Jonkheer Anthony Cornelis Twent (Amsterdam, 28 september 1771 - Den Haag, 3 januari 1852) was een Nederlands zeeofficier. In de jaren 1789 tot 1793 nam hij deel aan de Militaire commissie naar Oost-Indië. Vanaf 1799 was hij achtereenvolgens in Britse, Russische, Franse en weer in Nederlandse dienst. In 1830 werd hij benoemd tot inspecteur-generaal van het Loodswezen en in 1839 werd hij viceadmiraal.
Anthony Twent was een zoon van Jacoba Judith van Wesele (vrouwe van Cortenbosch) en Abraham Catharinus van Gelé Twent (geslacht Twent), die hem een paar dagen later lieten dopen.Stadsarchief Amsterdam: Doopregister met geboortedatum Hijzelf was in 1815 getrouwd met Frederica Louiza van Heerdt; een scheiding volgde in 1829.
Twent ging in maart 1784 al op 12-jarige leeftijd naar zee, toen hij als adelborst werd aangesteld op het fregat Amphitrite, en daarna op de Venus, beide van de Admiraliteit van Amsterdam. Om op een dergelijk schip, dat tevens de opleiding verzorgde, te mogen dienen, moest je invloedrijke ouders hebben. Zijn vader was schepen en burgemeester van Haarlem en lid van de Rekenkamer van Holland en Friesland. Hij was naar eigen zeggen voor de zeedienst enthousiast gemaakt door een vriend van zijn vader, Wouter Jan Gerrit Bentinck, die in 1781 sneuvelde in de Slag bij de Doggersbank. Zijn eerste reis maakte hij toen de Venus zich in 1784 aansloot bij een eskader onder schout-bij-nacht Willem van Braam dat bij de Azoren een retourvloot van de VOC ophaalde. Onder viceadmiraal Pieter Hendrik Reynst was de Venus daarna onderdeel van een blokkade van de Schelde tijdens een conflict met keizer Jozef II van het Hapsburgse rijk, waar de Oostenrijkse Nederlanden deel van uitmaakten. In 1786 maakte hij met de Hector onder kapitein-ter-zee Gijsbert Smissaert een reis naar Guinea en West-Indië. De Hector inspecteerde daar de staat van verdediging van Nederlandse bezittingen. In 1788 slaagde hij voor het luitenant-ter-zee examen.
De Militaire Commissie miniatuur|De Zephyr en de Havik en de schepen van de commissarissen-generaal Nederburgh en Frijkenius Amazoon, Scipio en Comeet bij de Kaap de Goede Hoop. Na zijn examen werd hij weer op de Hector geplaatst, maar op zijn verzoek werd hij overgeplaatst naar de Zephyr, dat samen met de Havik in de periode van 1789 tot 1793 de Militaire commissie naar Oost-Indië vervoerde. De commissie moest alle vestingwerken van de VOC inspecteren en voorstellen doen voor verbetering. Vergelijkbaar met de missie van de Hector naar West-Indië. Kapitein van de Zephyr was Jan Olphert Vaillant, en zoals Twent later schreef: 'Onder eene zeevader en zeevoogd als de kundige kapitein ter zee I.O. Vaillant was deze reize mij even zeer nuttig en leerzaam als aangenaam'. Desondanks was het een zware tocht, die velen hun gezondheid of zelfs hun leven kostte. Via Kaapstad voeren de schepen naar Ceylon, de Malabarkust en Coromandelkust van India, Malakka, Java en naar diverse eilanden in de oostelijke archipel. Onderweg bezweken velen aan 'kwaardadigen buikloop' en malaria. Twent was een van de weinigen die nooit ziek was. Terug in Zuid-Afrika hoorde men van het uitbreken van oorlog met Frankrijk (de Eerste Coalitieoorlog) zodat de schepen moesten wachten op de retourvloot van de VOC om die naar Nederland te konvooieren. Twent nam iedere gelegenheid te baat om met Kaapse boeren paard te rijden, te jagen en het binnenland te doorkruisen, en zich 'tevens te verlustigen met het bestijgen der hoogste en eenzaamste bergkloven van dit stormachtig voorgebergte, waar de natuur zich met eenen grootschen doch woeste pracht vertoont'.
Op het laatste stuk van de reis verdronk hij bijna toen tijdens een storm op de Noordzee de sloep waarin hij zat werd overvaren door een loodsboot. 'Doch bedreven in het zwemmen, mogt ik hoe zeer er eene vrij harde wind woeij en felle stroom liep, door Gods almogende hulp, gered worden'.
Krijgsgevangen miniatuur|De zeeslag op de Glorieuze Eerste Juni. In de oorlog was Twent eerste officier op de Waakzaamheid (24 stukken, 150 man) en nam hij deel aan het konvooieren van koopvaardijvloten naar de Middellandse Zee. Toen een van de konvooien op de terugweg was kwam het ter hoogte van Brest twee grote Franse fregatten tegen, de Proserpine en de Seine. De Waakzaamheid bond de ongelijke strijd aan zodat het konvooi kon ontkomen. Tussen twee vuren werd de Waakzaamheid zwaar beschadigd, en kapitein Jan Willem van Hamel moest zich overgeven. De Fransen wisten slechts één koopvaarder te nemen, een traag, met zout geladen kofschip dat verzuimd had te ontsnappen. De overlevenden van de Waakzaamheid werden krijgsgevangen gemaakt. Twent was aan boord van de Proserpine vervolgens getuige van twee zeeslagen van de vloot van admiraal Louis-Thomas Villaret de Joyeuse tegen een Engelse vloot onder admiraal Richard Howe, waarbij de Fransen op 1 juni 1794 een nederlaag leden. In de Engelse geschiedschrijving staat de zeeslag bekend als de Glorieuze Eerste Juni. Twent zag het grote oorlogsschip Vengeur du Peuple zinken en een ander schip ontploffen. Tegen het einde van de strijd werden Van Hamel en Twent bij de matrozen in het ruim opgesloten zodat ze de nederlaag niet zouden zien. miniatuur|Het zinken van de Vengeur du Peuple. In Frankrijk werd iedereen gevangen gezet. Samen met duizenden andere krijgsgevangenen uit allerlei landen werden ze opgesloten in een voormalig klooster. 'Alzoo te dien tijde het schrikbewind van Robespierre heerschte, werden wij geheel op sansculotische wijze behandeld en beroofd van alles, wat eenige waarde had', schreef Twent later. Hij werd door de ontberingen ook voor het eerst in zijn leven ziek maar overleefde dankzij zijn Frans sprekende Zwitserse bediende. Pas in juni 1795, na de sluiting van een verdrag tussen Frankrijk en de nieuwe Bataafse Republiek, werd de bemanning van de Waakzaamheid vrijgelaten. Er was toen nog een zeventigtal over. Twent monsterde als matroos aan op een Zweedse koopvaarder om terug naar Nederland te komen. Op de Noordzee kon hij een Katwijkse visser zover krijgen hem voor 200 gulden in Scheveningen aan land te zetten. Door Franse militairen gearresteerd verscheen hij voor het Comité tot de Zaken van de Marine, dat hem voorstelde in verhoogde rang dienst te nemen in de vloot van de Bataafse Republiek. Vanwege zijn eed van trouw aan de stadhouder en omdat hij het nieuwe bewind als onwettig beschouwde weigerde hij dat. Vooral had hij een hekel aan de Bataafse vlag die de prinsenvlag had vervangen. Hij wist een Deens paspoort te bemachtigen en vertrok via Hannover en Lübeck naar Berlijn, waar hij zich aansloot bij de erfprins Willem Frederik, de zoon van de naar Engeland gevluchte stadhouder Willem V.
In Britse dienst miniatuur|Britse troepen landen in Noord-Holland. In augustus 1799 vroeg de erfprins hem om met de militair Willem van Panhuys naar Londen te gaan, waar een invasie van Noord-Holland werd voorbereid 'om de herstelling van het voormalig stadhouderlijk bestuur en de bevrijding des vaderlands van het Fransche juk te beproeven'. In het Engelse Downs ging hij met Van Panhuys en andere Nederlandse luitenants aan boord van het vlaggenschip Isis van de Britse viceadmiraal Andrew Mitchell, waarop de gevolmachtigde van de erfprins Thimon van Heerdt al aanwezig was. Met de Britse vloot aangekomen voor Texel kreeg Twent opdracht om met een kotter te onderzoeken of er afgezonken schepen in de zeegaten lagen, maar dat was niet het geval. Arnold Buyskes van de Bataafse vloot, die in de Vlieter lag, had dat inderdaad geprobeerd maar was daarin niet geslaagd, zodat de toegang voor de Britse vloot open lag en de eerste schepen naar binnen zeilden. miniatuur|Overgave van de Bataafse vloot. Een Britse sloep is op weg voor onderhandelingen. In gezelschap van Van Heerdt gingen Van Panhuys, Twent, Willem Spengler en andere luitenants met een sloep naar het door de Bataafse troepen verlaten Den Helder, waar ze begroet werden door een enthousiaste menigte. Teruggekeerd op de Isis kwamen daar de oranjegezinde kapiteins Van Capellen en De Jong van de Bataafse vloot aan boord om te onderhandelen met Mitchell. Op de Isis wapperden de Britse vlag en de prinsenvlag naast elkaar en Mitchell en alle manschappen droegen oranje linten. De onderhandelingen leidden tot het overlopen van de Bataafse vloot op 30 augustus; het Vlieter-incident. Rond de 3000 matrozen sloten zich aan bij de erfprins. De Bataafse oorlogsschepen werden direct naar Engeland gevaren. Toch werd de contrarevolutie uiteindelijk een mislukking. De Brits-Russische invasiemacht wist het Frans-Bataafse leger niet te verslaan en te weinig Nederlanders sloten zich bij de benodigde volksopstand aan. De Britten moesten zich weer terugtrekken. Na enige maanden met Britse soldaten en de Nederlandse matrozen op Texel te hebben doorgebracht keerde Twent als bevelhebber van het fregat Minerva samen met drie andere uit Den Helder meegenomen Bataafse fregatten eind november terug in Engeland. miniatuur|193x193px|Soldaten van de Hollandse Brigade. Vanaf april 1800 diende hij vervolgens op het linieschip Gelderland van het zogeheten Hollands eskader, met nog drie fregatten uit de Bataafse vloot met Nederlandse bemanningen en getooid met prinsenvlaggen, onder bevel van prins Willem V maar in dienst van de koning van Groot-Brittannië.Het ging om het linieschip Gelderland (64 stukken, kapitein Jan Tulleken, tevens commandant van het eskader), de fregatten Amphitrite (44 stukken, kapitein Job Seaburne May) en Ambuscade (32 stukken, kapitein Willem Hendrik van Voss) en de brik Galathé (16 stukken, kapitein-luitenant Frans Thomas van Braam. Zeven linieschepen werden aan Groot-Brittannië overgedragen en zouden na een eventueel toekomstig herstel van het stadhouderlijk bewind teruggegeven of vergoed worden. Het eskader was onderdeel van de Hollandse Brigade. Het was veelal werkloos en hield zich alleen bezig met troepentransporten, onder andere naar Ierland onder admiraal Alan Gardner, en naar de eilanden Jersey en Guernsey. Na de Vrede van Amiens werd het eskader in mei 1802 ontbonden en werden de bemanningen eervol ontslagen. Twent, intussen bevorderd tot kapitein-luitenant, kreeg een Brits pensioen en keerde terug naar Nederland.
In Russische dienst miniatuur|De verovering van Anapa in 1807.