De Spaanse Oorlog van Eurik was een militair conflict in de nadagen van West-Romeinse Rijk, waarbij de Gotische rex Eurik zijn macht uitbreidde over het grootste deel van Hispania (het huidige Spanje en Portugal).
Achtergrond Eurik regeerde over de Visigoten van 466 tot 484. Hij was een van de machtigste koningen van zijn tijd en de eerste Gotische vorst die een de facto onafhankelijk koninkrijk vormde, los van Romeinse gezagsclaims. Tijdens zijn opstand tussen 468 en 471 had Eurik grote delen van Gallië (het huidige Zuid-Frankrijk) onder zijn controle gebracht, met Toulouse als hoofdstad. Ook in Hispania was het Romeinse gezag tanende en hadden de Goten door de overwinning van Theodorik II in 456 op de Sueven invloed verworven in Carthaginensis. Lokale bestuurders handelden nog uit naam van het Rijk, maar er was geen effectieve militaire controle, met uitzondering van de provincie Tarraconensis (het noordoostelijke deel).
Rond 473 besloot Eurik zijn macht uit te breiden naar het Iberisch Schiereiland. De precieze aanleiding is niet helemaal duidelijk, maar vermoedelijk zag hij zijn kans schoon door de chaos in het West-Romeinse Rijk. In 472 werd keizer Anthemius vermoord en heerste Ricimer in Italië zonder keizer totdat in 474 het Oosten Nepos naar voren schoof als nieuwe keizer. Volgens indirecte aanwijzingen uit Hydatius' kroniek en latere samenvattingen van Jordanes had Euriks operatie twee doelen: het uitschakelen van nog loyale Romeinse garnizoenen en het beperken van de invloed van de Sueven.Jordanes, Getica 240
De oorlog in Spanje Aanvang Eurik gaf in de loop van 473 opdracht aan zijn leger om in Hispania de resterende Romeinse garnizoenen en lokale troepen te onderwerpen. De Chronica Gallica beschrijft twee Visigotische legergroepen. Hij zond comes Gautericus uit om Pamplona, Caesaraugusta en verschillende nabijgelegen steden in te nemen.Chronica Gallica van 511, 651 Het andere leger trok onder leiding van Heldefredus richting de stad Tarraco, waar Vincentius zich bij hem aansloot. De operatie die de Gotische legers uitvoerde was voornamelijk gericht op de provincie Tarraconensis, en mogelijk op aangrenzende gebieden in Hispania waar het Romeinse gezag nog functioneerde. In de bronnen wordt geen melding gemaakt van specifieke veldslagen, maar de oorlog moet zwaar en langdurig zijn geweest. Sidonius Apollinaris, Epistulae VII.6.7-8 Wat men wel uit de overlevering kan opmaken, is dat het Romeins verzet hoofdzakelijk kwam van de Hispano-Romeinse elite, maar dat deze zich niet als één blok tegen de Visigoten verzette. De langdurige verzwakking van het West-Romeinse gezag had een politieke tweespalt doen ontstaan. Een deel van de elite bleef trouw aan de Romeinse staat en verzette zich tegen de Visigotische expansie, Isidorus van Sevilla vermeldt dat Euric de nobilitas van Tarraconensis, die zich tegen hem had verzet, met zijn leger onderwierp. terwijl een ander deel koos voor aanpassing aan de nieuwe machtsverhoudingen. Voor deze laatste groep bood Eurik, ondanks zijn positie als voormalige Romeinse bondgenoot en inmiddels agressieve veroveraar, meer perspectief op veiligheid en behoud van bezit en invloed dan een West-Romeinse keizer die nauwelijks nog in staat was Hispania militair te beschermen.
Beleg van Tarraco en verovering van de kuststeden Vincentius, de comes Hispaniarum, vormt een bijzonder duidelijk voorbeeld van de groep die zich aan de zijde van Eurik schaarde. Hij was rond 464/465 als Romeinse dux provinciae een belangrijke militaire vertegenwoordiger van het Romeinse gezag in Tarraconensis. Tijdens Euriks verovering verschijnt hij echter aan de zijde van de Visigotische bevelhebber Heldefred bij het beleg van Tarraco en hielp daarna mee de kuststeden te veroveren. Vervolgens bleef hij onder Eurik als hoge militaire bevelhebber actief.
De steden Tarraco en Caesaraugusta boden krachtig verweer en konden de Gotische opmars een tijdlang tegenhouden. Uiteindelijk moesten zij het onderspit delven en onderwierp Heldefred met hulp van Vincentius de hele provincie in 474 of begin 475. Jordanes vermeldt een honderd jaar later samenvattend: "Eurik 'veroverde heel Spanje, zelfs die regio's die zich lang tegen zijn heerschappij verzetten".Jordanes, Getica Volgens huidige historici als Santiago Castellanos moet deze bewering niet al te letterlijk worden opgevat. Gallaecia (noordwesten, het huidige Galicië) bleef buiten hun macht, want daar heersten de Sueven, een Germaans volk dat over een eigen territorium beschikte. In Carthaginensis was de Visigotische controle waarschijnlijk aanzienlijk, maar over Baetica en Lusitania gering.
Afloop In de loop van 475 probeerde de West-Romeinse keizer Julius Nepos de situatie diplomatiek te stabiliseren. Er werd vermoedelijk een verdrag gesloten waarbij Eurics' gezag over heel Hispania en over Gallië, van de Pyreneeën tot de Loire en Rhône, werd erkend in ruil voor vrede. Deze erkenning betekende feitelijk het einde van de Romeinse macht in Spanje. In ruil keerde de Provence terug onder de controle van Rome.Sidonius Apollinaris, Epistulae 7.6 en 8.3 Moderne historici (zoals Roger Collins en Peter Heather) interpreteren dit als een realistische vredesdeal, waarin keizer Nepos erkende dat hij militair niets meer kon veranderen. Nepos werd verdreven door Orestes en zijn opvolger Romulus Augustus werd in 476-477 afgezet. Eurik profiteerde daarvan en bezette kort daarna alsnog de Provence. Vanaf toen viel het westelijke rijksdeel formeel onder de oostelijke keizer Zeno. Deze erkende rond 477–479 officieel Euriks' macht over Aquitanië en Gallië.
Nasleep De overwinning van Eurik en de daaropvolgende vrede bracht Tarraconensis feitelijk binnen de Visigotische machtsfeer. Daarmee was de provincie echter nog niet volledig in het Visigotische koninkrijk geïntegreerd. De Romeinse bestuurlijke structuren en een deel van de Hispano-Romeinse elite bleven bestaan, terwijl het Visigotische gezag waarschijnlijk vooral op militaire macht berustte. Onder Alarik II werd dit gezag in de jaren 490 opnieuw versterkt. De berichten uit 494 en 497 over de komst en vestiging van de Goten hebben betrekking op een versterking van de Visigotische militaire aanwezigheid.
Tegen deze achtergrond liet Burdunellus zich in 496 tot keizer uitroepen. Zijn optreden lijkt een uiting te zijn geweest van lokale weerstand tegen de verdere versterking van het Visigotische gezag. Dat zijn eigen aanhangers hem uiteindelijk uitleverden, toont echter aan dat de Hispano-Romeinse elite verdeeld was over de verhouding tot de Visigotische monarchie. Opmerkelijk genoeg viel de opstand van Burdunellus samen met de eerste Frankische aanvallen op Visigotisch Gallië. De Visigoten wisten deze aanvallen uiteindelijk af te slaan, wat erop wijst dat hun militaire macht nog aanzienlijk was. Pas na de nederlaag van Alarik II bij Vouillé in 507 en het verlies van het grootste deel van Gallië verschoof het zwaartepunt van het Visigotische rijk definitief naar Hispania.
Bronnen Sidonius Apollinaris, Epistulae Hydatius, Chronicon Jordanes, Getica (6e eeuw).
Categorie:Oorlog in de 5e eeuw