Helene Lange (Oldenburg, 9 april 1848 – Berlijn, 13 mei 1930) was een Duits onderwijzeres, politica, schrijfster, publiciste en vrouwenrechtenactiviste in de burgerlijke vrouwenbeweging.
Na het afronden van de lerarenopleiding in 1872 zette ze zich in voor de gelijke kansen van meisjes en vrouwen in het Duitse onderwijs. Haar publicatie over onderwijshervormingen in 1887 zorgde voor veel erkenning, ook buiten de onderwijskringen. Ze beschouwde dit als het begin van haar engagement voor vrouwenrechten.
In de jaren 1890 zette ze en op die vrouwen meer academische verdieping gaven en hen voorbereidden op een loopbaan of universitaire studie. Daarnaast zette ze zich in voor de verbetering van de positie van vrouwelijke leerkrachten en was ze betrokken bij diverse vrouwenverenigingen.
Na een korte politieke carrière als parlementslid voor de links-liberale (DDP) trok ze zich begin jaren 1920 vanwege haar gezondheid terug uit haar publieke functies.
Voor haar jarenlange inzet voor vrouwenrechten ontving ze een eredoctoraat van de Universiteit Tübingen, de Pruisische Staatsmedaille en het ereburgerschap van de stad Oldenburg.
Jeugd Helene Henriette Elisabeth Lange werd geboren in Oldenburg op 9 april 1848. Ze was de dochter van koopman Carl Theodor Lange en Johanne Sophie Amalie tom Dieck. Lange groeide op in een burgerlijk liberaal gezin met twee broers. Haar vader werd omschreven als een 'gerespecteerde koopman' en haar moeder als een 'fragiele vrouw'.
Reeds op jonge leeftijd kwam ze in aanraking met de ongelijke behandeling tussen jongens en meisjes. Ze moest als kind meehelpen in het huishouden en ze hekelde dat zij, in tegenstelling tot haar broers, moest leren breien. In haar memoires schreef ze dat ze de 'pech had een meisje te zijn' en bij het handwerken een gebrek aan intellectuele uitdaging ervaarde.
In maart 1855, toen Lange bijna zeven jaar oud was, overleed haar moeder aan tuberculose. Een tante nam hierna de zorg voor het huishouden over. Hoewel het gemis van haar moeder naar eigen zeggen zeer pijnlijk was, had ze dankzij haar vader een vrije en gelukkige jeugd. In januari 1864, bijna negen jaar na de dood van haar moeder, stierf haar vader aan een hersenbloeding. De vijftienjarige verweesde Lange trok vervolgens samen met haar oudere broer in bij haar grootvader.
Kort voor haar zestiende verjaardag vertrok ze naar Eningen in Württemberg waar ze bij het gezin van schrijver en dominee Max Eifert een Veel meisjes uit de middenklasse gingen na het afronden van de middelbare school een jaar op pensionaat. Het doel hiervan was om hen verder voor te bereiden op hun rol als echtgenote en moeder. doorbracht. Daar kwam ze in contact met academici en ze volgde hun discussies met grote interesse. Naar eigen zeggen was deze intellectuele omgeving voor haar een openbaring, aangezien ze afkomstig was uit een land dat eerder werd gekenmerkt door 'de boer, de koopman en de zeeman'. Het werd haar echter niet toegestaan om zich in de gesprekken te mengen, want als 'wijze mannen spreken, moeten meisjes zwijgen'. Ze noemde dit de 'spirituele scheiding der seksen' en stelde dat de vrouwenrechtenactiviste in haar wellicht op dat moment werd geboren.
Opleiding en start loopbaan Lange besloot dat ze onderwijzeres wilde worden, het enige beroep dat destijds bij vrouwen uit haar maatschappelijke klasse paste en dat haar meer vrijheid zou bieden. Ze had tot dan toe enkel de gevolgd, een opleiding die haar enige intellectuele vorming had gegeven, maar meisjes uit de burgerlijke klasse vooral voorbereidde op een leven als huisvrouw en echtgenote. Nadat ze terugkeerde naar haar grootvader in Oldenburg, verbood hij de minderjarige Lange te starten met een lerarenopleiding. Volgens hem had geen enkele vrouw uit Oldenburg dat ooit gedaan en verwachtte hij dat ze een traditioneel levenspad zou volgen.
Hierop besloot ze in 1866 een baan als opvoedster aan te nemen op een Frans meisjesinternaat in de Elzas. Hier gaf ze les in Duitse literatuur en grammatica, en studeerde ze zelfstandig filosofie, geschiedenis, godsdienst en literatuur om zich, zonder dat haar grootvader dit wist, voor te bereiden op haar lerarenexamen. Daarnaast studeerde ze in haar vrije tijd muziek en Frans. Vanwege een oogaandoening en ernstige migraine werd Lange echter genoodzaakt deze baan op te geven. In het voorjaar van 1867 vond ze werk als gouvernante voor de vijf dochters van een industrieel in Osnabrück en verbleef daar drie jaar. Toen ze 23 jaar oud was, in 1871, kreeg ze toegang tot de erfenis van haar ouders en verhuisde ze naar Berlijn. Een jaar later legde ze het lerarenexamen succesvol af.
Na haar afstuderen werkte ze als privéonderwijzeres in onder meer Heidelberg. Ze beschouwde haar werk als privélerares als gemakkelijk en aangenaam, maar het bood haar naar eigen zeggen niet de vrijheid waar ze naar verlangde. Lange zocht naar een manier om zichzelf op persoonlijk en intellectueel vlak verder te ontplooien. Om zich beroepsmatig verder te ontwikkelen studeerde ze Oudgrieks en Latijn, en verdiepte ze zich samen met andere vrouwen in filosofie en geschiedenis.
Lange had aanvankelijk geen aandacht geschonken aan georganiseerde vrouwenbewegingen, maar kwam uiteindelijk door haar beroep met hen in contact. In 1872 sloot ze zich aan bij de . Deze in 1869 opgerichte vereniging voor Duitse leraressen en opvoedsters had als doel het onderwijs inhoudelijk te verbeteren, te pleiten voor een eerlijkere financiële verloningHet beroep van onderwijzeres werd met name uitgevoerd door vrouwen uit de burgerij voor wie het salaris slechts een aanvulling was op de toelage die zij kregen van hun familie. Hierdoor konden vrouwen die uit minder gegoede families kwamen moeilijk voorzien in hun levensonderhoud. en de beroepsmogelijkheden van onderwijzeressen uit te breiden.
Nadat ze twee jaar als lerares talen aan de had gewerkt, vond ze in 1876 een baan als onderwijzeres aan de , een private hogere meisjesschool die was opgericht door Lucie Crain. Daar gaf ze de vakken psychologie, Duitse literatuur, geschiedenis, aardrijkskunde, rekenen en Franse literatuur. Als onderwijzeres benadrukte ze naar eigen zeggen het zelfstandig denken, omdat dit leerlingen verder zou helpen in hun verdere leven. Voor Lange betekende geluk: "mensen opleiden, hen helpen om het beste uit zichzelf te halen, wat hun aard ook maar te bieden had." Naast haar werk als onderwijzeres startte Lange op deze school met het uitbouwen van een lerarenopleiding en werd ze aangesteld als directrice van het lerarenseminar. Over de methodes van bestaande lerarenopleidingen was ze niet tevreden. Ze beschreef deze instituten onder meer als 'beklemmend' en ze lieten volgens haar weinig ruimte voor eigen inzichten. Langes visie was met name gericht op zelfstandigheid, kritisch denken en persoonlijke ontwikkeling.
Strijd voor kansengelijkheid in het onderwijs
Rond 1880 leerde Lange onder anderen Hedwig Heyl, Henriette Schrader-Breymann, Henriette Hirschfeld-Tiburtius en Franziska Tiburtius kennen in de liberale kringen van Berlijn. Met hen besprak ze de problemen die ze ervaarde in het onderwijs voor meisjes. Lange had onder meer kritiek op de manier waarop dit onderwijs was georganiseerd. Ze concludeerde dat de hogere meisjesscholen een belangrijk emanciperend effect hadden, waardoor vrouwen als gelijkwaardige burgers aan het maatschappelijk leven konden deelnemen, maar te weinig voorbereiding gaven aan meisjes en vrouwen die nadien in hun eigen levensonderhoud moesten voorzien. Gebrekkig onderwijs zou volgens Lange leiden tot afhankelijkheid en een onbevredigend leven, omdat carrièremogelijkheden beperkt bleven.
Het schoolcurriculum moest volgens Lange voor jongens en meisjes hetzelfde zijn, en meisjes dienden volgens haar toegang te krijgen tot academische studies. Daarnaast stelde ze dat gekwalificeerde vrouwen moesten worden aangesteld als leerkrachten en kregen mannelijke leraren een ondersteunende rol. Volgens haar begrepen vrouwelijke leerkrachten, doordat zij zelf vrouw waren, hoe zij meisjes 'vrouwelijke zedelijkheid' konden bijbrengen. Ook zouden zij op een meer begripvolle en liefdevolle manier omgaan met de opvoeding en vorming van meisjes. Vanaf 1884 werden haar ideeën regelmatig gepubliceerd in het tijdschrift van lerares en vrouwenrechtenactiviste Marie Loeper-Housselle.
miniatuur| (1887)|alt=Foto van de titelpagina van het boek Die höhere Mädchenschule und ihre Bestimmung. De tekst is gedrukt in Fraktur drukletters. Lange bundelde enkele van haar standpunten in het document , vanwege de gele kaft beter bekend als de '', dat in november 1887 werd gepubliceerd. Hierin sprak zij zich uit voor een grotere rol voor vrouwen in het lesgeven op hogere meisjesscholen, met name in de vakken godsdienst en Duits. Daarnaast pleitte ze voor de oprichting van staatsinstellingen, , voor de opleiding van onderwijzeressen voor de hogere klassen van meisjesscholen na afronding van een reguliere lerarenopleiding.
Naast een uiteenzetting van haar standpunten, bracht ze ook een aantal kritische punten aan. Zo bekritiseerde ze onder meer een uitspraak die tijdens een congres van bestuurders en docenten in Weimar (1872) werd gedaan. Hierin werd gesteld dat meisjes niet opgeleid moesten worden voor hun eigen persoonlijke ontwikkeling, maar ten behoeve van hun toekomstige echtgenoten.
De publicatie kreeg veel media-aandacht en zorgde voor ophef, onder meer in politieke kringen en bij directeuren en mannelijke leraren van hogere meisjesscholen, wat haar naar eigen zeggen verraste. Zo verklaarde de Pruisische Minister van Onderwijs Karl Schneider dat hij “‘s nachts niet zou kunnen slapen” als hij zelf een dergelijk document had geschreven. Tegelijkertijd kwamen er ook positieve berichten, waaronder van de liberale politicus Theodor Barth die het initiatief publiekelijk steunde in zijn weekblad .
In januari 1888 overhandigde Lange samen met vijf andere vrouwenMinna Cauer, Anna Luise Dorothea Jessen, Henriette Schrader-Breymann, Marie Loeper-Housselle en mevrouw Eberty. een petitie van de (ADF) aan het Pruisische Ministerie van Onderwijs en het Pruisische Huis van Afgevaardigden. Hierin werd gevraagd om vrouwen toe te laten tot de universiteit zodat zij de bevoegdheid tot lesgeven aan hogere meisjesscholen konden behalen, en hen toe te laten tot de studie geneeskunde en de medische praktijk. De door Lange geschreven diende als een begeleidend schrijven.
Het Huis van Afgevaardigden besloot de petitie niet in behandeling te nemen en de regering verwierp het voorstel na een jaar. Ondanks deze tegenslag bleef Lange zich inzetten gelijke onderwijskansen voor meisjes en vrouwen. De commotie rond haar schrijven had ervoor gezorgd dat Lange veel erkenning kreeg, ook buiten de onderwijskringen. Zelf zag ze het indienen van de petitie als het startpunt van haar engagement voor vrouwenrechten, met de strijd voor kansengelijkheid van meisjes en vrouwen in het onderwijs in het bijzonder.
Invloed van Victoria van Saksen-Coburg en Gotha miniatuur|, Cambridge.|alt=Sepia foto van het gebouw van het Girton College in Cambridge. Via Henriette Schrader-Breymann leerde Lange kroonprinses Victoria kennen. De kroonprinses was sinds de late jaren zestig van de negentiende eeuw actief op het gebied van sociale hervormingen en had nauwe banden met de liberale vrouwenbeweging. Ze was onder meer een sterke voorstander van vrouwelijke leerkrachten op lagere scholen en de hogere meisjesscholen. De vrouwenbeweging profiteerde van Victoria’s betrokkenheid, omdat haar liberale ideeën grote invloed hadden op haar echtgenoot Frederik III van Pruisen en ze met haar positie invloed kon uitoefenen op het politieke klimaat in het Duitse Rijk.