Hillebrand Dirk de Bruijn (Lange Ruige Weide 14 juli 1811 – Linschoten 3 december 1890) was een Nederlands koopman, en politicus in Linschoten.

Levensloop De Bruijn werd op 14 juli 1811 geboren in het Hoge Huys te Driebruggen. Hij was een zogeheten zondagskind en de zoon van Dirk Hillebrand de Bruijn en Meijnsje Kastelijn. Hij behoorde tot het patriciërsgeslacht De Bruijn, dat voortkwam uit een geslacht van schepenen en kaaskoopmannen uit de regio Utrecht.De stammoeder van het Patriciërsgeslacht, Maria Westveen, is getuige bij de doopplechtigheid van drie tantes en een oom van Hillebrand Dirk. Bron: RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, toegang nr. R063 ‘Fonds doop-, trouw- en begraafboeken van Waarder’, inv.nr. 1a & 1b. f. 151, 156, 4, 10. Zijn vader was naast kaaskoopman schepen van Lange Ruige Weide van 1791 tot 1796 en bekleedde daar van 1817 tot 1833 het ambt van wethouder.

De Bruijn groeide op in Driebruggen, waar hij samenleefde met een negen jaar oudere zus, twee oudere halfbroers en een oudere halfzus. Op 8 januari 1832 trad hij in het huwelijk met Jannetje Bol uit Valkenburg. Kort daarna overleed zijn vader, waarna De Bruijn de kaashandel van de familie overnam.

Op 17 mei 1837 vestigde De Bruijn zich met zijn gezin in een pand aan de huidige Dorpstraat 4–8 te Linschoten, gelegen aan de Korte Linschoten. In 1851 werd hij gekozen tot lid van de gemeenteraad van Linschoten en in 1864 volgde hij Dirk Verweij op als wethouder. In datzelfde jaar overleed zijn jongste zoon, Hillebrand Dirk, aan tuberculose na meerdere vergeefse opnames in een sanatorium te Vlaardingen.

Na zijn terugtreden uit de politiek op 65-jarige leeftijd wijdde De Bruijn zich voornamelijk aan zijn familie en zijn bezittingen in en rondom Linschoten. Daartoe behoorden onder meer de kaashandel en de nieuwbouw van het pand aan Dorpstraat 10. De Bruijn overleed op 12 maart 1890, drie dagen vóór het overlijden van zijn echtgenote. Beiden werden bijgezet in de grafkelder op de Nederlands Hervormde Begraafplaats.

Politieke carrière Na de grondwetsherziening van 1848 ontstonden nieuwe bestuurlijke structuren door de invoering van de Provinciewet en de Gemeentewet van 1851. Op basis van deze wetten werd De Bruijn in 1851 voor het eerst gekozen tot lid van de gemeenteraad van Linschoten. De gemeenteraad bestond destijds uit burgemeester Gerard van Dam en raadsleden W. van den Berg, Dirk Verweij, A. Stigter, C. van Vliet, F. Bos en G. Spruijt.

Tijdens zijn politieke loopbaan ontving De Bruijn begeleiding van Dirk Verweij, die sinds 1826 deel uitmaakte van het dorpsbestuur van Linschoten. Als raadslid richtte De Bruijn zich voornamelijk op financiële onderwerpen. Hij onderschreef daarbij liberale uitgangspunten, waaronder een terughoudende rol van de overheid.

In 1864 volgde De Bruijn zijn politieke mentor Dirk Verweij op als wethouder, nadat deze wegens zijn gevorderde leeftijd was afgetreden. Vanwege de verslechterende gezondheid van burgemeester Van Dam nam De Bruijn van 1873 tot 1 oktober 1875 het loco-burgemeesterschap waarna Pieter Hendrik Knook, de schoonzoon van De Bruijn, benoemd werd tot burgemeester van Linschoten.

Nageslacht In totaal kreeg de Bruijn elf kinderen waarvan er vier de volwassenheid bereiken. Zijn oudste zoon en dochter trouwde met de twee jongste dochter en zoon van Dirk Verweij en een andere dochter trouwde met een telg uit het patriciërsgeslacht Margadant. Zijn jongste dochter Johanna Cornelia de Bruijn trouwt met Pieter Hendrik Knook.

Literatuur (1997). Hillebrand Dirk de Bruijn en de Dorpstraat te Linschoten. Heemtijdinghen SHHV, 33(1),4-20.

Categorie:Burgemeester van Linschoten Categorie:Nederlands ondernemer