miniatuur|Propagandaposter voor het radioprogramma Stem der SS. (1940)
De geschiedenis van de Nederlandse radio-omroepen tijdens de Tweede Wereldoorlog betreft het handelen van de verzuilde radio-omroepen in Nederland onder Duitse bezetting. In de twintigste eeuw was de Nederlandse samenleving een verzuilde samenleving, waarin maatschappelijke en religieuze groepen (zuilen) apart van elkaar leefden. Elke zuil had zijn eigen voorzieningen, zoals politieke partijen, scholen en kranten. Met de introductie van de radio bracht elke zuil ook een eigen radio-omroep voort, namelijk de AVRO, KRO, NCRV, VARA en VPRO.
Vanaf het begin vochten de omroepen onderling om zendtijd, wat in 1930 werd beslecht met de invoering van het Zendtijdbesluit. Tegelijk golden strikte censuurregels, waardoor kritische radio-uitzendingen ontbraken, ook over ontwikkelingen in nazi-Duitsland. Na de Nederlandse capitulatie in 1940 namen de Duitsers in Hilversum de radio over. De omroepen verzetten zich nauwelijks en pasten zich vrijwillig aan, onder meer door op eigen initiatief Joodse medewerkers te ontslaan.
In 1941 vervingen de Duitsers alle omroepen door de Nederlandsche Omroep, die openlijk nationaalsocialistische propaganda uitzond. Het merendeel van het personeel stapte zonder veel weerstand over naar de NO, terwijl vrijwel alle Joodse werknemers werden ontslagen. Na de bevrijding volgden zuiveringen, maar meerdere aanvankelijk geweerde medewerkers keerden later toch terug, nadat een van de commissies hen alsnog goedkeurde.
Na de oorlog werd er bij de publieke omroepen overwegend gezwegen over het oorlogsverleden. Hoewel in 1973 het boek Radio Hilversum 1940-1945 verscheen, bleef brede aandacht uit. Dat veranderde in 2024 door de EO-documentaire Het verraad van Hilversum, die leidde tot nieuw onderzoek door de gemeente Hilversum en KRO-NCRV, en tot het besluit van de NPO om een monument op het Media Park op te richten ter nagedachtenis aan vermoorde omroepmedewerkers.
Voorgeschiedenis miniatuur|Radiotoestel van Philips uit 1935. In de jaren 1920 werd de radio in Nederland geïntroduceerd. Nadat de firma Philips in 1924 besloot radio’s te produceren, was het directe gevolg dat verscheidene radio-amateurs, geïnteresseerden in het medium radio, zich gingen verenigen in radioverenigingen. Vanwege de verzuiling, die in die tijd nog erg sterk was, werd er door elke zuil een radiovereniging opgericht. Er ontstonden toen vijf radio-omroepen, verdeeld over vier zuilen. De NCRV en de VPRO behoorden tot de protestantse zuil. De katholieke zuil verenigde zich in de KRO. De socialisten richtten de VARA op en de liberalen stichtten de Algemene Vereniging Radio Omroep, de AVRO.
Vanaf 1926 zonden de omroepen uit via de zendmasten van de radiofabrikant NSF. De politiek was betrokken bij het verdelen van zendvergunningen, verdeeld over de vijf radio-omroepen. Omdat radio steeds populairder werd en hierdoor schaarste aan zendtijd ontstond, werd in 1930 het Zendtijdbesluit ingevoerd. Het besluit hield in dat de vier grote omroepen ieder 20% van de zendtijd kregen. 15% kwam er vrij voor neutrale programmering en 5% voor de kleinere omroep VPRO. De AVRO, die de meeste zendtijd bezat en nu een deel van haar zendtijd moest inleveren, was hierop tegen. Op 6 september 1930 demonstreerde de AVRO daarom ook tegen het Zendtijdbesluit. Ondanks de massale opkomst en vele handtekeningen bleef het besluit van kracht.
Na de invoering van het Zendtijdbesluit werd de Radio Omroep Controle Commissie (ROCC) in het leven geroepen. De commissie stelde strenge regels in voor de omroepen en voerde een censuurbeleid. Er mocht bijvoorbeeld niet gevloekt worden en andere bevolkingsgroepen en omroepen mochten niet gekwetst worden. De commissie zou binnen tien jaar tijd 398 programma’s verbieden die de regels overtraden. Daarnaast richtte de overheid in 1935 NOZEMA op, die de verantwoordelijkheid kreeg over het beheer van de radiozenders Hilversum I en Hilversum II. Hierdoor konden de omroepen meer uitzenden, omdat er meer radiogolven beschikbaar kwamen.
De omroepen waren nog geen publieke omroepen. De omroepen werden namelijk niet gefinancierd vanuit de overheid en waren afhankelijk van betaalde lidmaatschappen. Doordat de omroepen aan een zuil verbonden waren, ging het werven van leden eenvoudig. In een zuil was lidmaatschap aan de omroep die aan die zuil verbonden was vanzelfsprekend.
Jaren voor de Tweede Wereldoorlog miniatuur|Foto van AVRO-verslaggever Gustav Czopp. (1939) In aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en de Duitse inval in Nederland in 1940, werd er op de radio nauwelijks kritische duiding gegeven over de ontwikkelingen in Duitsland sinds de machtsovername van Adolf Hitler in 1933. De reden waarom echte kritiek uitbleef, was omdat volgens het censuurbeleid de omroepen noch kritiek mochten geven op andersdenkenden, waaronder nationaalsocialisten, noch op voor Nederland bevriende naties, waaronder nazi-Duitsland. Dat laatste was wegens het feit dat Nederland een neutraliteitspolitiek voerde en daarom kritiek op andere landen verbood. Alleen de VARA gaf, voor zover het mocht, kritiek op nazi-Duitsland, maar verdere kritiek door anderen bleef uit.
Een van de weinigen die kritiek uitte op de manier hoe de radio-omroepen nieuws berichtten, was AVRO-verslaggever Gustav Czopp. In zijn boek De Wereld kreeg radio, verschenen in 1939, gaf hij felle kritiek op het omroepbestel en de manier waarop de overheid met de omroepen omging. Ook liet Czopp geen spaan heel van het censuurbeleid, de manier van nieuws verslaan en de journalistieke berichtgeving. Willem Vogt, de oprichter en directeur van de omroep AVRO, was niet te spreken over het boek van Czopp. Uiteindelijk werd Czopp door Vogt ontslagen vanwege zijn boek.
De manier waarop de radio over nazi-Duitsland en de opkomende oorlog berichtte, leidde ertoe dat Nederlanders slecht geïnformeerd waren over de gebeurtenissen en mentaal slecht voorbereid waren op een eventuele oorlog. Dit ging gepaard met de geestelijke ondermijning door de crisisjaren van de jaren 1930 en de Nederlandse neutraliteitspolitiek die tot 1940 door de overheid gevoerd werd.Hoorspel Radio Hilversum 1940-1945, deel 1
Verzuilde omroepen tijdens WOII miniatuur|Duitse troepen arriveren bij de AVRO-studio. (1940) Op 10 mei 1940 viel nazi-Duitsland Nederland binnen. Na een gewapende strijd van vijf dagen gaf Nederland zich op 15 mei over. Na de capitulatie bleef de radio zwijgend stil. Het enige wat uitgezonden werd was het tikken van de AVRO-klok. Het tikken van de klok werd uitgezonden als reactie op de capitulatie en zou uren te horen zijn, totdat er weer een programma op de zender uitgezonden kon worden.
Direct na de capitulatie kreeg de Rundfunkbetreuungsstelle (RBS), de instantie die verantwoordelijk was voor het omzetten van de Nederlandse radio naar een pro-Duitse radiozender, onder leiding van Arthur Freudenberg, het bevel om de volgende dag naar Hilversum te reizen, om de radio in Nederland over te nemen. De omroep waar de RBS als eerste arriveerde, was de AVRO. In een interview uit 1973 lichtte Freudenberg toe dat men eerst naar de AVRO ging, omdat die voor de oorlog al had samengewerkt met de RRG, de overkoepelende organisatie van regionale staatsomroepen in nazi-Duitsland.
Uit angst dat de Nederlandse omroepen de zendmasten hadden gesaboteerd, had de RBS als voorzorgsmaatregel eigen zendapparatuur meegenomen. Achteraf bleek dat de zorgen onterecht waren, omdat de Nederlandse omroepen de Duitsers juist vriendelijk ontvingen. Na het bezoek aan de AVRO vervolgde Freudenberg zijn rondgang bij de KRO. Bij de KRO was er verontwaardiging over het feit dat de RBS eerst bij de AVRO was langsgegaan.
Beginjaren bezetting De verzuilde organisaties in het algemeen hadden vanaf het begin van de bezetting het beleid zich niet tegen de Duitsers te verzetten, maar ze te gehoorzamen. Ze wilden daarmee voorkomen dat hun zuil, en de daarbij behorende organisaties, opgeheven zouden worden. Deze manier van handelen was ook terug te zien bij de omroepen, ook met het idee dat het beter was dat de omroepen bleven bestaan, dan dat er een nazi-staatsomroep voor in de plaats kwam.
De eerste opdracht die de RBS aan de omroepen gaf, was het maken van Auflagesendungen. Dat waren propaganda-uitzendingen, bedoeld om het Nederlandse volk ervan te overtuigen dat de nieuwe bezetter het beste met de Nederlanders voor had. Ook kwam er een verbod op Engelstalige muziek en bepaalde andere soorten muziek, zoals jazz. Er werd daarnaast een gids gepubliceerd, waarin alle musici en componisten van Joodse komaf vermeld werden, die niet op de radio gedraaid mochten worden. miniatuur|Wybrands Marcussen interviewt Carel Piek. (1941)
Een bekend programmamaker, die verantwoordelijk was voor het maken van auflagesendungen, was Louis Wybrands Marcussen. Hij was sinds 1940 in dienst van de AVRO en kreeg van AVRO-directeur Willem Vogt direct de opdracht naar Berlijn te reizen, om NSB’er Max Blokzijl te interviewen. Marcussen stond bekend om zijn bewondering voor Hitler en zijn pro-Duitse sympathieën; redenen voor Vogt om hem ook in dienst te nemen, vanuit strategisch opzicht. Marcussen werd bovendien verantwoordelijk voor de uitzendingen over Winterhulp Nederland, een door de Duitsers ingestelde, zogenoemde humanitaire organisatie.
Op 20 juli 1940 werd de NSB’er Meinoud Rost van Tonningen liquidatie-commissaris van alle socialistische organisaties, waardoor hij ook automatisch commissaris werd van de socialistische omroep VARA. De taak van Rost van Tonningen als liquidatie-commissaris was om alle socialistische organisaties gelijk te schakelen naar nationaalsocialistische organisaties. Nadat Rost van Tonningen op 24 juli een radiorede had gehouden over de opstelling van het socialisme tegenover de ‘Nieuwe Orde’, ontstond er veel verontwaardiging bij de socialistische organisaties, waarna ze besloten zichzelf op te heffen. Het VARA-bestuur kwam echter met een verklaring, waarin het schreef dat de omroep, ondanks een moeilijke tijd, voortgezet moest worden en bereid was de orders van de Duitsers op te volgen. De verantwoordelijken voor deze verklaring waren onder anderen VARA-voorzitter Arend de Vries en omroepsecretaris Arie Pleysier. Uiteindelijk zou deze verklaring leiden tot vele ontslagen en opzeggingen van lidmaatschappen. Wel hielden De Vries en Pleysier voet bij stuk door geen nationaalsocialistische propaganda uit te zenden en geen onderscheid te maken tussen Joodse en niet-Joodse medewerkers. Dit keurde de RBS goed, op voorwaarde dat de VARA geen programma’s ging maken die de Wehrmacht kon schaden.
Ook de confessionele omroepen KRO, NCRV en VPRO besloten zich direct aan te passen aan de nieuwe situatie en geen slechte indruk te maken bij de bezetter en de RBS. Zo schreef NCRV-bestuurder Köning in de NCRV Gids dat de NCRV de Duitsers zou gehoorzamen, omdat de NCRV altijd trouw was aan de wil van de overheid en God. En omdat in deze situatie de Duitsers ‘de huidige overheid’ waren, ging de NCRV ook aan hun gehoorzamen. Bij de KRO nam directeur Paul Speet de NSB’er George Bosman aan. Bosman moest in zijn functie de band tussen de KRO en de RBS goed houden, om zo een wit voetje bij de Duitsers te krijgen. Bosman kreeg vanwege zijn functie vrij snel de bijnaam ‘fuifcontact’. Bij de VPRO was de situatie anders dan bij de overige omroepen. Omdat de VPRO een kleinere omroep was, met beperkte zendtijd, deed zij niet aan auflagesendungen. Wel besloot de omroep in de omroepgids Vrije Geluiden de Duitsers en hun ideologie goed te praten, met verschillende artikelen die aan deze eis voldeden.