Raden Agoes Prawiranata (na 1945: Agus Prawiranata) begon in 1927 zijn studie aan de Technische Hoogeschool te Bandoeng. Hij slaagde in 1929 voor het tweede jaar. In 1931 slaagde hij voor het ingenieursexamen. Daarna kreeg hij een betrekking als assistent bij de irrigatieafdeling van de TH Bandoeng. In 1927 werd ook de vereniging "Jong Indonesia" opgericht, in de loop van 1927 werd deze naam omgezet in het Pemuda Indonesia. De groep was tegen voorstander van eenheid van Indonesië en was tegen regionalisme. Agoes Prawiranata was een van de acht oprichters.

Na zijn afstuderen schrijft hij een artikel over een vergelijking tussen de gemeten en de uit de theorie van de hydraulische gradiënt afgeleide drukken en snelheden langs de onderkant van funderingen en bodembekledingen. Het blijkt, dat er een verschil kan bestaan tussen de gemeten standhoogten en de berekende druk volgens Bligh. Na een beschrijving van de proefinstallatie en resultaten-tabellen, verduidelijkt met enige stroombeelden, voert de schrijver zijn lezers tot de slotconclusie. Bij het ontwerp van waterkerende kunstwerken moet, behalve de voldoende lange stroomweg, ook de goede vormgeving aan de onderkant in het oog gehouden worden. Plaatselijke snelheden, bij scherpe hoeken en bij niet-homogene ondergrond, kunnen veel groter zijn, dan volgens Bligh berekend. Dit onderzoek is samengevat in een kort artikel in “De Ingenieur“, maar is in Nederland niet echt bekend geworden. Pas in 1988 heeft Sellmeijer hier een goede mathematische beschrijving van kunnen geven.

Volgens een JICA rapport (Japanse ontwikkelingsorganisatie) is in 1936 het hydrodynamisch laboratorium opgericht bij de TH Bandung, en was Agoes Prawiranata daar de manager van het laboratorium.

In maart werd hij voorgedragen als minister van Verkeer en Waterstaat in de Pasoendan-regering. Dit was de regering van de deelstaat west Java (Pasoendan) in de Verenigde Staten van Indonesië, een republiek die van 1949 tot 1950 bestaan heeft.

In 1951 was hij directeur gemeentewerken in Djakarta. Op 20 augustus 1952 is hij naar Nederland gevlogen. En vandaar naar de Verenigde Staten voor de aanschaf van apparatuur voor de zuivering van afvalwater en de bereiding van drinkwater.

In 1954 is hij benoemd tot hoofd van de centrale dienst voor de irrigatie van het ministerie van Openbare Werken. In 1956 was hij uit dien hoofde verantwoordelijk voor de werken in het Tjitarum-gebied. Die werken maken het mogelijk een geregelde watertoevoer van 40 m3/s te verzekeren voor een gebied van 40.000 ha. Verder omvatten de werkzaamheden van dit project het bouwen van twee tunnels voor de afvoer van het water van de Tjitarum. De tunnels hebben een diameter van 11 meter en een lengte van 600 nieter. Tijdens het ontwerp van de Jatiluhur-dam ontstond er een meningsverschil tussen ir. Sedijatmo van PLN (het energiebedrijf) en ir. Agus Prawiranata van het directoraat-generaal Irrigatie over het waterpeil stroomafwaarts van de Jatiluhur-dam. PLN wilde dat het waterpeil laag zou blijven om de vervalhoogte van de waterkrachtcentrale van Jatiluhur te maximaliseren, terwijl het directoraat-generaal Irrigatie een hoog waterpeil wilde, zodat het water ook de afgelegen landbouwgronden kon bereiken. De secretaris-generaal van het Ministerie van Openbare Werken, ir. Martinus Putuhena, besloot vervolgens dat het water stroomafwaarts van de Jatiluhur-dam zou worden opgepompt, zodat de wensen van zowel PLN als het directoraat-generaal Irrigatie konden worden gerealiseerd.

Nederlandstalige publicaties

Categorie:Waterbouwkundige in Nederlands-Indië