De N.V. Drentsche Kanaal Maatschappij (DKM) was een Nederlandse vennootschap die in 1850 werd opgericht met als doel de Hoogeveense Vaart te verbeteren, te exploiteren en te verlengen. De maatschappij speelde een cruciale rol in de ontwikkeling van de veenkoloniën in Zuidoost-Drenthe.

Oprichting en vroege geschiedenis

De Hoogeveense Vaart, oorspronkelijk bekend als de Echter Nieuwe Grift, werd omstreeks 1624 aangelegd om turf per schip vanuit de veengebieden naar Meppel te transporteren. De aanleg begon nadat jonkheer Roelof van Echten tot Echten in 1626 een concessie kreeg voor de exploitatie van 5000 morgen veen, op voorwaarde dat hij voor een vaarweg zou zorgen. In 1627 werd de vaarweg opengesteld voor scheepvaart en rond 1631 werd deze doorgetrokken tot aan het huidige Hoogeveen. De naam Hoogeveense Vaart raakte pas rond 1800 in gebruik.

In de jaren veertig van de 19e eeuw ontstond in kringen van het provinciaal bestuur de wens om de vaart over te nemen. In 1850 verleende minister Thorbecke aan particulieren een concessie om de vaart te verbeteren en te verlengen tot in het Bargerveen. Nog in datzelfde jaar werd de concessie overgedragen aan de nieuw opgerichte N.V. Drentsche Kanaal Maatschappij, met Jhr. A.W. van Holthe tot Echten als directeur.

In 1851 verkocht de Algemeene Compagnie van 5000 morgen', de toenmalige eigenaar, de Hoogeveense Vaart aan de DKM. De verkoopprijs bestond uit 25 aandelen ter waarde van 25.000 gulden. Bij de overdracht werd vastgelegd dat inwoners van Hoogeveen gratis gebruik mochten blijven maken van de waterwegen binnen de gemeente voor het vervoer van mest, landbouwproducten en turf voor eigen gebruik.

Werkzaamheden en uitbreiding

Na de overname in 1851 begon de DKM direct met de verbetering en verdieping van de vaart tot Hoogeveen, een project dat in 1852 werd voltooid. Het volgende kanaalvak, de Verlengde Hoogeveense Vaart, werd in 1857 aanbesteed en in 1860 was de eerste turf uit de Bargervenen via het nieuwe kanaal vervoerd. De vaart werd in fasen verder verlengd tot aan de Duitse grens, die uiteindelijk in 1893 werd bereikt. De DKM was in 1934 ook betrokken bij de aanleg van het Kanaal Coevorden-Zwinderen. Na de voltooiing van de uitbreidingen verschoof de focus van de maatschappij naar onderhoud en vernieuwing van het kanaal en de bijbehorende werken.

Bestuur en einde van de Maatschappij

De DKM werd oorspronkelijk opgericht voor een periode van 75 jaar. Het bestuur bestond uit zes commissarissen en een directeur, die de dagelijkse leiding had. Daarnaast had de maatschappij een opzichter en hoofdopzichter in dienst.

In 1923 werd de duur van de vennootschap met 25 jaar verlengd tot 24 oktober 1950. Waar de DKM voor de Tweede Wereldoorlog nog jaarlijks een batig saldo en dividend kon uitkeren, kwam hier na de oorlog verandering in. Door de opkomst van het wegverkeer daalden de inkomsten uit scheepvaartrechten drastisch, wat leidde tot een toenemend exploitatietekort.

In 1948 werd een commissie ingesteld om de toekomst van de kanaalmaatschappijen te onderzoeken. Omdat een beslissing uitbleef, werd de concessie van de DKM meermalen voor korte termijn verlengd. Vanaf 1953, toen de DKM financieel niet meer in staat was het kanaal te onderhouden, nam de provinciale waterstaat deze taak over, met financiële steun van het Rijk en de provincie.

Toen het Rijk vanaf 1964 niet langer wilde bijdragen aan de exploitatie, begonnen onderhandelingen met de provincie Drenthe over de overname van het kanaal. Na onenigheid over de overname besloten de Staten van Drenthe in mei 1964 het beheer en onderhoud van de kanaalwerken aan zich te trekken en het personeel van de DKM over te nemen. De provincie kreeg pas in december 1968 alle aandelen en daarmee de feitelijke controle over de maatschappij in handen. De DKM werd in 1970 geliquideerd.

Categorie:Geschiedenis van Drenthe Categorie:Voormalig Nederlands bedrijf