thumb|De stad M'banza-Kongo, ook San Salvatore genoemd, hoofdstad van het koninkrijk Congo, 1766 miniatuur|Ontscheping in Yambuya, 1890 De geschiedenis van Congo-Kinshasa omvat de prehistorische periode, de Protokongo- en Kongolese tijd, de prekoloniale en koloniale fase, de postkoloniale geschiedenis, de periode van de Republiek Zaïre, de daaropvolgende burgeroorlogen en de huidige tijd.
Prehistorie
Het gebied dat tegenwoordig de Democratische Republiek Congo omvat, kent een zeer vroege menselijke aanwezigheid, met archeologische bewijzen die teruggaan tot circa 400.000 jaar geleden. De oudste sporen wijzen op de aanwezigheid van de Homo heidelbergensis, terwijl de Homo sapiens zich waarschijnlijk tussen 300.000 en 200.000 jaar geleden in de regio vestigde.
Twee belangrijke archeologische vindplaatsen, Katanda en Ishango, leveren bewijs van vroege technologische en cognitieve ontwikkeling. De vondsten in Katanda, die dateren van circa 90.000 jaar geleden, bestaan uit bewerkte botwerktuigen, waaronder verfijnde harpoenen, wat wijst op een gespecialiseerde visvangsttraditie. De Ishango-beenderen, gedateerd op ongeveer 22.000 jaar geleden, worden beschouwd als een vroege vorm van numerieke notatie, wat duidt op wiskundig inzicht en mogelijk astronomische observaties binnen Laat-Paleolithische gemeenschappen.
Vanaf 10.000 v.Chr. werd de regio bewoond door jagers-verzamelaars, waaronder de voorouders van de hedendaagse pygmeeën. Tussen 2000 v.Chr. en 500 n.Chr. vond de Bantoe-expansie plaats, waarbij migrerende groepen vanuit het noordwesten landbouw, ijzerbewerking en nieuwe sociale structuren introduceerden. Naast de Bantoe-expansie droegen latere migraties bij aan de etnische en linguïstische diversiteit van de regio. Vanaf de vroege middeleeuwen arriveerden groepen vanuit Darfoer en Kordofan (het huidige Soedan) in het noordoosten en vanuit Oost-Afrika in het oosten. Ondanks deze interacties bleef de Bantoe-taalfamilie dominant.
Proto-Kongo Periode (1000-1395) miniatuur|Talen in Congo
De voorlopers van het Koninkrijk Kongo bestonden uit verschillende Bantu-sprekende gemeenschappen. Deze dorpssamenlevingen leefden van landbouw, visserij en handel, waarbij koper, ivoor en zout belangrijke handelsgoederen waren. Tussen 1000 en 1395 ontstonden er grotere Koninkrijken. In de 13e eeuw waren er drie grote confederaties van staten in het westelijke Kongobekken. In het oosten lagen de Zeven koninkrijken van Kongo dia Nlaza, die als de oudste en machtigste worden beschouwd. Hiertoe behoorden waarschijnlijk Nsundi, Mbata, Mpangu en mogelijk Kundi en Okanga. Ten zuiden hiervan lagen de Geconfedereerde Staten van Mpemba. Deze confederatie omvatte verschillende koninkrijken zoals Mpemba Kasi en Vunda. In het westen, aan de overkant van de Kongorivier, bevond zich een confederatie van drie kleine staten: Vungu, Kakongo en Ngoyo.
Volgens de Kongo-traditie uit de 17e eeuw vond het koninkrijk zijn oorsprong in Vungu, dat zijn invloed uitbreidde over Kongo tot aan Mpemba Kasi. Dit gebied vormde het noordelijkste deel van Mpemba, waarvan de hoofdstad ongeveer 150 mijl zuidelijker lag. Een dynastie van heersers uit deze gemeenschap vestigde haar macht langs de Kwiluvallei, ook wel Nsi a Kwilu genoemd, centraliseerde de politieke macht en ontwikkelde hiërarchische structuren. In de late 14e eeuw verenigde Lukeni lua Nimi, een leider afkomstig uit de Geconfedereerde Staten van Mpemba, verschillende Koninkrijken en vestigde Mbanza Kongo als hoofdstad, waarmee hij de basis legde voor het Koninkrijk Kongo.
Koninkrijk Kongo (1395-1914) miniatuur|Dom Miguel de Castro was in de jaren 1640 ambassadeur van het koninkrijk Kongo in Nederland.Tegen de 15e eeuw was het koninkrijk Kongo de dominante politieke macht in het Kongogebied. Dit was een hoger ontwikkelde staat in het zuidwesten van Congo-Kinshasa en het noorden van Angola. Op zijn hoogtepunt strekte het rijk zich uit van de Atlantische Oceaan in het westen tot de rivier de Kwango in het oosten, en van de rivier de Kongo in het noorden tot de rivier de Loje in het zuiden. Het was een koninkrijk, met aan het hoofd de Mwene Kongo (Manikongo) die heerste over de Bakongo vanuit zijn hoofdstad M'banza-Kongo. Het rijk vormde het centrum voor een intensieve handel van grote hoeveelheden ivoor in Centraal-Afrika, en er werd koperwerk, raffiakledij en aardewerk geproduceerd, naast de natuurlijke producten. Deze handelsgoederen zouden, naast de slaven, de ruggengraat vormen van de handel van Kongo met de Europeanen (vooral de Portugezen).
De slavenhandel was een belangrijke factor in de ondergang van het koninkrijk, omdat de Europese slavenhandelaars een groot percentage van de bevolking wegvoerden. Hoewel historische bronnen schaars zijn, is duidelijk dat de Kongo-beschaving geavanceerd was. Zo was er bijvoorbeeld een nauwkeurig systeem van belastingheffing, en een officiële Kongo-taal.
Eerste Portugese Oorlog (1641–1665) Tussen 1641 en 1648 werkte het Koninkrijk Kongo samen met de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in hun gezamenlijke strijd tegen Portugal. Nederlandse troepen van de West-Indische Compagnie veroverden in 1641 de havenstad Luanda, met actieve steun van Kongo. Deze samenwerking was gericht op het breken van de Portugese invloed in Angola. Toen Portugal Luanda in 1648 heroverde, verslechterden de verhoudingen opnieuw. De spanningen leidden uiteindelijk tot de Slag bij Mbwila in 1665, waarin koning António I van Kongo en een groot deel van zijn hofhouding werd gedood. De nederlaag leidde tot een politieke crisis en burgeroorlog binnen het rijk.
Kongolese Burgeroorlog (1655-1709)
De Kongolese Burgeroorlog was een opvolgingsstrijd tussen rivaliserende huizen van het koninkrijk Kongo. Gedurende de late 17e en vroege 18e eeuw vochten aanhangers van het Huis Kinlaza en het Huis Kimpanzu om de troon. Daarnaast mengden verschillende andere facties zich in de strijd, waaronder het Huis Água Rosada en het graafschap (later konikrijk) Soyo, die aanspraak maakten op afstamming van één of beide hoofdfracties. Tegen het einde van de oorlog was de ooit machtige hoofdstad van Kongo verwoest en werden veel Kongolezen tot slaaf gemaakt en afgevoerd via de Trans-Atlantische slavenhandel.
Tweede Portugese oorlog (1670–1680) Na Mbwila trachtten Kongolese facties vergeefs om de Portugese invloed in Angola terug te dringen. Gedurende dit decennium vonden meerdere confrontaties plaats, maar Kongo slaagde er niet in het strategische evenwicht te herstellen. De centrale macht in het koninkrijk bleef zwak, wat leidde tot verdere fragmentatie.
Oorlog met Soyo (1670) Tegelijk met de tweede Portugese oorlog brak een intern conflict uit tussen Kongo en de afvallige provincie Soyo. Soyo genoot Portugese militaire steun, versloeg herhaaldelijk de koninklijke legers, en bemoeide zich actief met de troonopvolging. Dit conflict verankerde de machtsversplintering in het rijk.
Derde Portugese oorlog (1700–1715) In het begin van de 18e eeuw probeerde Kongo zich opnieuw te herstellen. Pogingen om een stabiele dynastie te vestigen en Portugese inmenging te beëindigen resulteerden in een laatste reeks confrontaties. Portugal erkende uiteindelijk een gematigde troonpretendent, maar het koninkrijk bleef instabiel en politiek verzwakt.
Overige Koninkrijken en staten Verder landinwaarts ontwikkelden zich complexe staatsvormen zoals het Luba- en Lunda-rijk, die bekendstonden om hun efficiënte politieke structuren en uitgebreide handelsroutes. Het Luba-rijk, dat rond de 17e eeuw ontstond, werd bestuurd door de Mulopwe en kenmerkte zich door een gedecentraliseerd maar gestructureerd systeem waarin clanhoofden een integrale rol vervulden. Het Lunda-rijk, dat voortkwam uit de Luba-tradities, breidde zijn invloed uit over een aanzienlijk gebied en vestigde een dynastiek bestuurssysteem waarin onderworpen regio’s via tribuutplichten en familiale verbindingen met de centrale macht geïntegreerd werden. Het Koninkrijk Laongo, gelegen aan de Atlantische kust, was een belangrijke maritieme macht en fungeerde als knooppunt binnen de trans-Atlantische en regionale handel. Het Koninkrijk Kuba, bekend om haar verfijnde artistieke tradities, was een federatief georganiseerde staat met een sterke nadruk op sociale hiërarchie en institutionele stabiliteit.
Het Sultanaat Utetera was een minder bekende, maar invloedrijke politieke entiteit in het oostelijke deel van het huidige Congo. Dit sultanaat ontstond in de 18e en 19e eeuw als een handels- en machtscentrum in de uitgestrekte netwerken die Centraal-Afrika verbonden met de Swahili-handelsroutes aan de oostkust van Afrika. Het bestuur van Utetera was sterk beïnvloed door islamitische administratieve en juridische tradities, wat het onderscheidde van veel andere koninkrijken in de regio. In het zuiden speelden Het Koninkrijk Yeke een belangrijke rol in de controle over handelsroutes richting zuidelijk Afrika, waarbij zij zich specialiseerden in de circulatie van goederen en militaire expansie. Naast deze dominante staten bestonden er talrijke andere politieke entiteiten met diverse bestuursvormen en economische specialisaties.
Koloniale periode (1885-1960) Eerste Europese expedities (1870-1877) Vanaf de jaren 1870 begonnen Europese ontdekkingsreizigers, waaronder David Livingstone en Verney Lovett Cameron, systematische verkenningen van het Congolese binnenland. Hun expedities, die werden gedreven door zowel wetenschappelijke als commerciële motieven, markeerden de eerste gedocumenteerde Europese pogingen om de geografische en sociaaleconomische structuren van de regio in kaart te brengen.
Begin van de koloniale onderneming (1877-1885) thumb|Routes van Stanley's expedities in Centraal-Afrika|350x350px Op 15 april 1877 stuurde koning Leopold II van België een eerste expeditie naar Centraal-Afrika, opererend onder de vlag van de Association internationale africaine. De expeditie, bestaande uit vier Belgen die vertrokken vanuit Zanzibar, had als doel een wetenschappelijke post te vestigen in Karema, in het huidige Tanzania. Voordat de groep echter het binnenland bereikte, kwamen twee leden om het leven, respectievelijk door een zonnesteek en een ernstige koortsaanval. De overgebleven expeditieleden besloten daarop hun missie te staken. Deze tegenslagen maakten Leopold duidelijk dat het noodzakelijk was ervaren en capabele individuen te betrekken bij zijn Afrikaanse onderneming. Aanvankelijk probeerde hij Pierre Savorgnan de Brazza te rekruteren, maar deze was reeds in Franse dienst. Uiteindelijk vestigde zijn aandacht zich op Henry Morton Stanley.
In 1879 vertrok Stanley naar Afrika als vertegenwoordiger van het Comité d’études du Haut-Congo, een organisatie die formeel als wetenschappelijk onderzoekscomité fungeerde, maar feitelijk als dekmantel diende voor de territoriale ambities van Leopold. De koning had Stanley expliciete instructies gegeven over de te volgen strategie, waarbij de nadruk lag op maximale gebiedsuitbreiding en het uitsluiten van inheemse politieke participatie.
Stanley rapporteerde over de sociale en economische structuren die hij in het Kongobekken aantrof, maar zijn verslagen weerspiegelden tevens een koloniale mentaliteit die het Afrikaanse binnenland beschouwde als een gebied dat moest worden onderworpen en geëxploiteerd. Terwijl hij voortging met de oprichting van handelsposten, werd hij geconfronteerd met Franse expansie onder leiding van Pierre Savorgnan de Brazza. De Franse expedities sloten parallelle verdragen met inheemse heersers en vestigden een handelsnederzetting die later Brazzaville zou worden. Leopold beschouwde deze Franse aanwezigheid als een directe bedreiging voor zijn plannen en gaf Stanley opdracht om de verdragen met lokale leiders zo te formaliseren dat zij effectief hun soevereiniteit overdroegen aan de Association internationale du Congo.
Koloniale conferentie van Berlijn (1884-1885)