grondwet spraken andere republikeinse volksvertegenwoordigers in september 1797 af om desnoods een coup te plegen om de ondeelbaarheid van de Republiek door te drukken. De plannen voor een staatsgreep ontstonden binnen twee verschillende groepen. De eerste was de groep van republikeinse radicalen rondom Vreede, die zitting had in de Nationale Vergadering. Leden van deze club waren naast Vreede onder anderen Jan Konijnenburg, Stephanus Jacobus van Langen, Jacobus Nolet en Lambertus Christoffel Vonk. De tweede groep werd gevormd door republikeinse radicalen uit verschillende Amsterdamse volkssociëteiten. Tot deze groep behoorden bijvoorbeeld Wijbo Fijnje, Frederik Willem Fennekol en Hendrik Nobbe.

De twee groepen kwamen met elkaar in contact en trokken gezamenlijk de conclusie dat een democratische grondwet alleen bereikt kon worden als hun belangrijkste tegenstanders uit de Nationale Vergadering verwijderd werden. Bovendien stond het voor hen vast dat de gewenste staatsgreep alleen maar kon slagen als deze de steun of goedkeuring van Frankrijk had.

Franse steun miniatuur|De slag bij Camperduin, geschilderd door Thomas Whitcombe. Aanvankelijk vertegenwoordigde François-Joseph-Michel Noël de Franse belangen als ambassadeur in de Republiek, maar hij werkte bij voorkeur samen met de gematigde republikeinen en de moderaten. Vanwege deze politieke smaak was hij een obstakel voor de plannen van de radicale republikeinen. Op 4 september 1797 vond in Frankrijk de staatsgreep van 18 fructidor plaats door drie leden van het Directoire, het Franse landsbestuur. Deze staatsgreep van Paul Barras, Louis-Marie de La Révellière-Lépeaux en Charles-Maurice de Talleyrand richtte zich tegen de gekozen royalisten en het gematigde, reactionaire klimaat in Frankrijk. Na de coup ging het Directoire een radicalere koers varen. Generaal Herman Willem Daendels stond in contact met het Directoire. Hij uitte daarbij zijn ongenoegen over de binnenlandse situatie in de Bataafse Republiek en sprak de hoop uit op een Nederlandse versie van de staatsgreep van 18 fructidor.