De Buttlars (ook Duo Buttlar en The Two Buttlars) was een muzikaal duo dat van 1933 tot 1960 optrad in verschillende Europese landen. De leden waren Anita Wellmann uit Hamburg en Egon von Buttlar uit Berlijn. Tijdens de optredens zongen ze en begeleidden zichzelf op twee piano's en twee accordeons. Ze brachten een mix van klassieke muziek uit opera's en operettes, muziek en liedjes uit populaire films en lokale muziek. Anita Wellmann was oorspronkelijk Joods en Egon von Buttlar was van Duitse adel. In 1937, weigerde de Rijksmuziekkamer in Berlijn hen een vergunning, om in Duitsland op te treden, wegen de joodse achtergrond van Anita. Hierdoor gingen ze gedwongen in ballingschap. Na een Europese rondreis waar ze optraden in Oostenrijk, Italie en Zwitserland kwamen ze in Nederland terecht. Hier traden ze vanaf 1940 op in diverse gelegenheden en steden, o.a. in Den Haag, Amsterdam, Rotterdam, Deventer en Eindhoven. In 1944 en 1945 waren ze gedwongen om negen maanden onder te duiken in Hilversum. Na de Tweede Wereldoorlog verkregen ze de Nederlandse nationaliteit en vestigden ze zich in den Haag. De Buttlars traden op tot 1960.
Leden Anita Wellmann Anita Wellmann werd geboren op 10 januari 1908 in Altona, Hamburg. Haar ouders waren Samuel Wellmann en Eugenia Weinberg. Zij emigreerden in 1899 vanuit Galati, Roemenië, naar Hamburg en vestigden zich in 1901 in Altona, waar veel familieleden woonden. In Altona dreven Samuel en twee van zijn broers een vis-, sigaretten- en later een wijnhandel. Anita groeide op in de Joodse wijk Grindel in Hamburg . Volgens de gastenboeken die ze achterlieten, vond een van haar eerste pianoconcerten plaats op 4 december 1926 in de "Festsaal Oberrealschule" (de aula van de middelbare school) in Hamburg. Anita had zanglessen aan de "Alice Reichwaldt Gesangschule", een muziekacademie in Hamburg. In 1934 emigreerden Anita's ouders naar Roemenie, een gedwongen migratie. De wijnhandel van haar ooms werd in 1939 door de Gestapo geconfisqueerd. Uit de dossiers van de Wiedergutmachung in het Hamburgse Staatsarchief blijkt dat veel van Anita's familieleden tijdens de oorlog in concentratiekampen zijn vermoord, terwijl sommigen erin slaagden naar Amerika te vluchten.
Egon von Buttlar Egon Gustav Treusch von Buttlar- Brandenfels werd in 1899 geboren in Berlijn-Schönberg. Hij was de jongste zoon van Egon Carl Louis von Buttlar, een luitenant in het Koninklijke Pruisische Leger, en Marie Wilhelmine Ida Pilling uit Hamburg. Egon groeide op in Berlijn Karlshorst, in de Auguste-Viktoria-Straße, waar zijn ouders sinds 1909 woonden. Volgens zijn opgetekende levensverhaal in de documenten voor zijn verzoek om Wiedergutmachung in 1956, bezocht hij in zijn jeugd het Leibniz-Gymnasium in Berlijn-Kreuzberg. Voordat hij zijn diploma haalde, ging hij het leger in. Hij werd in 1917 'Fahnenjunker', de laagste officiersrang, in het 3e Garde Infanterieregiment van het Pruisische Leger. In 1918, werd Egon bevorderd tot luitenant. Na de oorlog was Egon krijgsgevangene in Frankrijk, in het kamp Groues bij Orléans. Hij keerde terug in Berlijn in 1920. Vanaf zijn terugkeer nam hij muzieklessen bij Dr. Ludwig in Karlshorst. In de jaren twintig werd Egon een bekend persoon in het nachtleven van Berlijn-Charlottenburg. Hij speelde als barpianist in onder andere de Casanova en de Greifi Bar. Hij was niet alleen pianist, maar ook een, lokaal bekende, sporter en karikaturist.
Carrière Optredens in Hamburg en Berlijn (1931-1936) In oktober 1931 vertrok Egon naar Hamburg om daar op te treden. Hij ontmoette er Anita Wellmann die aanvankelijk in zijn ensemble speelde. Op 29 december 1931 traden ze voor het eerst als duo op in de CSB Bar in Hamburg. In 1932 traden ze op met drummer en accordeonist Eddy Simons en violist Hans Kamman. De band heette "Egon Freiherr von Buttlar und seine Solisten" (Egon von Buttlar en zijn Solisten). Op 29 maart 1933 trouwden ze in Hamburg. De zuivering na de machtsovername door de nationaal socialisten in 1933 trof niet alleen lokale gelegenheden, maar ook de muziekwereld. In september 1933 werd de Rijksmuziekkamer opgericht. Muzikanten moesten hier lid van worden om te mogen optrden. Vanaf die periode werden ook beroepsverboden uitgevaardigd vnl aan Joodse muzikanten. Vanaf juni 1934 traden de Buttlars als duo op in de bar van het Hotel Reichshof in Hamburg. In augustus 1935 kregen ze de eerste moeilijkheden vanwege Anita's Joodse achtergrond. Hoewel de eerste rassenwetten pas in september van 1935 van kracht werden, werden mensen die in gemengde huwelijken leefden al beledigd, aangegeven en gearresteerd door de SA. Om de problemen in Hamburg te ontlopen, vertrokken ze naar Düsseldorf, waar ze optraden in de Carlton Bar. Daar kregen ze met dezelfde problemen te maken; ze konden hun gemengde huwelijk niet langer verbergen. Egon vroeg een vrijstellingsvergunning aan bij de Rijksmuziekkamer in Berlijn. De vergunning werd verleend en vanaf december 1935 traden ze op in de Greifi Bar, in Berlijn West, het nieuwe, elegante en exclusieve uitgaansgebied rond de Joachimthalerstrasse en de Kurfürstendamm. De volledige uitsluiting van Joodse muzikanten begon in 1935 met de systematische controle van alle leden op hun 'Arische' afkomst. Muzikanten en bandleiders die hun beroep niet langer mochten uitoefenen, werden Duitsland uitgezet, de meesten vanwege hun afkomst. De volgende optredens van De Buttlars waren van korte duur. In maart 1936 ontving de controleafdeling van de Brandenburgse Staatsmuziekvereniging informatie waaruit bleek dat Anita Joods was. De Buttlars vertrokken naar Münster, waar ze optraden in de Roxel Bar. Toch kreeg Egon opnieuw toestemming om de eerste drie maanden van 1937 op te treden in de Greifi Bar in Berlijn West. In september van dat jaar werd de vergunning definitief ingetrokken. In 1940 werd de naam van Anita gepubliceerd in het 'Lexicon van Joodse Muzikanten', samengesteld in opdracht van de Rijksleiding van de NSDAP op basis van officiële, door de partij goedgekeurde documenten, een antisemitische publicatie.
Ballingschap in Wenen, Milaan, Zürich en Den Haag (1937-1945) In de herfst van 1937 reisden de Buttlars naar Wenen, waar ze optraden in de Figaro Bar. Ze bevonden zich in Wenen tijdens de Anschluss in maart 1938. Omdat de rassenwetten direct na de Anschluss ook in Oostenrijk van kracht werden, hadden ze geen andere keuze dan te vertrekken. Ze begonnen aan een ballingschapstournee door Europa, met optredens in de Piccolo in Milaan, de Metropol in Zürich en het Alhambra in Riga. Toen de Italiaanse rassenwetten werden ingevoerd, verhuisden ze van Milaan naar Zürich. Toen Duitsland Polen binnenviel, traden de Buttlars op in Fribourg in de Pernel Bar en werden ze door de lokale autoriteiten gedwongen Zwitserland te verlaten. Omdat Nederland nog steeds neutraal was, dachten de Buttlars dat ze veilig waren in Nederland en arriveerden ze met Kerstmis 1939 in Den Haag, waar ze optraden in de Riche Bar. Ze bevonden zich in Amsterdam toen de oorlog in Nederland uitbrak. De Buttlars zaten vast en het was onmogelijk om Nederland te verlaten. Vanaf 1941 traden ze op in Hotel Hamdorff in Laren. In 1943 en 1944 waren ze te horen op verschillende nationale radioprogramma's. In 1944 werd Egon gedwongen dienst te nemen in het Duitse leger, dat kampte met een personeelstekort. Hij werd gestationeerd in de Waterloo-kazerne in Amersfoort als opnamebeheerder van de Nederlandse krijgsgevangenen die zich moesten melden voor dwangarbeid. In maart 1944 ontdekte de legerleiding in Amersfoort dat Egon zijn "gemengde" huwelijk had verzwegen. Zijn paspoort en rantsoenbonnen werden in beslag genomen en zijn Duitse nationaliteit werd ingetrokken. De Buttlars doken onder in Hilversum tot de bevrijding van Nederland in mei 1945.
Nederland en de Wiedergutmachung compensatie (1945-1960) Na de oorlog verkregen de Buttlars de Nederlandse nationaliteit. In 1952 merkte de naturalisatiecommissie op dat Egon gehecht was geraakt aan het land en dat hij voldoende geassimileerd was. In de documenten werd vermeld dat hij tijdens de oorlog in 1943/44 negen maanden diende als officier in het Duitse leger in Nederland. Hij werd ontslagen vanwege zijn huwelijk met een Joodse vrouw. De naturalisatie commissie schrijft dat hij zijn uniform zo goed mogelijk gebruikte om de Nederlandse belangen te dienen. Dankzij zijn inspanningen konden verschillende geïnterneerde officieren en manschappen van het Nederlandse leger hun vrijheid terugkrijgen. De Buttlars woonden ruim twintig jaar in een appartement op een bovenverdieping in de Piet Heinstraat in Den Haag. Zowel Anita als Egon vroegen een Wiedergutmachung uitkering aan bij de Duitse regering, die in 1960 werd toegekend. Daarna stopten ze definitief met optreden. Egon von Buttlar overleed op 19 juli 1987 in Den Haag. Anita von Buttlar-Wellmann overleed op 27 maart 1998 in Den Haag. Ze lieten hun "Gouden Boeken" na, vijf originele kunstenaarsboeken van Egon en Anita, die de periode 1933-1960 beslaan. De boeken bestaan uit foto's, optredens met vermelding van datum en locatie, berichten en groeten van vrienden en handtekeningen van beroemdheden. Het eerste Gouden Boek was een geschenk voor Egon van zanger en acteur Richard Tauber.In januari 2026 werd de verzameling 'gouden boeken' van de Buttlars, bestaande uit vijf exemplaren, door de erfgename van Egon von Buttlar, geschonken aan het Joods Museum in Berlijn.
Referenties
Geciteerde werken
Verder lezen
Categorie:Duo (muziek) Categorie:Duitse band