miniatuur|De regent van Karang - Anjar (Koesoemo) met zijn familie en dr. Melchior Treub Raden Sarengat Kartanegara (geboren ca. 1895) was een Indonesisch civiel ingenieur, gespecialiseerd in irrigatie. Hij was de zoon van de regent van Karanganjar (Kedoe), Kadis Kartanegara. Die overleed vrij jong, Sarengat was toen ongeveer 6 jaar oud. En dus nog te jong om zijn vader op te volgen. Die werd opgevolgd door Raden Toemenggoeng Aryo Tirto Koesoemo. Kanjeng Raden Tumenggung Tirtokoesoemo I (1902-1912). Eerder was hij patih in Magelang. Naast de titel "Ario" ontving hij ook de titel officier in de Orde van Oranje-Nassau van de Nederlandse regering in 1903 en kreeg hij de bijnaam 'merkwaardigen man', die zichzelf heeft gewijd aan de belangen van de regering en het volk. Hij stierf in 1924. De invloed van deze regent van Karanganyar was zeer sterk onder de nationalisten, zodat hij tijdens het eerste congres van Boedi Oetomo in Yogyakarta werd benoemd tot voorzitter van Boedi Oetomo. Regent Tirtoekoesoemo was ook succesvol op het gebied van landbouw; hij was een pionier in de plaats Lumbung en richtte de coöperatie "Sedyo Madjoe" op, die zich bezighield met de kokosnoten van het volk tot de oprichting van een kokosolie-fabriek. Een andere rol was de oprichting van de Javaansche Meisjesschool te Karang-Anjar.
Hij ging in Delft civiele techniek studeren, samen met Raden Mas Notodiningrat, Raden Mas Soerjowinoto en K.J. Leatémia uit Ambon. Zij haalden in 1914 het propedeutisch examen. In 1913 waren zij, met nog enige andere in Nederland studerende Indische prinsen uitgenodigd voor een bezoek aan de Marine. In mei 1918 haalde hij zijn kandidaatsexamen.
in 1920 is hij gelaagd voor het examen civiel ingenieur, net als K.J. Leatémia. Notodiningrat was al een jaar eerder afgestudeerd, Soerjowinoto schijnt met zijn studie gestopt te zijn. In 1917 is hij failliet gegaan, maar dit faillissement is op 4 juli 1917 opgeheven. In 1923 heeft hij voor de opening van het "Holland Huis" in Brussel in 1923 een dansvoorstelling van Javaanse dans gegeven. [] In september 1923 heeft hij met zijn broers een audiëntie bij de koningin.[] In december 1924 is hij met zijn echtgenote met het stoomschip Jan Pieterszoon Coen naar Indië teruggekeerd,[] en 1924 krijgt hij een tijdelijke aanstelling bij de Vierde afdeling (standplaats Soerabaja), een paar jaar later is hij tekenaar 1e klasse.
In september 1920 kreeg hij een aanstelling bij Burgerlijke en Openbare Werken (BOW), hij was toen nog in Nederland. In oktober van dat jaar kreeg hij zijn plaatsing bij het hoofdkantoor van BOW. In april 1921 waren zij (hij, Notodhiningrat en Leatémia) vermoedelijk de enige inlanders in dienst bij BOW.
"A(bdoel) R(ahman) schrijft over het verheugende feit dat de eerste der ontwikkelde Inlanders, Raden Sarengat, zich de leiding van een B.O.-afdeeling liet opdragen. Hij wijst erop dat de andere hooger ontwikkelden niets van zich laten hooren in de politiek, maar de verheffing van Sarengat tot voorzitter der Bataviasche B.O. voor de vereeniging van groote beteekenis is. Te dienen onder een vorst, een leider die handelt in den geest van het volk, noemt schrijver voor den Javaan een ideaal."
Naast zijn technisch werk was hij ook politiek actief. Al in Nederland maakte hij zich sterk voor de Indische cultuur. In 1922 zat hij in de gemeenteraad van Batavia; in september van dat jaar is hij benoemd als het hoofd der Sidoardjo- en Watoedakonwerken (werken in de delta van de Brantas), met Modjokerto als standplaats. Hij komt ook voor in de ledenlijst van de vereniging van bouwkundigen in 1922, waar hij genoemd wordt als ingenieur van de Technische Afdeeling voor Gebouwen van BOW. In januari 1923 wordt hij toegevoegd aan het hoofd irrigatiewerken Brantas onder ir. S.H.A. Begemann. In november1922 wordt hij bevorderd tot ir. 2e klasse.
In 1926 is hij kandidaat voor de verkiezingen voor de volksraad. In oktober 1929 is hij kandidaat voor de provinciale raad van midden Java.
In oktober 1927 wordt hij overgeplaatst naar de Irrigatie-afdeling Pemali - Tjomal, met aanwijzing van Tegal als standplaats. In 1929 wordt hij toegevoegd “aan den resident van Bali en Lombok … thans toegevoegd aan het hoofd der Irrigatie afdeeeling Pemali-Tjomal”. In juli 1933 wordt hij bevorderd tot ingenieur 1e klasse. In augustus 1933 wordt hij toegevoegd aan het hoofd van de irrigatiewerken in Bantam en Batavia, met Serang als standplaats.
In 1937 gaat hij met pensioen: “Ontslagen op verzoek eervol en met recht op pensioen uit 's Lands dienst, ir. Raden Sarengat Kartanegara, ambtenaar op wachtgeld, laatstelijk ingenieur bij 's Lands Waterstaat, ingaande ultimo April 1937“.
Zijn jongere broer, Raden Satochid Kartanegara, heeft in Leiden gestudeerd en is rechter in Yogyakarta geworden. De studie van Satochid is grotendeels betaald door Sarengat.
Categorie:Ingenieur in Nederlands-Indië