De 4e Pantserdivisie (Duits: 4. Panzer-Division) was een Duitse pantserdivisie in de Tweede Wereldoorlog. Deze pantserdivisie was een van de oorspronkelijke Duitse pantserdivisies en kwam al vanaf het begin in actie, tijdens de Invasie van Polen in 1939. De divisie nam deel aan de Slag om Frankrijk en de Invasie van de Sovjet-Unie en vocht verder aan het Oostfront tot het einde van de oorlog. De divisie capituleerde in Oost-Pruisen in 1945.

Gebruik van divisie-insigne60px50px40px50px19391940 en 1943/44tijdens Citadel1944-1945

Oprichting De 4e Pantserdivisie werd opgericht op 10 november 1938 in Würzburg in Wehrkreis XIII als vervanging voor de 2e Pantserdivisie, die na de Anschluss van Oostenrijk in het voorjaar van 1938 naar Wenen was verplaatst. Vervangend personeel voor de eenheid werd geleverd door Wehrkreise XIII en VII tot en met IX.

De structuur van deze nieuwe divisie was nog ruim opgezet, zoals al de eerste Duitse pantserdivisies. Het gepantserde deel bestond uit een volledige Panzerbrigade (de 5e) met twee Panzerregimenten (Panzerregiment 35 en 36). Daarnaast was er de Schützenbrigade 4 met slechts een Schützenregiment (het 12e).

Krijgsgeschiedenis Bij het uitbreken van de oorlog was de divisie een van de zes pantserdivisies die tot dan toe waren opgericht. Op 22 augustus werd de eenheid gemobiliseerd. De 3e en 7e compagnie van Panzerregiment 36 werden ontbonden en het regiment werd ingezet met zes compagnieën.

Veldtocht in Polen Aan het begin van de aanval was de divisie ondergeschikt aan het 16e Gemotoriseerde Korps van het 10e Leger in Heeresgruppe Süd. Met rechts naast zich de 1e Pantserdivisie, rukte de divisie vanuit het gebied Rosenpark/Opper-Silezië, via Krzepice noordoostwaarts op richting Radomsko. Meteen de eerste dag al raakte de divisie in zware gevechten gewikkeld, bekend als de Slag bij Mokra. De Poolse troepen vochten hard en toen de slag ten einde was, had de divisie echt zware verliezen geleden: zo'n 100 tot 150 tanks en verkenningsvoertuigen waren uitgeschakeld, waarvan ongeveer 50 totale verliezen plus ongeveer 800 slachtoffers aan doden, gewonden, gevangenen en vermisten.

Vanuit het gebied van Radomsko rukte de divisie verder op in het gebied ten zuiden van Łódź. Van daaruit trok ze verder naar de Weichsel. De divisie brak door de Poolse verdediging en was de eerste Duitse eenheid die na zeven dagen de westelijke buitenwijken van Warschau bereikte. Pogingen om de stad binnen te dringen mislukten opnieuw, waarbij ze zware verliezen leden vanwege de Poolse tegenstand. Om de Poolse hoofdstad te omsingelen, ging de divisie over tot de verdediging langs de Bzura, een zijrivier van de Weichsel. Er volgde een gevecht, bekend als de Slag om de Bzura, dat resulteerde in verdere zware verliezen voor de divisie. De gevechten om Warschau en het fort van Modlin duurden tot eind september.

De divisie keerde daarop terug naar de kazernes en had 504 gesneuvelden en 547 gewonden te betreuren. Verder waren 94 tanks beschadigd of vernietigd. De divisie werd na afloop van deze veldtocht overgebracht naar het westen en werd op 27 november ingedeeld bij Heeresgruppe B aan de Nederrijn als reserve van het 6e Leger.

Een belangrijke verandering was dat op 18 oktober 1939 het 33e Gemotoriseerde Infanterieregiment onder bevel van de divisie kwam, waarmee er dus meer balans tussen gepantserde troepen en infanterie werd gebracht. Na het afronden van de opfris vertrok de divisie in februari 1940 naar de Eifel. Kort voor het begin van de veldtocht in het westen, verzamelde de divisie zich in de omgeving van Aken.

Westen 1940: 1e fase thumb|Tanks van de divisie steken bij Maastricht de Maas over Vanaf 10 mei 1940 nam de divisie deel aan de inval in het westen, Fall Gelb, als onderdeel van het 16e Gemotoriseerde Korps. Van 12 tot 14 mei vond er een botsing met geallieerde tanks plaats in de omgeving van Hannuit. De divisie vocht deze slag uit aan de zijde van de 3e Pantserdivisie. General der Kavallerie Hoepner en zijn troepen vormden een zwaartepunt voor de aanval en braken door de Franse frontlinie, om op 14 mei Perwijs te bereiken. Op 15 mei viel de divisie de Franse Dijle-stelling bij Gembloers – Ernage aan. De eenheid achtervolgde vervolgens de terugtrekkende Franse troepen tot aan het Kanaal Charleroi-Brussel. De gevechten duurden voort ten zuidwesten van Maubeuge rond het Bos van Mormal tot 20 mei. Voor de verdere aanval werd de divisie ondergeschikt gemaakt aan het 39e Gemotoriseerde Korps ten westen van Cambrai, in de omgeving van Arras. Een doorstoot over het Canal d'Aire richting Béthines / Armentières omsingelde sterke Franse troepen in de omgeving van Lille.

Frankrijk 1940: 2e fase Voor de 2e fase stelde de divisie zich op rond Abbeville. Ze stootte door de Weygand-Linie rond Forges-les-Eaux en rukte op naar de Seine. Na de inname van Rouen volgde van 10 tot 13 juni de omsingelingsslag om Saint-Valery-sur-Somme. Daarna volgde een snelle opmars via Alençon Bretagne in. De veldtocht eindigde voor de divisie met de inname van Brest op 19 juni 1940. Tijdens de veldtocht had de divisie 518 gesneuvelden en 1531 gewonden te betreuren en gingen 86 tanks verloren.

Na de Wapenstilstand van 22 juni 1940 bleef de divisie als bezettingsmacht rond Brest en in Bretagne aanwezig en keerde rond 5 juli 1940 naar de Heimat terug. Op 4 september 1940 moest de divisie het Panzerregiment 15 afgeven aan de nieuwe 11e Pantserdivisie. Meteen daarna vertrok de divisie naar de Beskiden. In de Slag om Frankrijk (Fall Rot) viel de divisie vanaf 5 juni aan vanuit het Duitse bruggenhoofd aan de Somme in het gebied van Péronne richting Roye. Bij Fonches-Étalon brak de divisie door de Weygandlinie en bereikte Roye op 8 juni. Van daaruit ging het naar het gebied ten zuiden van Saint-Quentin, waar de divisie vervangingen kreeg en reparaties onderging. Op 12 juni begon het een verdere opmars naar het zuiden, waarna het na het oversteken van de Marne nog 20 km verder oprukte richting Sézanne –Romilly-sur-Seine. Er werd een bruggenhoofd gevestigd over de Seine bij Romilly-sur-Seine. Vanaf 14 juni volgde de divisie de Franse troepen in zuidoostelijke richting en bereikte het gebied Dijon-Pontarlier- Dole nabij de Zwitserse grens. Met het 16e Gemotoriseerde Korps rukte de divisie verder naar het zuiden op tussen 20 en 26 juni, passeerde Lyon en bereikte uiteindelijk het gebied ten noorden van Valence op 24 juni 1943.

Na de wapenstilstand werd de divisie aanvankelijk ingezet als bezettingsmacht aan de Isère. In juli 1940 verhuisde de eenheid naar het gebied rond Auxerre, waar de trainingen en oefeningen begonnen voor een verwachte aanval op Engeland, Unternehmen Seelöwe.

Op 11 november 1940 werd Panzerregiment 36 overgeplaatst naar de 14e Pantserdivisie als onderdeel van de reorganisatie van de pantserdivisies.

Invasie in de Sovjet-Unie In mei 1941 verhuisde de divisie naar Oost-Pruisen en begin juni werd ze gestationeerd in het oostelijke generaal-gouvernement.

Tijdens Operatie Barbarossa, vanaf 22 juni 1941, was de divisie ondergeschikt aan het 24e Gemotoriseerde Korps, dat weer ondergeschikt was aan Panzergruppe 2 onder Heinz Guderian, dat op zijn beurt ondergeschikt was aan Heeresgruppe Mitte. Meteen de eerste dag van de veldtocht stak de divisie de Westelijke Boeg over bij Kodeń, ten zuiden van de vesting Brest-Litovsk, samen met de 3e Pantserdivisie, en rukte via Sloetsk op naar de Berezina bij Bobruisk. Daarna werd er deelgenomen aan de omsingelingsslag om Kiev in augustus/september 1941. De divisie rukte van oktober tot begin december 1941 als onderdeel van Panzergruppe 2 tijdens de opmars naar Moskou en de Slag om Moskou op via Orel. Van 6 tot 24 oktober volgden zware gevechten rond Mtsensk. Daarna ging het weer verder naar de regio Toela, maar net noordoostelijk van deze stad bleef de divisie steken en kwam niet verder. Nadat de Sovjets in de tegenaanval gingen, moest de divisie terug naar het gebied zuidelijk van Soechinitsji. Hier kon de divisie het front houden en bleef dar tot zomer 1942. Vanaf juni 1942 lag de divisie iets zuidelijker, rond Mtsensk langs de Oka en bleef hier op dezelfde tot februari 1943. Gedurende het gehele jaar 1942 beschikte de divisie over slecht een klein aantal tanks.

Oostfront 1943 Eind januari 1943 kreeg Panzerjäger-Abteilung 49 zo’n 27 Marder II tankjagers geleverd en aan de divisie werd Sturmgeschütz-Abteilung 904 toegevoegd. Hiermee werd eindelijk weer slagkracht toegevoegd. Tussen 29 januari en 25 februari 1943 vocht de divisie hard rondom Koersk, maar moest deze stad opgeven en terugtrekken. Begin maart volgden gevechten bij Romny en van 8 tot 27 maart tussen Novgorod-Severski en Sevsk. Na deze gevechten werd de divisie teruggetrokken van het front voor rust en herbouw.

Bij de start van Operatie Citadel op 5 juli 1943, was de divisie legerreserve, maar het pantserregiment was wel meteen in actie bij het 47e Pantserkorps. De hele divisie kwam in actie op 8 juli en daarop volgden twee zware dagen van gevechten rond Ol'khovatka en Temploe. Op 10 juli volgde nog een laatste krachtsinspanning, toen Pantsergrenadierregiment 33 samen met Schwere Panzer-Abteilung 505 oprukte vanuit Temploe. Maar ook deze aanval strandde en dat min of meer het einde van de Duitse aanval in de noordelijke sector van de Koersk-saillant. Twee dagen later begon het Sovjet tegenoffensief (Operatie Kutuzov) waarna de divisie gestaag moest terugtrekken.

Na de Duitse terugtrekking uit de Orel-salliant werd de divisie ondergeschikt gemaakt aan het 2e Leger en verdedigde de Desna-sector in het gebied van Brjansk. Nadat de Sovjets begin oktober bij Kiev de Dnjepr waren overgetrokken, kwam de divisie gedurende de rest van het jaar in actie langs de Pripjat. Eerst gedurende enkele weken bij Tsjernobyl tot deze stad op 16 november opgegeven moest worden. Daarna volgde een terugtrekking en een tegenaanval bij Parichi en later bij Ozarichi. Tegen 25 december 1943 flauwden deze gevechten af.

Oostfront 1944 thumb|Halfrupsvoertuigen (op de voorgrond met divisie-insignes) en tanks van de divisie op mars, Sovjetunie, 21 maart 1944 thumb|Beelden van dezelfde eenheid, ook op 21 maart 1944