Floris Egbertszn (16e eeuw) was een rooms-katholiek geestelijke die vooral bekend werd door zijn rol in een omstreden inquisitieproces in de jaren 1550, waarna hij zelf werd veroordeeld voor het vervalsen van getuigenverklaringen.
Floris Egbertszn bekleedde het ambt van pastoor aan de Oude Kerk in Amsterdam. In 1553 trad hij op als onderinquisiteur in een zaak tegen de Amsterdamse schout Willem Dirckszn Bardes, die ervan werd beschuldigd zich te hebben laten herdopen.
De aanklacht steunde aanvankelijk op verklaringen van getuigen, maar deze bleken bij nader onderzoek onbetrouwbaar. Een van hen, Sophie Harmansdr, gaf zelfs toe door de pastoor te zijn omgekocht. Daarmee keerde het proces zich tegen de inquisiteur zelf.
Tussen 1558 en 1562 stelde het Hof van Holland, met medewerking van vertegenwoordigers van de bisschop en onder toezicht van de Grote Raad van Mechelen en de Geheime Raad van Brussel, een onderzoek in tegen Floris Egbertszn en de door hem ingebrachte getuigen. Gaandeweg bleek dat de pastoor onrechtmatig had gehandeld, en hij werd gedwongen publiekelijk te erkennen dat hij voorbarig en onvoldoende geïnformeerd de schout had beschuldigd. Het vonnis luidde dat de pastoor uit Amsterdam werd verbannen en de kosten van zijn vierjarige voorarrest zelf moest dragen.
Hoewel dit een zware straf was, werd hij, vergeleken met andere betrokkenen, nog betrekkelijk mild behandeld. Een van zijn getuigen, Sophie Harmansdr, werd zelfs opgehangen.
Na zijn verbanning vestigde Floris Egbertszn zich in Brussel, waar hij spoedig benoemd werd tot pastoor van de Sint-Goedelekerk. De inquisiteur Wilhelmus Lindanus zag hem als martelaar van het geloof.
Categorie:Geschiedenis van Amsterdam Categorie:Godsdienstoorlog