Hendrik Jan (Henri) van de Graaff (Suratte, 3 september 1779 – op zee bij Westkapelle, 1 maart 1827) was financieel deskundige in het bestuur van gouverneur-generaal Godert van der Capellen van Nederlands-Indië, en Van der Capellens voornaamste raadgever. Hij wordt beschouwd als een van de voorlopers van de latere ethische politiek, waarin zowel de belangen van het moederland als die van de kolonie bevorderd werden. In mei 1820 werd hij lid van de Raad van Indië. Toen hij in 1826 werd teruggeroepen naar Nederland kwam hij om het leven bij een schipbreuk bij Westkapelle.

In het stadsbestuur van Alkmaar miniatuur|Stadhuis van Alkmaar.|268x268px Hendrik Jans vader was Willem Jacob van de Graaff, een hoge VOC-bestuurder en van 1785 tot 1794 de op een na laatste gouverneur van Nederlands-Ceylon. Zijn moeder was Christina Elisabeth van Angelbeek, dochter van Johan Gerard van Angelbeek, de laatste gouverneur van Nederlands-Ceylon. Zijn vader werd in 1781 als directeur van de VOC-factorij in Suratte door de Britten krijgsgevangen gemaakt tijdens de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog en kwam begin 1782 door een gevangenenruil via Cochin op 11 mei in Colombo op Ceylon aan. Daar werd hij ad-interim commandeur van Galle. Zijn gezin zal met hem mee- of hem nagereisd zijn. Hendrik Jan bracht dus vermoedelijk zijn kindertijd op Ceylon door en was een van de vijf zonen die Willem Jacob op jonge leeftijd naar Nederland stuurde voor een opleiding.Secundaire bronnen geven verschillende geboortedatums en -plaatsen aan voor Hendrik Jan van de Graaff. Hier wordt als bron gebruikt een opgave uit Batavia van 1857 met benoemingen en mutaties van Oost-Indische ambtenaren teruggaand tot 1816. miniatuur|Revolutionaire vrijheidsboom voor het stadhuis van Alkmaar in 1795. In Nederland studeerde hij rechten in Groningen, Berlijn en Utrecht. Hij maakte als student de Bataafse revolutie mee, waarbij de oude Republiek der Verenigde Nederlanden door de patriotten werd vervangen door de Bataafse Republiek. Hij trouwde er met Maria Anna van Nes, dochter van een zus van Daniël Carel de Dieu, orangistisch burgemeester van Alkmaar in 1793-1794, maar zij overleed al vroeg. In 1801 werd Van de Graaff officieel burger van Alkmaar, en hertrouwde daar op 22 mei 1803 met Agatha de Dieu, een dochter van Daniël Carel de Dieu en Maria Eva van Foreest, zus van Cornelis van Foreest, burgemeester van Alkmaar in 1795 en een patriot. Agatha's zus Cornelia Frederica was getrouwd met Gijsbert Fontein Verschuir, een bekende advocaat en bestuurder in Alkmaar, die ondanks zijn orangistische sympathieën recent weer in de gratie was gekomen. Van de Graaff maakte daarna carrière in het Alkmaars stadsbestuur. In december 1804 overleed zijn vader in Utrecht. Hij was eind 1797 teruggekomen uit Indië, zijn carrière gesneuveld in de proxy-machtsstrijd tussen orangisten en patriotten in Batavia.

Op 3 juni 1805 werd Van de Graaff benoemd tot een van de drie stadssecretarissen. In 1807 werd ook Verschuir burgemeester van Alkmaar. Op 24 januari 1811 werd Van de Graaff benoemd tot rechter in de ‘rechtbank van eerste aanleg’, later arrondissementsrechtbank genoemd. Die rechtbank was dat jaar ingesteld toen de Bataafse Republiek door Napoleon werd ingelijfd in het Eerste Franse Keizerrijk. Op 30 april 1812 werd hij ook lid van de municipale raad. Na de bevrijding en de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd hij op 28 december 1815 benoemd in de gemeenteraad.

Oost-Indisch ambtenaar miniatuur|320x320px|Kaart van Java uit 1817. Van de Graaff schijnt met zijn gezin (hij zou uiteindelijk 11 kinderen krijgen) op te grote voet geleefd te hebben en zich daarom vooral om financiële redenen in 1814 direct aangemeld te hebben toen bekend werd dat de door de Britten overgenomen VOC-bezittingen in Azië zouden worden overgedragen aan de nieuwe Nederlandse autoriteiten. Zijn broers Sebastiaan en Frederik Jacob (Frits) zouden in 1819 hetzelfde doen. Hij werd aangenomen als Oost-Indisch ambtenaar eerste klasse, en vertrok op 24 maart 1816 met zijn gezin op het koopvaardijschip Cornelia naar Batavia, waar hij op 8 augustus aankwam, nog geen drie maanden na de aankomst van de drie commissarissen-generaal Cornelis Elout, Arnold Buyskes en Godert van der Capellen.Naast de ambtenaren op de Nassau werden er met particuliere schepen in totaal 212 ambtenaren, met 64 vrouwen en 175 kinderen (waarvan 131 jonger dan twaalf jaar) naar Indië gezonden. Hij was hiermee een van de eerste ambtenaren van het koloniaal bestuur van Nederlands-Indië. In september volgden er nog meer met het oorlogsschip Nassau, dat onderweg door de Cornelia was ingehaald. Op 16 augustus werd een Raad van Financiën ingesteld met een president en vier, later zes, leden, waaronder Van de Graaff. De raad was verantwoordelijk voor de Indische staathuishouding, zoals men de overheidsfinancieën toen noemde.

Van de Graaff reisde in 1817 met Elout en Van der Capellen op een inspectiereis door Java, om het tijdens het Britse tussenbestuur geïmplementeerde landrentestelsel aan de praktijk te toetsen. Het landrentestelsel was een belastingheffing aan de Javaanse boeren in de vorm van pacht, in plaats van de in de VOC-tijd gebruikelijke levering van exportproducten voor de internationale markt via de traditionele herendiensten. In het landrentestelsel waren de boeren vrij om te bepalen in hoeverre zij de exportproducten wilden verbouwen. Het systeem bleek nogal wat nadelen te hebben, met name omdat Java geen monetaire economie had en ruilhandel de norm was. Toch besloten de commissarissen-generaal het nieuwe stelsel grotendeels te behouden, tot vreugde van Van de Graaff. Alleen in de Preanger werden voor de gouvernementskoffiecultuur de herendiensten gehandhaafd. Hier werd dus van de liberale principes van de commissie-generaal afgeweken, maar het was ook de enige sector waarin de jaren daarna winst werd gemaakt. Vanaf 1830 zou het daarom door gouverneur-generaal Johannes van den Bosch over heel Java worden uitgebreid onder de naam cultuurstelsel. Van de Graaffs inspectiewerkzaamheden op de reis werden door Van der Capellen zo gewaardeerd dat hij na terugkomst in Batavia op 12 november werd bevorderd tot adjunct-inspecteur-generaal over de inkomsten van de landrente op Java. Zijn chef was Pieter Lawick van Pabst.

Geldgebrek miniatuur|Nieuwe kaart van het Eiland Java, 1815.|270x270px Nederland was na de Vierde Engels-Nederlandse oorlog en daarna de Franse bezetting een arm land geworden. Het opzetten van een bestuur voor Nederlands-Indië werd daarom vooral bemoeilijkt door geldgebrek. Dat gold ook voor de nieuwe ambtenaren, die met hun gezinnen rond moesten komen van karige salarissen. Het gezin Van de Graaff woonde in eerste instantie op Kampong Melajoe, het buitenverblijf van de voormalige gouverneur-generaal van de VOC Willem Alting, tegenstander van zijn vader. Dat bleek niet te betalen te zijn van zijn inkomen. Agatha keerde daarom in 1819 met haar vier kinderen terug naar Nederland. Ze hadden in Indië ook weinig toekomstmogelijkheden. Van de Graaff ging inwonen bij zijn vriend en collega-lid van de Raad van Financiën Isaac Bousquet. Toen deze verhuisde kocht hij omdat er niets te huren was een nieuw huis, te betalen in termijnen, maar verkocht dat weer samen met al zijn meubilair. In 1821 ging hij, nog steeds klagend over gebrek aan inkomsten, samenwonen met Daniël François de Loches, destijds lid van de weeskamer van Batavia.

Naast geldgebrek liet ook de kwaliteit van de uitgezonden ambtenaren te wensen over. Van de Graaff was een van de uitzonderingen. Elout schreef op 4 juli 1817: 'Ik reken onder de goeden bijzonderlijk den heer Van de Graaff, lid van den Raad van Financiën'. Een ander probleem was dat het Britse tussenbestuur een slechte administratie had achtergelaten, zodat men qua kennis van de Indische omstandigheden vaak was aangewezen op de ‘oudgasten’ uit de VOC-tijd. Deze waren echter lang niet zo hervormingsgezind als de commissarissen-generaal. Volgens hen was de inheemse feodale samenleving met zijn bestaanseconomie nog lang niet toe aan liberale Verlichtingsideeën over een modern rationeel bestuur en een vrije markt met entrepreneurs. Economen als Adam Smith, François Quesnay en David Ricardo waren daarentegen bij Van de Graaff en de zijnen veel geciteerde bronnen.

Reizen door Java en de Molukken miniatuur|'De vesting Willem I' op Java.|270x270px Na het vertrek van Elout en Buyskes in februari 1819 trad Van der Capellen aan als gouverneur-generaal, met Van de Graaff als zijn rechterhand. Van der Capellen en zijn naaste medewerkers worden wel als voorlopers van de latere ethische politiek beschouwd. Van de Graaff woonde met zijn broer Sebastiaan in bij Van der Capellen in het nieuwe gouvernementshuis in Buitenzorg. Hier werkte hij verder aan het landelijk stelsel, te weten het nieuwe bestuur van Nederlands-Indië. Eind dat jaar maakte hij met Van der Capellen een tweede inspectiereis door Java, en werd aansluitend benoemd tot hoofdinspecteur van financiën, waarmee zijn verantwoordelijkheid werd uitgebreid tot controle van alle publieke inkomsten en uitgaven in heel Nederlands-Indië. Niet dat daar buiten Java veel zicht op was.