Jean Marius Frédéric Wellan (Haarlem, 25 december 1834, Den Haag, 2 december 1912) was een Nederlands waterbouwkundige. Hij was de zoon van de rijksambtenaar Hendrik Wellan. Hij huwde op 26 april 1861 in Delft met Johanna Jetske Vitringa Coulon.
Opleiding en eerste werkkring Na in 1857 te zijn afgestudeerd aan de Koninklijke Academie te Delft, was hij betrokken bij waterpassingen voor de provincie Groningen. In 1859 begon hij als surnumerair bij Rijkswaterstaat in Vlissingen onder ir. Van der Kun, daarna ingenieur in Utrecht, arrondissements-ingenieur in Nijmegen en Alkmaar en vervolgens hoofdingenieur in 's-Hertogenbosch en Utrecht.
Zijn eerste grote werk was samen met ir. Steuerwald de waterpassingen over de Westerschelde van Vlissingen naar Breskens en van Terneuzen naar Ellewoutsdijk.
In 1867, gedurende zijn diensttijd te Utrecht, was hij lid van de commissie tot “het instellen van een onderzoek naar de wijze van verruiming en verbetering van de Kromme Rijn tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht”. Dit plan had een militaire achtergrond, omdat het direct invloed had op de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Eerder (in 1862) was hij ook al betrokken bij het advies aan het “College van de exonereerende landen van Wageningen en Rhenen en Veenendaal voor het herstel van de heulen bij de Roode Haan”. Dit wat cryptische werk was in feite een inundatie inlaatwerk door de Slaperdijk aan de oostkant van de Gelderse Vallei van Veenendaal (Fort aan de Buursteeg) naar het noorden tot aan Werk aan de Daatselaar. De schans bij de Roode Haan, een voorloper van de huidige Werk aan de Roode Haan, werd in 1629 aangelegd. (Een heul is een verouderde term voor een duiker; exonereerende landen zijn gebieden die geen juridische afspraken met andere gebieden hebben en geen verplichtingen hebben aan andere gebieden) Wellan kreeg hiervoor een zilveren inktkoker.
Hij was te Utrecht lid van de Gezondheidscommissie.
Commissiewerk Vanaf 1864 zat hij regelmatig in examencommissies voor verschillende functies bij Rijkswaterstaat en bij de Polytechnische School te Delft.
Hij was tijdens zijn diensttijd te Utrecht secretaris van de Raad van de Waterstaat, van de minister van Binnenlandse Zaken kreeg hij toen de opdracht te onderzoeken:
of de uitvoering van het plan tot het afsluiten, droogmaken en in cultuur brengen van een gedeelte der Zuiderzee, in de hoofdtrekken door den inspecteur J.A. Beijerinck ontworpen, mogelijk is; en, zoo ja of die uitvoering aan particulieren kan worden overgelaten, dan wel, of de daarbij betrokken belangen een uitvoering van Staatswege aanraden
Hun verslag is op 15 mei 1867 verschenen. Als vervolg hierop was hij ook lid van de commissie van 1892 om het ontwerp van de Zuiderzeevereniging (het plan van Lely) te onderzoeken.
Alkmaar Hij was 12,5 jaar arrondissementsingenieur in Alkmaar (1869-1882). Hij was er een algemeen geacht en gezien ingezetene en heeft daar ook zijn diensten verleend als lid van de commissie van toezicht op het middelbaar onderwijs, van de Plaatselijke Schoolcommissie, van het College van Regenten van het huis van bewaring, en sedert 1874 op herhaalde en krachtige aandrang van een groot aantal van zijn medeburgers ook als lid van de gemeenteraad. Met zijn ambtgenoot P. Loke te Hoorn verleende hij technische hulp en medewerking aan een zich daartoe gevormd hebbend comité uit de besturen van de Anna-Paulownapolder, de polder Waard en Groet en de Waard-Nieuwlandpolder op Wieringen tot indijking van de Wieringermeer.
in 1969 werd hij benoemd in een commissie tot "onderzoek naar de gebreken aan de zuigbuizen der stoommachine aan de beide droogdokken te Willemsoord en de middelen om daarin verbetering te brengen" en in 1879 tot mede-arbiter in een geschil tussen de marine en de gemeente Amsterdam over de oorzaak van een verondieping in het Oosterdok aldaar.
In 1873 was hij betrokken bij opdrachten in Japan en naar Egypte.
In die tijd maakte hij ook een nota over het „Afdammen en weder bevestigen der losgeraakte taatsen van de binnen- en buitenvloeddeuren der schutsluis Willem III aan het Noordhollandsch kanaal in 1869 en 1878". Opgenomen in de Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1879—1880.In 1878 werd hij gevraagd om met de toenmalige sectie-ingenieur bij de aanleg van Staatsspoorwegen J.M. Telders zich op de hoogte te stellen en een verslag te maken over de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1878 betreffende de Ingenieurswetenschap. Het verslag hiervan is opgenomen in de Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1878—1879.
In 1876 werden enige waterstaatswerken (met name zeeweringen) die in beheer waren bij de provincie, overgenomen door het Rijk. De provincie was daar zo blij mee dat Wellan een gratificatie kreeg van 1000 gulden.
De arrondissementsdienst te Alkmaar bracht hem in voortdurende aanraking met het toen in aanleg zijnde Noordzeekanaal door de Amsterdamsche Kanaalmaatschappij. Als gevolg daarvan was hij lid en secretaris van de commissie tot onderzoek en beantwoording van enige vraagpunten betreffende het peil van Noordzeekanaal in verband met de eisen van de scheepvaart, van de afwatering en van de waterverversing van Amsterdam. Verder was hij lid en secretaris van de commissie om oordeel te geven over een ontwerp van ir. P. Caland voor een rijshouten golfbreker ter beveiliging der hoofden van de Noordzeehaven bij IJmuiden aan het Noordzeekanaal.
In 1873 werd hij gevraagd als directeur gemeentewerken in Amsterdam en in 1878 in Rotterdam. Beide keren heeft hij dit aanbod afgeslagen.
Kanaal van Amsterdam naar de Merwede in 1881 is besloten om een kanaal van Amsterdam naar de Merwede aan te leggen. Welland werd projectleider hiervan met standplaats Utrecht. De aanleg van dit kanaal, een der meest belangrijke werken van die tijd, is een zeer lastig werk geweest, vanwege veel moeilijkheden van administratieve aard, omdat dit kanaal door heel veel beheersgebieden van verschillende waterschappen liep. Destijds bestond de "belemmeringenwet privaatrecht" (uit 1927) nog niet, wat de uitvoering van grote werken aanzienlijk bemoeilijkte. Wellan heeft dit werk bijna tot zijn voltooiing kunnen begeleiden. In 1892 werd hij benoemd tot inspecteur van Rijkswaterstaat en toen was dit werk vrijwel klaar. in 1885 is dit kanaal op de wereldtentoonstelling van Antwerpen gepresenteerd, Welland heeft hiervoor een gouden medaille ontvangen. In 1889 was er weer een wereldtentoonstelling in Parijs, Wellan heeft daarvoor foto's en tekeningen geleverd. Hij heeft hiervoor een medaille van het KIvI ontvangen.
Tijdens zijn periode in Utrecht (in 1889) was hij lid van een door de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid ingestelde commissie tot het uitbrengen van rapport omtrent eventuele herstel van de viaducten bij het Centraal Station te Amsterdam. Het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen nam hem in 1891 onder zijn leden op. Voor de gemeenteraad van Utrecht bedankte hij.
Hoofdingenieur, inspecteur en pensioen
Met ingang van 1 november 1894 werd hij benoemd tot hoofdinspecteur van Rijkswaterstaat met standplaats Den Haag. In die betrekking werd hij benoemd tot lid van de staatscommissie met opdracht om te onderzoeken of een afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee op een wijze als door de Zuiderzeevereeniging was voorgesteld in 's lands belang behoort te worden ondernomen, en, zo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht. De commissie bracht in 1894 verslag uit. Wellan behoorde tot de zes leden, die de gestelde vraag ontkennend meenden te moeten beantwoorden, met name vanwege de grote financiële verplichtingen, welke het uitvoeren van de gehele onderneming met zich zal brengen, en op de onzekerheid van haar economische uitkomsten. Hij is in 1889 te benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (ter gelegenheid van het veertigjarig jubileum van koning Willem III) in 1898 te bevorderd tot commandeur in die orde. Met ingang van 1 oktober 1900 kreeg hij op zijn verzoek eervol ontslag.
Na zijn pensionering was Wellan nog lid van een commissie ingesteld door de minister van Oorlog om te onderzoeken in hoeverre er mogelijkheid bestaat, om vereenvoudiging aan te brengen in de inrichting van het wapen der Genie, zonder te kort te doen aan de defensiebelangen. In 1893 nam hij deel aan het internationaal Scheepvaartcongres in Londen (2e congres van Zeewerken, tegenwoordig PIANC).
Na zijn pensionering ging hij in Nijmegen wonen, maar na het overlijden van zijn echtgenote in augustus 1904 verhuisde hij weer naar Den Haag. Op zijn verzoek is hij in Nijmegen begraven. Publicaties van Wellan Waterpassingen over de Westerschelde van Vlissingen naar Breskens en van Neuzen naar Ellewoutsdijk (met E. Steuerwald; 1860) Verh. K. Inst. v. Ing. 1860/1
(met J.M. Telders)
Categorie:Nederlands waterbouwkundige