Litanie auf das Fest Allerseelen is een lied van Franz Schubert (D.343) op een tekst van de Duitse dichter Johann Georg Jacobi.

Achtergrond alt=Franz Schubert door Franz Eybl (1827)|miniatuur|Franz Schubert door Franz Eybl (1827) In augustus 1816 zette Schubert in enkele dagen zes gedichten van de twee jaar eerder overleden Johann Georg Jacobi (1740-1814) op muziek. In september volgde een zevende en laatste gedicht. Het lied Litanei auf das Fest Allerseelen, dat ook tegenwoordig als rouwlied veelvuldig ten gehore gebracht wordt, moet daarvan deel hebben uit gemaakt. In dat jaar was Schubert gewoon van één en dezelfde auteur meerdere teksten te toonzetten. Voorts maakte het lied deel uit van het liederenboek voor Therese Grob (1798-1875), de jeugdvriendin op wie Schubert verliefd zou zijn geweest en waarmee hij zou willen trouwen.

Jacobi, die in 1784 als eerste protestantse hoogleraar literatuur benoemd werd aan de universiteit van het katholieke Freiburg, schreef veel anacreontische liederen en sonnetten die allesbehalve geapprecieerd werden door intellectuelen van zijn tijd als Herder en Goethe (“Rijmelarij voor vrouwen”). Als protestant moet Jacobi voldoende vertrouwd zijn geweest met de katholieke feestdagen en liturgie om een gedicht te wijden aan het Hochfest von Allerseelen op 2 november en het de titel Litanei mee te geven. Het Griekse woord lianeia staat voor smeekbede en is in de katholieke liturgie een gebed met een voorbidder en een gehoor dat repetitief antwoordt met een korte, geijkte formule.

Het lied Litanei auf das Fest Allerseelen, telt negen strofen die elk, als in het liturgisch gebed gevolgd worden door een en dezelfde slotregel: “Alle Seelen ruhen in Frieden”. Litanei maakte deel uit van een verzenbundel door Jacobi in 1816 gepubliceerd. Zijn gedichten moeten als geschikt om op muziek gezet te worden onder Schuberts aandacht zijn gebracht.

Het oorspronkelijke gedicht telt negen strofen waarvan de eerste als negende slotstrofe herhaald wordt. Het is niet gebruikelijk alle strofen te zingen. Schubert gaf niet aan welke strofen hij behalve dan de eerste prefereerde. Het lied werd in 1831 gepubliceerd met de strofen een, drie en zes. Deze selectie is gebruikelijk geworden. Florian Boesch en Ian Bostridge maakten echter een eigen selectie. Schubertvertolker Dietrich Fischer-Dieskau stelde dat slechts twee strofen gezongen dienen te worden omdat het kalme en zoete effect van de melodie nadelig beïnvloed zou worden door te veel herhaling. Het lied is geschreven voor een mannenstem, maar wordt ook wel uitgevoerd door een zangeres.

De gekozen tempi met een totale gemiddelde tijd van vijf minuten kunnen erg verschillen. Matthias Goerne steekt de kroon met een duur van bijna acht minuten. De muzikale stijl komt bijzonder vertrouwd over met een kabbelende begeleiding van een betrekkelijk eenvoudige melodie gekenmerkt door legato. In het jaar 1816 stelde Schubert zich als doel pure en eenvoudige melodieën te scheppen, een als het ware Italiaans contrast met het minder stralende Duitse dramatische recitatief en arioso.

Schuberts leermeester Antonio Salieri, met wie trouwens in dat jaar de negentienjarige leerling brak, zou ingenomen zijn met deze stilistische benadering die meer in de smaak viel. Compositorisch vormen de eerste en de laatste regel van een strofe plus het piano postludium twee elegische markeringspunten, waarbinnen de melodie omsloten wordt. De piano is meestal licht ondersteunend waarbij de resonantie van de baslijn een bescheiden maar onmiskenbare kracht verleent aan de zich afwikkelende melodie. De afsluitende drie solomaten worden als treffend voor Schuberts kunnen beschouwd.

Tekst Ruhn in Frieden alle Seelen,Die vollbracht ein banges Quälen,Die vollendet süßen Traum,Lebenssatt, gebohren kaum,Aus der Welt hinüber schieden;Alle Seelen ruhn in Frieden! Die sich hier Gespielen suchten,Oefter weinten, nimmer fluchten,Wenn vor ihrer treuen HandKeiner je den Druck verstand;Alle, die von hinnen schieden,Alle Seelen ruhn in Frieden! Und die nie der Sonne lachten,Unterm Mond auf Dornen wachten,Gott, im reinen Himmels-Licht,Einst zu sehn von Angesicht:Alle, die von hinnen schieden,Alle Seelen ruhn in Frieden! Und die gern im Rosen-GartenBey dem Freuden-Becher harrten;Aber dann, zur bösen Zeit,Schmeckten seine Bitterkeit;Alle, die von hinnen schieden,Alle Seelen ruhn in Frieden! Auch, die keinen Frieden kannten,Aber Muth und Stärke sandtenUeber leichenvolles FeldIn die halb entschlafne Welt;Alle, die von hinnen schieden,Alle Seelen ruhn in Frieden! Ruhn in Frieden alle Seelen,Die vollbracht ein banges Quälen,Die vollendet süßen Traum,Lebenssatt, gebohren kaum,Aus der Welt hinüber schieden:Alle Seelen ruhn in Frieden!Johann Georg Jacobi, 1776

Bronnen

https://en.wikisource.org/wiki/1911_Encyclop%C3%A6dia_Britannica/Jacobi,_Johann_Georg https://kloostermagazine.nl/schubert-litanie-voor-het-feest-van-allerzielen/ https://www.liederabend.cat/en/bloc/entrades/771-all-souls-rest-in-peace https://imslp.org/wiki/Am_Tage_Aller_Seelen,_D.343_(Schubert,_Franz) https://www.ipasource.com/creator/jacobi-johann-georg

Categorie:Lied (klassieke muziek) Categorie:Compositie van Franz Schubert