thumb|Elke adellijke familie heeft een eigen wapenschild, in vele gevallen ook een devies en in de middeleeuwen soms een wapenkreet. Hier het wapenschild van de vorsten van Schwarzenberg thumb|Monarchen gebruikten orden om de adel aan zich te binden, hertog Ferdinand van Brunswick-Wolfenbüttel (1721-1792), draagt hier de Orde van de Kousenband thumb|Vele dames van adel hadden het voorrecht hofdame te worden thumb|De monarch staat in de meeste landen boven de adel; hier Alexander III van Rusland thumb|Het Hogerhuis in Londen, de enige plek waar de Britse adel nog enige politieke macht bezit; dit is de in 1850 afgebrande zaal thumb|Sir Winston Churchill met zijn zoon en kleinzoon thumb|Maria Louise van Savoye; een van de bekendste adellijke slachtoffers van de Franse Revolutie thumb|Leo Tolstoj maakte als graaf deel uit van de Russische adel thumb|Ferdinand von Zeppelin, uitvinder van de zeppelin thumb|Pierre de Coubertin; een van de oprichters van de moderne versie van de Olympische Spelen thumb|Frank De Winne, een Belgisch kosmonaut, werd door de koning tot burggraaf verheven thumb|De Franse oud-president Nicolas Sarközy de Nagy-Bocsa thumb|De Amerikaanse acteur Jake Gyllenhaal thumb|De Poolse oud-president graaf Bronisław Komorowski thumb|Op de begrafenis van edelen worden soms hun eretekens en wapens getoond of meegedragen; begrafenis van aartshertog Otto van Habsburg-Lotharingen

De adel is een sociaal of juridisch afgebakende groep mensen (edelen) die van oorsprong een bevoorrechte positie innam in een samenleving. De precieze inhoud van het begrip varieert naargelang van tijd en plaats, maar het fenomeen heeft zich bijna overal ter wereld voorgedaan: een kleine minderheid van de bevolking bezit de middelen om geweld uit te oefenen, heeft een goede toegang tot land, arbeidskrachten en andere economische bronnen, acht handenarbeid beneden zich (met uitzondering van oorlog en jacht), cultiveert een verfijnde levensstijl gegrond op eer, en geeft die privileges veelal patrilineair door van generatie op generatie.Jürgen Osterhammel, De metamorfose van de wereld, 2022, p. 790 Vaak sluit de adel zich aaneen tot een aristocratie.

De vooraanstaande positie van de adel leidt tot een sterk standsbewustzijn. Tegenwoordig onderscheiden personen met een adeltitel zich in de meeste landen alleen nog door het voeren van een bepaalde familienaam en/of adellijke titel.

Adellijke titels kunnen persoonlijk of erfelijk zijn en kunnen onder meer ontleend zijn aan bepaalde hoge ambten, grootgrondbezit of verlening door een soeverein vorst.

De adel kan op vele manieren worden ingedeeld. Zo is er bijvoorbeeld oeradel, oude adel en nieuwe adel, briefadel, ambtsadel en landadel, Empireadel, hoge en lage adel.

Definitie Definities van de adel, hun betekenis en rol en wie er toe gerekend worden op een bepaald moment of in een bepaalde streek zijn divers. Adel kan politiek beschouwd worden als een bevoorrechte, dominante groep maar ook als een persoonlijk statuut door levenswijze, afkomst en functie. Men ziet een gepriviligeerde, erfelijke elite, gekenmerkt door uitoefening van publiek gezag, een leidende militaire rol en een exclusieve levensstijl. Wat dat inhoudt varieert van land tot land en verschilt in tijd.

Marc Bloch noemde het begrip adel in La société féodale een aristocratie die op grond van geboorte of adelsverheffing bepaalde voorrechten of privileges genoot. Problematisch bij deze definitie is het uitsluiten van de vroeg-middeleeuwse nobilitas, aangezien hier geen sprake was van een formele adelsverheffing. Daarnaast kwam een deel van de privileges voort uit de functie die bekleed werd en niet uit de titel. Volgens in Naissance de la noblesse was dan ook de uitoefening van publiek gezag het onderscheidende kenmerk van de adel, vergelijkbaar met de senatoriale adel uit het oude Rome.

Al in de middeleeuwen werd de adel gezien als tweede stand in het driestandenschema van bidders (geestelijkheid), strijders (adel) en werkers (boeren en overige burgers). De opvatting dat deugden als rechtvaardigheid en leiderschap aangeboren zouden zijn, werd gebruikt om de erfelijkheid van de hiërarchische verhoudingen te legitimeren. Hoewel deze opvatting wijdverbreid was, werd deze niet door iedereen aanvaard. In de praktijk bleek de tweede stand ook minder gesloten dan dit ideaalbeeld.

Desondanks maakte Johanna Maria van Winter in Ridderschap een onderscheid tussen de gesloten stand, slechts bereikbaar door geboorte, en de open sociale klasse, bepaald door geld en aanzien. Dit bleek moeilijk te rijmen met de ontwikkeling van de ridderschap, dat volgens deze definitie afwisselend een klasse en stand was, dan wel een klasse met standkenmerken.

Tegenwoordig wordt het driestandenschema dan ook steeds minder gebruikt om de middeleeuwse en vroegmoderne maatschappij te beschrijven. Moderne begrippen als klasse en stand zijn daarbij niet voldoende om de maatschappelijke structuur te beschrijven. Voor de moderne Europese adel van na de Franse Revolutie waarbij bijzondere voorrechten ontbreken, is het ook weinig zinvol om te spreken van klasse of stand.

Geschiedenis van de Europese adel Prefeodale adel Titels als graaf en hertog kwamen al voor bij de Romeinen en de Germanen voor bestuurders van gebieden en legeraanvoerders. Het waren ambten die aan personen werden toevertrouwd en die niet erfelijk waren.

In het Frankische rijk dat te groot was geworden om vanuit een centraal punt te kunnen besturen werden vertegenwoordigers van het gezag verkozen uit een groep van personen die door hun rijkdom als grootgrondbezitters een groot aanzien hadden. Bij voorkeur waren die leden van de rijksaristocratie verwant met de dynastie van de Karolingers. De functie was gebaseerd op persoonlijke afspraken met de vorst en de houder was afzetbaar. Na het uiteenvallen van het Karolingische rijk volgde een krachtmeting tussen de geslachten die een rol speelden in de rijksadministratie om de nieuwe vorsten te worden. Zij werden door hun tijdgenoten aangeduid als 'groten', 'machtigen' en 'nobelen'. Zij kunnen rijksadel of rijksaristocratie genoemd worden. De nakomelingen van die Karolingische rijksaristocratie of zij die beweerden dat te zijn worden beschouwd als de oude adel of hoge adel.

Kenmerkend is dat de clans door huwelijkspolitiek een verwantschap nastreefden met de Karolingische of nieuwe vorstenhuizen om zich van toegang tot de toplaag te verzekeren. Door hun moeders van koninklijken bloede waren hun kinderen beschouwd als gekwalificeerd voor hoge functies. Dit gold ook voor de territoriale vorsten in de Nederlanden waar grafelijke families in de 10e eeuw verwant waren of werden door huwelijkJ.M. van Winter, ‘De voornaamste adellijke geslachten in de Nederlanden 10de en 11de eeuw’, in: D.P. Blok e.a., ed., Algemene geschiedenis der Nederlanden (15 dln.; Haarlem, 1977-1983), I .

Opkomst vanuit feodale functies De feodale adel is ontstaan uit leenmannen en ministerialen. Toen de zware harnassen en kostbare stalen wapens hun intrede deden, ontwikkelde zich een feodaal stelsel waarin de edelen, in ruil voor wederzijdse steun een leengoed voor een hoger en machtiger edele beheerden. Deze edelen en vazallen waren op hun beurt steun verschuldigd aan nog hoger geplaatste adel (zie Ridder (ruiter)). Zo ontstond een feodale piramide, een trap, met steeds meer treden.

In eerste instantie waren er baronnen, graven, hertogen, prinsen en zo meer van streek tot streek verschillende titels. De laatsten waren ambtenaren van de keizers die hun positie erfelijk hadden weten te maken. De titel van hertog (Heerzog = legerleider), graaf, markgraaf (of markies, zijnde de bestuurder van een grensgebied) en vorst waren in de vroege middeleeuwen geen erfelijke, maar vooral bestuurlijke aanduidingen.

In de 12e eeuw werd de adel een werkelijk gesloten kaste. De edelen bewaakten hun aanzien en hun voorrechten. Zij lieten geen burgers toe op hun toernooien en monopoliseerden alle hogere functies in het leger en in het bestuur. Pogingen om ook de Kerk in hun macht te brengen, mislukten omdat zij geen monopolie op kennis bezaten. Desondanks waren veel posities als abt, abdis of bisschop voor de jongere, niet-ervende zonen en de dochters van edelen gereserveerd. Er ontstonden ook kloosters die alleen door adellijke nonnen werden bewoond. Zo ontstond het begrip stiftsadel voor edellieden met 16 kwartieren oude adel.

Consolidatie van de oude adel De adel ontwikkelde regels om vast te stellen of iemand tot hun kaste behoorde. Om hun veronderstelde superieure bloed zuiver te houden werd het huwen met niet-adellijke partners ontmoedigd. Zelfs wanneer de kinderen uit een dergelijk huwelijk tot de adel behoorden, hadden zij minder voorrechten dan hun verwanten met meer kwartieren. In het adellijk zelfbeeld waren de edelen de dragers van superieure overerfde eigenschappen die anderen misten. De edelen hadden blauw bloed dat niet vermengd mocht worden. Zij ontwikkelden ook een eigen cultuur en taalgebruik waarin zij zich van anderen onderscheidden. Het woord adel werd een synoniem voor voortreffelijk.

De adel liet met adelproeven vaststellen of kandidaten voor functies en zelfs opleidingen wel van adel waren.

De huwelijkspolitiek van de adel was een efficiënt middel om het bloed zuiver te houden, ebenbürtigkeit was in sommige families verplicht. Het resultaat is een soort adellijk kweekprogramma van de gens nés, bijvoorbeeld: Elisabeth, Markiezin Pallavicini, née d'Udekem d'Acoz. Sommige mensen doen beroep op hun kwartieren, dat wil zeggen dat zij beschikken over een bepaald aantal generaties voorouders van zuivere adel. Deze kwartieren zijn een bewijs van zuiver bloed en waren een vereiste voor het lidmaatschap voor tal van ridderordes. Prins Amedeo van België kan een stamboom voorleggen met kwartieren van enkel de allerhoogste bloed- en grootadel. In zijn kwartieren zitten verschillende koningen, keizers, prinsen en aartshertogen.

Het recht om een wapen te voeren is nooit het voorrecht van de adel geweest.

In de late middeleeuwen werd de adel in economisch belang overvleugeld door de handeldrijvende burgers. De steeds uitdijende koninklijke bureaucratie kon wel worden geleid door de edelen, maar zij had gestudeerde burgerzonen nodig met kennis van het recht. Aan het einde van de middeleeuwen waren de hofhouding, het leger en het bestuur van het platteland nog het domein van de adel.

Creatie van nieuwe adel De koningen hebben steeds een beroep gedaan op de ontwikkelde burgers om, onafhankelijk van de vaak onhandelbare en onafhankelijke edelen, hun landen te besturen. Zij speelden adel en burgers tegen elkaar uit. Als fons honorum verleenden de koningen ook adeldom. Deze nieuwe adel werd en wordt de briefadel genoemd naar de adelsdiploma's die zij ontvingen. Met een zekere logica bedachten de burgers die een ambt vervulden waarvoor men een edelman moest zijn, dat zij dus edelen waren. Ook deze aanspraak op adeldom werd erkend en leverde een ambtsadel op die zich dan in het spraakgebruik onderscheidt van de oudere edele geslachten die men zwaardadel of bloedadel noemt.

Men kan de adel ook in hoge en lage adel indelen. Een aantal edelen had bijzondere voorrechten in het bestuur en honderden edelen bestuurden de graafschappen en vorstendommen van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie. Ook in het Spaanse Rijk werd een onderscheid gemaakt tussen de hoge adel, de Grande van Spanje, en de overige edellieden.

In het koninkrijk Frankrijk onderscheidde men naar het voorrecht van de edelen met 16 kwartieren (vier generaties edele voorouders), om aan het hof te verkeren een hofadel. Deze edelen hadden toegang tot de koning, maar voor Lodewijk XIV waren al zijn onderdanen, met uitzondering van de hertogen, min of meer gelijk.