miniatuur|Akte van verlening van de Tamminga-tienden, op 21 mei 1376, door Reinoud IV van Coevorden aan Lubbert Sickinghe, burgemeester van Groningen De Tamminga-tienden (ook: Tamminge-tienden) waren historische tienden (een vorm van pacht- of belastingheffing op landbouwproducten) in het gebied van het huidige Westerstadshamrik in de Nederlandse provincie Groningen. Ze waren van oudsher verbonden met kerkelijke en stedelijke bezittingen en werden in de late middeleeuwen gepacht door prominente (regionale) families, waaronder de Sickinghes.
Ligging en naam De tienden lagen in het gebied bekend als Tammingeland, ten westen van de rivier de Aa, tussen Dodinge Hoorn (Donghorn) en het klooster Maria Ten Hoorn. Het gebied grensde in het oosten aan de Drentsche Aa (later het Hoornsediep) en ging in het westen over in het Gorecht. In 14e-eeuwse documenten worden de tienden beschreven als liggend in “Tamminge lande in Galekinge land, in Westerdijcke tot den Diepe, dat die Aa diep geheten is by Groeningen”. Het zogeheten Galekinge land (ook Gelkingeland), vernoemd naar de invloedrijke familie Gelkinge, maakte deel uit van het Gorecht en lag tussen het klooster Maria Ten Hoorn en de Hoornsche Dijk — het huidige gebied rond Laanhuizen en Hoornsediep.Driessen, a.w. II, 324, III, 531, IV, 808
De naam Tamminga verwijst mogelijk naar een oudere plaats- of persoonsnaam. In Drenthe en de Groninger Ommelanden waren families met de naam Tamminga of Tammink al in de middeleeuwen bekend. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat deze families eigenaar waren van de Tamminga-tienden of het omliggende land, bleef de naam voortleven in verschillende adellijke huizen en borgen in Groningen, zoals de Tammingaborg te Bellingeweer bij, de Tammingaborg te Hornhuizen, en de borg Tammingahuizen.
Functie en beheer De Tamminga-tienden waren een belangrijk onderdeel van de agrarische en stedelijke economie van Groningen. Ze vertegenwoordigden een deel van de opbrengsten van landerijen en hofsteden in het gebied en werden gebruikt voor het onderhoud van kerkelijke instellingen en stadsbeheer. De tienden werden verdeeld in grove en smalle tienden, afhankelijk van het type opbrengst.
Kerkelijk en wereldlijk gezag miniatuur|Akte van verlening van de Tamminga-tienden, op 9 augustus 1384, door Reinoud IV van Coevorden aan Johan Sickinghe, burgemeester van Groningen De Tamminga-tienden waren vermoedelijk aanvankelijk bezit van het domkapittel van Utrecht, dat in de 14e eeuw grote delen van de Groninger kerkelijke goederen beheerde. Ze maakten deel uit van de inkomsten van de Groninger stadstafel, terwijl delen van het gebied onder de wereldlijke macht van de burggraven van Coevorden vielen.
Hoewel het domkapittel de oorspronkelijke leenheer was, oefende Reinoud IV van Coevorden zich in deze periode op eigen gezag als heer over het Gorecht en de stad Groningen. Dat de Van Coevordens zich in de 14e eeuw als feitelijke leenheren over dit gebied beschouwden, illustreert de complexe verhouding tussen kerkelijk en wereldlijk gezag in de late middeleeuwen.
Beleningen In 1360 verpachtte de deken van het domkapittel van Utrecht de Postinghe-tienden bij Helpen aan de Groninger burgemeester Lubbert Sickinghe.Groninger Oorkondeboek, Nr.482, 1360 juni 4 Enkele jaren later, op 21 mei 1376, werd Lubbert Sickinghe door Reinoud IV van Coevorden beleend met de Tamminga-tienden, “gelegen in Tamminge lande in Galekinde landen ten westen van de Aa, tusschen Dodinge horne en den monnikken huus van Assen, dat de Hoern gehieten is”.Groninger Archieven, (572) Familie Sickinghe, 1257 - 1974, Inventaris, 1. Deel I; Stukken betreffende de familie Sickinghe afkomstig uit het register Feith, 1.04. Evert Sickinghe (overl vóór 1481), 11 (bevat naast 1376 óók 1384 en 1463) In deze akte werd vastgelegd dat Lubbert Sickinghe en zijn erfgenamen de tienden eeuwig mochten bezitten, met volledige juridische bescherming tegen elke betwisting door derden. miniatuur|Akte van verlening van de Tamminga-tienden in 1463 door Wolter Stelling, drost van Coevorden namens de bisschop van Utrecht, David van Bourgondië, aan Evert Sickinghe, schoonzoon van Focko Ukena Op 9 augustus 1384 werden de tienden overgedragen aan zijn zoon, Johan Sickinghe, eveneens burgemeester van de stad Groningen; deze belening werd later bevestigd door Reinoud IV van Coevorden. Johan betaalde jaarlijks drie Groninger pond op Sint-Magnusdag (19 augustus), na binnenkomst van de oogst, voor het beheer van de tienden.P.J. Blok, J.A. Feith, S. Gratama, J. Reitsma en C.P.L. Rutgers, Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, Tweede deel, Groningen 1899, p.80.
In de daaropvolgende eeuw bleef de familie Sickinghe betrokken bij verschillende tienden in en rond Groningen. In 1445 droeg Lubbert Sicking een kwart en een achtste deel van de Helpmanster tienden (nabij Helpen) over aan Albert Jarges en Barold ter Bruggen, delen die hij van zijn ouders had geërfd. Een akte uit 1449 vermeldt dat Johan Sickinghe eerder de grote en kleine tienden bezat op de Zuideresch bij Helpman en op de Helpmanse es. In 1459 wordt hij opnieuw genoemd als mede-eigenaar van de halve tienden te Helpman, samen met Hermen ter Hansouwe.G. Acker Stratingh, H.O. Feith, Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen (1869), Zesde Deel, p. 296-297.
In 1463 werd de kleinzoon van Lubbert, Evert Sickinghe, door bisschop David van Bourgondië beleend met dezelfde tienden, namens de kerk van Utrecht. De leenopdracht werd toen uitgevoerd door Wolter Stelling, drost van Coevorden.Groninger Archieven, (572) Familie Sickinghe, 1257 - 1974, Inventaris, 1. Deel I; Stukken betreffende de familie Sickinghe afkomstig uit het register Feith, 1.04. Evert Sickinghe (overl vóór 1481), 9-10 Evert Sickinghe was schoonzoon van de Oost-Friese legeraanvoerder Focko Ukena en werd door de bisschop van Münster, Hendrik II van Meurs, aangesteld als proost van de halve proosdij van Loppersum.
De beleningen door de Heren van Coevorden en de bisschoppen van Utrecht illustreren hoe de Tamminga-tienden deel uitmaakten van een complex netwerk van kerkelijke en wereldlijke machtsverhoudingen, waarin invloedrijke Groninger families zoals de Sickinghes een centrale rol speelden.
Latere geschiedenis Hoewel oorspronkelijk kerkelijk bezit, beheersten de Heren van Coevorden en later stedelijke en adellijke families het gebied, vaak op eigen gezag. Na de middeleeuwen gingen de tienden geleidelijk over in particulier bezit of erfpacht. De historische functie als belastingheffing op landbouwproducten verdween, maar de term blijft van historisch en archeologisch belang.
Krantenartikel miniatuur|De drie adelaars (roofvogels) op het wapen van de adellijke familie Sickinghe Op 14 november 1969 verscheen in de communistische krant De Waarheid een opiniërend artikel over het familiewapen van de familie Sickinghe. Het artikel droeg de titel: Waarom Lubbert drie roofvogels uitkoos – Jonkheer Sickinghe en de familietraditie. Hierin werd gesuggereerd dat Lubbert Sickinghe destijds het schild van zijn familiewapen links en rechts liet vasthouden door roofvogels, en er voor alle zekerheid een derde bovenop plaatste – om te laten zien dat 'geen boer hem ontkwam' bij het innen van de tiende penning. De kritiek van het artikel was dat jhr. Feijo Onno Joost Sickinghe, in zijn hoedanigheid van president van de raad van bestuur van Stork, deze traditie in 1969 op soortgelijke wijze voortzette.De Waarheid, jaargang 29, nr. 292, p. 5, Waarom Lubbert drie roofvogels uitkoos – Jonkheer Sickinghe en de familietraditie, 14 november 1969 (Delpher)
Zie ook Leen (feodalisme) Leenstelsel Leenrecht (feodaal recht) Leenverheffing Lijst van burggraven van Coevorden Sickinghe (geslacht) Tiende Tiendblok Westerstadshamrik
Externe links Historische Kring De Marne, Over het heffen van Tienden in het Grote- en Kleine Reedschap (geraadpleegd 15 oktober 2025) Het Gelkingeland, waar lag dat precies? (geraadpleegd 15 oktober 2025)
Categorie:Geschiedenis van Groningen (provincie)