Het Eerste Koerlandslag was een militaire veldslag tussen het Rode Leger en de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog in het gebied Koerland in Letland. Hier speelde zich van 15 oktober 1944 tot 9 mei 1945 de Slag om Koerland af. De offensieven van de Sovjettroepen verdeelden zich over zes slagen, genaamd de Eerste t/m Zesde Koerlandslag.

Inleiding Op 22 juni 1944 lanceerde het Rode Leger het Wit-Russische Strategische Offensief, met de codenaam Operatie Bagration. Het doel van dit offensief was de bevrijding van Wit-Rusland. In de laatste fases van het offensief stootten de Sovjettroepen door tot aan de Oostzeekust, daarbij sneden ze de verbinding door tussen Heeresgruppe Nord en de overblijfselen van Heeresgruppe Mitte. Duitse troepen slaagden erin de verbinding tussen beide legergroepen te herstellen tijdens Operatie Doppelkopf. Het Rode Leger lanceerde op 5 oktober 1944 het Memeloffensief (deel van de Baltische operatie) met het doel Heeresgruppe Nord te isoleren door de Oostzeekust te bereiken, hetgeen op 10 oktober 1944 lukte. Intussen waren de Sovjets ook door Estland naar Riga opgerukt en was deze stad op 13 oktober gevallen. Daarmee waren het 18e Leger en het 16e Leger samen ingesloten in Koerland. Adolf Hitler gaf geen toestemming om deze twee legers te evacueren, en daarmee moesten ze zich ingraven en ter verdediging inrichten.

Aan de andere zijde lagen drie Sovjet fronten, het 1e, 2e, en 3e Baltische Front. Die laatste zou echter weldra opgeheven worden. De twee eerste fronten wilden proberen vanuit de beweging het Duitse Koerland bruggenhoofd op te gaan rollen. Dit zou later de Eerste Koerlandslag gaan heten.

Slagorde in geheel Koerland Rode Leger 1 oktober 1944 miniatuur| Generaal Ivan Bagramjan leidde het 1e Baltische Front 1e Baltische Front – Legergeneraal Ivan C. Bagramjan direct onder bevel 3e Garde Gemechaniseerde Korps 4e Stoottroepenleger – Luitenant-generaal Pjotr F. Malysjev 14e, 83e en 84e Infanteriekorps 6e Gardeleger – Kolonel-generaal Ivan M. Tsjistjakov 19e Tankkorps, 2e, 22e en 23e Garde Infanteriekorps, 103e Infanteriekorps 51e Leger – Luitenant-generaal Jakov G. Krejtser 1e Garde Infanteriekorps, 10e, 60e en 63e Infanteriekorps 5e Garde Tankleger – Luitenant-generaal, vanaf 26 oktober 1944 Kolonel-generaal Vasili T. Volski 3e Garde Tankkorps, 29e Tankkorps 2e Baltische Front – Legergeneraal Andrej I. Jerjomenko direct onder bevel 5e Tankkorps 3e Stoottroepenleger – Generaal-majoor Nikolaj P. Simonjak 79e en 100e Infanteriekorps 10e Gardeleger – Kolonel-generaal Michaïl I. Kazakov 7e, 15e en 19e Garde Infanteriekorps 22e Leger – Luitenant-generaal Gennadi P. Korotkov 93e en 130e Infanteriekorps 42e Leger – Luitenant-generaal Vladimir P. Sviridov 110e en 124e Infanteriekorps 3e Baltische Front (tot 16 oktober 1944) – Legergeneraal Ivan I. Maslennikov direct onder bevel 10e Tankkorps, 7e Infanteriekorps 1e Stoottroepenleger (16 oktober 1944 naar 2e Baltische Front) – Luitenant-generaal Vladimir N. Razoevajev 12e en 14e Garde Infanteriekorps, 119e en 123e Infanteriekorps 54e Leger (16 oktober 1944 naar reserve Sovjet opperbevel) – Luitenant-generaal Sergej V. Roginski geen korpsen, alleen drie divisies direct onder bevel 61e Leger (16 oktober 1944 naar 1e Baltische Front) – Kolonel-generaal Pavel A. Belov 9e Garde Infanteriekorps, 80e en 89e Infanteriekorps 67e Leger (16 oktober 1944 naar Leningradfront) – Luitenant-generaal Vladimir Z. Romanovski 111e, 112e en 122e Infanteriekorps Per 16 oktober 1944 werd het 3e Baltische Front ontbonden. De staf, samen met het 54e Leger, werden overgedragen aan de reserve van het Opperbevel. De resterende troepen werden overgeplaatst naar het Leningradfront (67e Leger), het 1e Baltische front (61e Leger) en het 2e Baltische Front (1e Stoottroepenleger).

Wehrmacht 13 oktober 1944 miniatuur|Generaloberst Ferdinand Schörner leidde Heeresgruppe Nord Heeresgruppe Nord – Generaloberst Ferdinand Schörner direct onder bevel III (Germaanse) SS Pantserkorps – SS-Obergruppenführer Felix Steiner 11. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nordland en 4. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade Nederland Feld Ausbildungs-divisie Nord 18e Leger – General der Infanterie Ehrenfried Böge 39e Pantserkorps – Generalleutnant Karl Decker 4e en 12e Pantserdivisies, 61e en 225e Infanteriedivisie 10e Legerkorps – General der Infanterie Hermann Foertsch 14e Pantserdivisie, 30e Infanteriedivisie 1e Legerkorps – Generalleutnant Theodor Busse 11e en 126e Infanteriedivisies 16e Leger – General der Infanterie Carl Hilpert direct onder bevel 24e, 87e, 132e en 263e Infanteriedivisies, 31e Volksgrenadierdivisie, Divisionsstab z.b.V. 300 43e Legerkorps – Generalleutnant Kurt Versock 23e, 218e Infanteriedivisies, 12e Luftwaffen-Felddivisie, 207e Sicherungsdivisie en 390e Sicherungsdivisie 2e Legerkorps – General der Infanterie Wilhelm Hasse 227e Infanteriedivisie, 563e Volksgrenadierdivisie VI SS Korps SS-Obergruppenführer und General der Waffen-SS Walter Krüger 205e, 215e en 389e Infanteriedivisies 50e Legerkorps – Generalleutnant Hans Boeckh-Behrens 290e Infanteriedivisie, 281e Sicherungsdivisie Korps z.b.V. Kleffel – General der Kavallerie Philipp Kleffel, vanaf 20 oktober 1944 Generalleutnant Horst von Mellenthin 93e Infanteriedivisie, 19e SS Grenadierdivisie Armee-Abteilung Grasser – General der Infanterie Anton Grasser 38e Legerkorps – General der Artillerie Kurt Herzog 32e, 81e, 121e, 122e en 329e Infanteriedivisies, 201e Sicherungsdivisie en 21e Luftwaffen-Felddivisie

Verloop van de strijd thumb|right|Evacuatie uit Ventspils, 19 oktober 1944 Op 15 oktober 1944 begon de Eerste Koerlandslag, waarbij de Sovjets met het 2e Baltische Front oprukten vanuit het gebied rond Dobele, via Tukums, richting Ventspils. Hiervoor werden ingezet het 3e Stoottroepenleger, het 10e Gardeleger en het 22e en 42e Leger. Daarnaast zou het 1e Stoottroepenleger (overgenomen van het 3e Baltische Front) langs de kust richting Tukums oprukken.

Daarnaast probeerde het 1e Baltische Front door te breken vanuit het gebied van Vaiņode naar Liepāja (Duits, historisch: Libau) om deze belangrijke bevoorradingshaven te veroveren en zo de bevoorrading van de hele legergroep te onderbreken. Hier opereerde het 18e Leger. Het Front gebruikte hiervoor het 6e Gardeleger (ondersteund door het 19e Tankkorps) en het 51e Leger, terwijl het 5e Garde Tankleger en het 61e Leger (die laatste was 16 oktober 1944 overgenomen van het 3e Baltische Front) klaarstonden om een doorbraak uit te buiten.

Het gebied tussen Liepāja en Mažeikiai kwam onder zwaar vuur van Sovjetartillerie en werd gebombardeerd door aanvalsvliegtuigen. Sommige Duitse divisies waren nog niet volledig in positie, omdat veel eenheden nog steeds vanaf het gebied Riga onderweg waren. Alle beschikbare troepen uit de achterhoede werden daarom in de strijd gegooid. Nadat de Duitse divisies zich herpakt hadden, voerden sommigen enkele tegenaanvallen uit. In de frontsector van de 30e en 61e Infanteriedivisies drongen de Sovjettroepen zelfs door in Vaiņode en rukten op richting Liepāja, maar werden toen tegengehouden door de 14e Pantserdivisie en konden niet verder oprukken. Op de linkervleugel verhinderden de 4e en 12e Pantserdivisies een Sovjetdoorbraak bij Mažeikiai.

Meerdere Duitse troepen werden in beweging gezet, zoals het III (Germaanse) SS Pantserkorps (met de 11. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Division Nordland, 20. Waffen-Grenadier-Division der SS (estnische Nr. 1) en 4. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Brigade Nederland), de 563e Volksgrenadierdivisie, evenals de 87e Infanteriedivisie, die onmiddellijk het gebied tussen de 11e en 126e Infanteriedivisies binnenrukten. Andere divisies versterkten het Priekule-gebied. De 97e, 132e en 263e Infanteriedivisies, de 31e Volksgrenadierdivisie en het 2e Legerkorps haastte zich om het 39e Pantserkorps tussen Vaiņode en Mažeikiai te helpen.

Maar niet alleen het 18e Leger, maar ook het 16e Leger en Armee-Abteilung Grasser werd nu meegesleurd in de maalstroom van de Eerste Koerlandslag. De belangrijkste focus van de aanval van het 1e Baltische Front lag voor Tukums en voor Dobele. Maar ten oosten van Tukums kwamen de aanvallen van de Sovjets al snel tot stilstand. Behalve kleine territoriale winsten in het gebied van Dobele en de inname van Ķemeri langs de kust, kon het front van het 16e Leger worden gehouden.

Nadat het Sovjetoffensief overal tot stilstand was gekomen, konden delen van de 14e Pantserdivisies, samen met de 31e en 563e Volksgrenadierdivisies, nog een tegenaanval opzetten. Ze slaagden er zelfs in enkele kilometers terreinwinst te forceren in het gebied van Vaiņode door een geconcentreerde aanval. Op 24 oktober 1944 was de frontlinie van Heeresgruppe Nord tot rust gekomen en verstevigd.

Voorbeeld Sovjet-inzet Een gedeeltelijk verklaring voor het mislukken van de Sovjetaanvallen, was het feit dat de meeste Sovjettroepen al meer dan drie maanden onafgebroken in actie waren, en dus slechts lage sterktes hadden. Voorbeeld was het 5e Tankkorps, onder bevel van Kolonel Jakov J. Babitski, dat in actie kwam ter ondersteuning van het 15e Garde Infanteriekorps. Dit tankkorps bestond uit de 24e, 41e en 70e Tankbrigades, de 5e Gemotoriseerde Infanteriebrigade, het 1261e en 1515e Regiment Zelfrijdende Artillerie plus ondersteunende eenheden. In juli 1944 beschikte het tankkorps nog over meer dan 200 tanks. Op 20 oktober, bij de aanvallen in de Eerste Koerlandslag, beschikte het korps slechts over 10x IS-2, 8x T-34's, 2x M-3L's, 9x T-70's, 15x SU-76's en 1x MK-2. Alle tanks waren ondergebracht in de 70e Tankbrigade (de andere twee tankbrigades en het 1261e Regiment waren zonder materieel naar achteren gestuurd).

Nasleep en verliezen Het 39e Pantserkorps en ook de 61e Infanteriedivisie werden al eind oktober 1944 per schip naar Oost-Pruisen overgebracht.

Koerland Koerland