Oost-Pruisen was een provincie in het uiterste noordoosten van Pruisen, meer in het bijzonder van het koninkrijk Pruisen, dat bestond vanaf 1701.

Achtergrond Oorspronkelijk was Oost-Pruisen het stamland van de Oude Pruisen, een volk waarvan de naam overging op de Duitstalige bevolking en op de bevolking van de staat Pruisen. Later maakte het deel uit van de staat van de ridders van de geestelijke Duitse Orde. Sinds 1525 was het een seculier hertogdom Pruisen onder het huis Brandenburg, later aangeduid als huis Hohenzollern. In 1618 werd het gebied verenigd met de veel westelijker, rondom Berlijn gelegen, mark Brandenburg. Toen dit hertogdom in 1701 tot koninkrijk verheven werd, nam het de naam koninkrijk Pruisen aan. Toen in 1772 bij de Tweede Poolse Deling West-Pruisen door het koninkrijk Pruisen werd geannexeerd zouden twee provincies gevormd worden.

Van 1871 tot 1918 maakte Pruisen deel uit van het Duitse Keizerrijk. In 1919 werd het grootste deel van West-Pruisen bij het Verdrag van Versailles weer bij het heropgerichte Polen gevoegd. Enkele voornamelijk Duitstalige gebieden rondom de steden Elbing, Marienburg en Marienwerder werden deel van Oost-Pruisen. De stad Danzig kwam als vrije stad onder gezag van de Volkenbond. Na de Duitse inval in Polen in 1939, werden alle gebieden opnieuw opgenomen als gouwen in het Derde Rijk (nazi-Duitsland).

In 1945 werd Oost-Pruisen verdeeld: het zuiden van het voormalige Oost-Pruisen kwam bij Polen als woiwodschap Ermland-Mazoerië, het noorden bij de Sovjet-Unie als oblast Kaliningrad. Het Memelland, een strook ten noorden van de rivier de Memel, dat tussen 1923 en 1939 ook bij Litouwen hoorde, werd in 1945 deel van de toenmalige Litouwse Socialistische Sovjetrepubliek en is sinds 1990 onderdeel van de Baltische republiek Litouwen.

Van 1944 tot 1950 werd het gebied door de bevolking verlaten. In het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog sloegen zij op de vlucht of werden ze geëvacueerd. Na de intocht van het Sovjetleger kwamen een groot aantal achterblijvers om het leven door oorlogsgeweld, honger, uitputting, dwangarbeid en gebrek aan voedsel en medische zorg. In het door de Sovjet-Unie ingelijfde gebied van Koningsbergen (sinds 1948: Kaliningrad) vestigden zich, naast andere bevolkingsgroepen uit de gehele Sovjet-Unie, voornamelijk etnische Russen. Alleen in het uiterste zuiden (Mazoerië) stonden de Poolse autoriteiten toe dat tweetalige Duitsers er mochten blijven wonen.

Geschiedenis Middeleeuwen 250px|rechts|thumb|Koningsbergen tussen 1894 en 1900 250px|rechts|thumb|Memel, rond 1900 250px|rechts|thumb|Pillau, rond 1900 250px|rechts|thumb|Insterburg in 1899 De oorspronkelijke bewoners van de latere landstreek Oost-Pruisen waren Baltische stammen: de Pruzzen (Pruisen), die met andere regionale stammen, zoals de noordelijker wonende Litouwers en de Letten, etnisch samenhingen. Vanuit de Pruzzische nederzetting Truso (nabij het huidige Poolse Elbląg) voerden zij handel met Scandinavië. Dit Pruisen, later verdeeld in West- en Oost-Pruisen, kwam sinds circa 1220 in handen van de Duitse Orde, een orde van ridders uit het Duitse Rijk die in Jeruzalem, in het Heilige Land, een geestelijke gelofte hadden afgelegd en na hun terugtrekking uit het Heilige Land, met steun van Rome, hun bekeringskruistochten mochten voortzetten in oostelijk Europa. Dat gold in de eerste plaats de heidense Pruzzen. In een aantal veldtochten werden deze Pruzzen met geweld onderworpen door de ridders, die daarna het land bestuurlijk inrichtten op een voor de tijd zeer moderne wijze. Zij stichtten een dicht netwerk van tientallen burchten, legden daarbij versterkte stadjes aan en bevolkten deze met immigranten uit het noordwesten van het Duitse Rijk waaronder ook de toenmalige Nederlanden begrepen moeten worden. Op het platteland werden honderden dorpen ingericht en eveneens bevolkt met migranten uit het westen van Duitsland en uit de Nederlanden, en toen deze stroom opdroogde werden boeren uit Silezië aangetrokken. Dit proces maakte deel uit van de zogenaamde Oostkolonisatie. Nadat de Duitse Orde tussen 1230 en 1280 het gebied, na het onderdrukken van enkele opstanden, voorgoed onder in haar controle gebracht had, werd de bevolking gekerstend. Op en rond de locatie van een van de Pruisische burchten ontstond de latere Oost-Pruisische hoofdstad Königsberg (Koningsbergen). In deze en tientallen andere maar kleinere steden vestigde zich overwegend (Neder-) Duitse koop- en ambachtslieden, terwijl op het platteland naast (Neder-)Duitse boerenmigranten zich nog lange tijd de Pruzzische bevolking handhaafde.

Getalsmatige bevolkingsontwikkeling tussen 1400 en 1700 Om de geschiedenis van Oost-Pruisen te begrijpen moet de bevolkingsontwikkeling als uitgangspunt dienen. Deze had een dramatisch karakter. Bij het begin van de inrichting van de staat van de Duitse Orde, in 1230, woonden 140.000 Pruzzen en 50.000 Mazoeren (Polen) in het gebied van de Orde dat door een tienduizendtal Duitse geestelijke 'ridders' werd beheerst. In 1400, op het hoogtepunt van de macht van de Orde, hielden Pruzzen en Polen, en inmiddels door kolonisatie sterk toegenomen Duitsers elkaar nog getalsmatig in evenwicht: beide telden 140.000, hoewel de laatsten economisch en politiek domineerden, niet alleen door de suprematie van de Orde maar ook vooral door hun positie als stedelijke burgerij. Het Duitstalige element bepaalde ook de westelijke plattelandsstreken, ondanks dat Pruzzen daar samenhangende groepen dorpen bewoonden en zelfs nog lang een grote meerderheid vormden in (Samland, het dichtbevolkte gebied ten noorden van Königsberg. In de 16de eeuw, na de vestiging van de lutherse reformatie, smolten beide volken steeds meer samen en dat werd bevorderd door de verslechtering van de rechtspositie van de 'Duitse' boeren die zich nauwelijks meer onderscheidde van die van de Pruisische boeren. Aan het einde van de 17e eeuw zouden de laatste sprekers van het Pruzzisch verdwenen en een nieuwe spreektaal in algemeen gebruik gekomen zijn: Nederpruisisch dialect naast het Hoogduits dat gebruikt werd in de steden en het bestuur. Inmiddels stagneerde de bloei van Oost-Pruisen al sinds het begin van de 15e eeuw, toen het koninkrijk Polen de Orde overvleugelde en in 1466 een vrede tot stand kwam waarbij de Orde het Kulmerland en her Ermland en de belangrijkste steden moest afstaan. Opmerkelijk was de verwoestende inval van Tataren in 1656, die 34.000 mensen uit de oostelijke districten meenamen en een epidemie veroorzaakten die veel meer slachtoffers maakte. In de 16e en 17e eeuw stagneerde de bevolkingsgroei en epidemieën deden het aantal bewoners zakken tot onder het niveau van 1400. De bevolkingsteruggang leidde ertoe dat grote aantallen Litouwers en Polen (Mazoeren) werden aangetrokken. Een nieuwe pestepidemie in 1709-1711 deed het bevolkingsgetal dalen tot de helft, waarop de Pruisische koning besloot protestantse vluchtelingen uit Frankrijk en Oostenrijk en ook opnieuw kolonisten uit Polen en Litouwen aan te trekken. De eersten werden in de oostelijke landstadjes gevestigd, de laatsten in de leegstaande boerderijen die in grotere bedrijven werden samengevoegd en in handen van grootgrondbezitters (Junker) kwamen.

Politieke verhoudingen De seculiere adel kwam voort uit de Ordensridderschap die stamde uit lagere adel afkomstig uit het noordwesten van het Duitse Rijk, met name Westfalen, maar voor een ander deel ook uit de Pruzzische stamhoofden die het Ordensgezag hadden aanvaard. Zij vormden tezamen een basis van het latere Pruisische Junkertum. De Duitse Orde moest bij de Vrede van Thorn (1466) de Poolse koning als leenheer erkennen. In 1525 werd het gebied geseculariseerd als erfelijk hertogdom (hertogdom Pruisen) onder de laatste grootmeester van de Orde Albrecht van Brandenburg-Ansbach, die met zijn ridderschap was overgegaan naar het lutheranisme.

Secularisatie van de Duitse Orde in een hertogdom In 1525 werd het gebied van de Duitse Orde een erfelijk hertogdom (hertogdom Pruisen) onder de laatste grootmeester van de Orde Albrecht van Brandenburg-Ansbach, die met zijn ridderschap was overgegaan naar het lutheranisme. Om het lutherse geloof ook onder de plattelandsbevolking post te laten vatten, liet Albrecht een catechismus in het Pruzzisch maken, het eerste en laatste document in een taal die weldra zou uitsterven. Ook voor de Litouws- en de Poolssprekende onderdanen in het multi-etnische hertogdom verschenen catechismusboeken, uitgegeven door de theologische faculteit van de universiteit van Koningsbergen waar 7 van de 24 stipendium-studenten werden voorbereid op een pastoraat onder deze drie niet Duitssprekende bevolkingsgroepen. De hertogen waren zich bewust van hun zwakke positie en het belang van goede betrekkingen met de omringende vorsten, vooral met de Poolse koning die ze als leenheer moesten erkennen. Het in het midden van Oost-Pruisen gelegen bisdom Ermland of in het Pools Warmia, met steden als Frauenburg (Frombork) en Allenstein (Olsztyn), vormde een grote enclave van ongeveer een zevende deel van het oppervlak van wat later de provincie Oost-Pruisen zou heten. Door de vruchtbaarheid van zijn bodem was het dichtbevolkt. Het bleef als rooms-katholiek bisdom onder rechtstreekse bescherming van de Poolse koning.

Hertogdom en koninkrijk Pruisen Na de dood van Albrecht Friedrich (1608) viel het hertogdom toe aan Johann Sigismund, keurvorst van Brandenburg. Deze hertog had voorkeur voor de calvinistische richting binnen het protestantisme en riep daarmee grote weerstand van de steden op. Na hem volgden Georg Wilhelm (1619-1640), Friedrich Wilhelm (1640-1688) en Friedrich III die in 1701 zichzelf het koningschap toekende en Pruisen en Brandenburg onder zijn soevereiniteit verenigde. De Poolse koning had inmiddels als leenheer zijn positie grotendeels verloren en als formaliteit werd ze nu afgedaan. In januari 1701 werd in de Koningsberger domkerk Frederik I tot eerste koning in Pruisen gekroond, wat Koningsbergen enkele decennia lang de status van hoofdstad van het nieuwe koninkrijk Pruisen verleende. Pas een eeuw later, toen de keizerlijke soevereiniteit van het Duitse Rijk (Heilige Roomse Rijk) over het Brandenburgse hertogdom werd afgeschaft, kon de koning in Pruisen een koning van Pruisen worden. Inmiddels had de Dertigjarige Oorlog met de lasten die, op weg naar Polen doortrekkende Zweedse legers met zich meebrachten, een negatieve weerslag gekregen op de economische ontwikkeling van Oost-Pruisen. De lutherse hertog had zich verbonden zich met de Zweedse koning en kreeg daarom gewapende invallen van de katholieke Poolse koning te duchten. Bij de vrede van 1648 gold het land als verarmd.