Johan Emilius de Meyier (Den Haag 7 november 1848 - Den Haag 26 november 1913) was een Nederlands waterbouwkundig ingenieur. Zijn naam wordt bij de Nederlandse burgerlijk stad gespeld als de Meijier, maar zelf gebruikt hij in zijn artikelen de spelling met een y. Hij was de zoon van de referendaris aan het Ministerie van Koloniën, Henri Jean de Meyer. Na zijn studie aan de Polytechnische School te Delft, was hij vanaf 1870 werkzaam bij de overheid in Nederlands-Indië, uiteindelijk als directeur van het Departement der Burgerlijke Openbare Werken (BOW).
Naar Nederlands-Indië In april 1871 werd hij benoemd tot aspirant-ingenieur bij de Waterstaat en 's Lands Burgerlijke Openbare Werken en geplaatst in de residentie Cheribon. In dit gewest bleef hij 13 jaren. Hij werd daar bevorderd in 1874 tot ingenieur 3e klasse en in 1875 tot ingenieur 2de klasse en in 1884 tot ingenieur de 1ste klasse. De Meyier was gedurende al die jaren werkzaam bij de toen nog alles omvattende gewestelijke Waterstaatsdienst. Hij had dus bemoeienis met werken van allerlei aard, waarvan een van de belangrijkste is geweest de verbetering van de Menenteng-leiding, een aftapping uit de Tjisanggaroeng, welke in het oosten van de residentie 10.500 bouws bevloeit.
Het vraagstuk bestond al jaren totdat De Meyier er in slaagde hiervoor een ontwerp op te maken, dat met geringe wijzigingen is uitgevoerd. De uitvoering van dit werk, dat geheel aan zijn doel heeft beantwoord, is begonnen in 1878, maar hiermede is De Meyier niet belast.
Hij heeft zich verder in hoofdzaak beziggehouden met verschillende bevloeiings- en afwateringswerken in de afdeling Indramajoe in het stroomgebied van de Kali Tjimanoek, en had verschillende standplaatsen als Cheribon, Indramayu en Rambattan. Het meest bekende van de door hem daar ontworpen en uitgevoerde werken is een stuwdam in de Rambattan, waarvan hij een beschrijving heeft gegeven in het artikel „Een Indische beneden-rivier". Dit werk werd door De Meyier ook uitvoerig beschreven in het deel „Bevloeiingen" van het handboek „Waterbouwkunde". Het doel van deze dam beschrijft hij als volgt. miniatuur|Uitsnede uit de kaart van Java van 1884 De rivier de Tji Manoek (momenteel Cimanuk) verdeelt zich bij Lobener, ten zuiden van Indramajoe in twee takken, de Kali Rambattan en de Tji Manoek. De waterverdeling tussen deze twee armen wijzigde zich in ongunstige zin. De Rambattan-tak schuurde meer en meer uit, de oorspronkelijke Tji Manoek slibde aan, met als gevolg dat de scheepvaart langs deze rivier toenemende belemmering ondervond, in het droge jaargetijde was er in de hoofdplaats Indramajoe een gebrek aan drinkwater en de bevloeiing werd bemoeilijkt. Om hierin verbetering te brengen was meermaals zonder afdoend resultaat geprobeerd de waterverdeling te wijzigen door middel van tijdelijke dammen. Daarom werd in 1876 een ontwerp gemaakt tot afsluiting van de Rambattan door een lage, gemetselde dam. In 1881 werd dit werk voltooid. Het had 628.000 gulden gekost en heeft aan de eisen voldaan. Momenteel is op deze plaats een balgstuw (opblaasbare dam) geplaatst. Overigens wordt deze Rambattan op dit moment Cimanuk genoemd en is het de hoofdafvoer van de rivier geworden, de afvoer loopt dus niet meer langs Indramayu.
De werken in Cheribon hebben De Meyier aanleiding gegeven tot het schrijven van nog twee verhandelingen, namelijk over "Grondtransport, over de kosten van verschillende in Nederlands-Indië meest toegepaste methoden van grondverzet" en over de "Beproeving van portland-cement".
In 1884 werd De Meyier overgeplaatst naar Batavia.
Privé In 1872 was hij gehuwd met mejuffrouw Van Koetsveld, met wie hij zich vóór zijn vertrek uit Europa had verloofd. Hij kreeg 6 kinderen, waarvan er 3 op jeugdige leeftijd zijn overleden. In 1880 verloor zijn vrouw het leven bij de geboorte van een zoon. Hij is nooit meer hertrouwd, en heeft de zorg voor zijn vier kinderen volledig op zich genomen. Zijn moeder (Fenna Vitringa Coulon, geboren in 1825, dus in 1880 55 jaar. Zijn vader was al in 1859 overleden, zijn moeder was in 1863 hertrouwd, maar haar tweede echtgenoot was inmiddels ook overleden in 1877) kwam toen naar Indië om de zorg voor de huishouding van haar zoon en voor zijn kinderen op zich te nemen. In 1884 volgde zij hem naar Batavia.
De Meyier was te Batavia tot juni 1885, toen hij met verlof wegens langdurige dienst naar Europa vertrok, geplaatst bij de Afdeling A van het Departement der Burgerlijke Openbare Werken. In een vergadering van de Afdeling Ned.-Indië van het Kon. Instituut van Ingenieurs had hij tevoren nog een mededeling gedaan, die op de Rambattan-werken betrekking had, namelijk over de bereiding van beton bij die werken, en hij schreef een artikel over de Sluisdeuren bij de waterwerken van Lough-Erne, de later ook in Indië enkele malen toegepaste Stoney-schuiven.
Verlof 1886/1887 Ook in zijn verlofperiode was hij zeer actief. Van oktober 1886 tot maart 1887 was op verlof in Nederland, en werkte hij op het bureau van de Algemene Dienst van Rijkswaterstaat onder de ir. W. Verwey Azn. Hij deed toen hij onderzoek naar de waterstaatkundige toestand van Nederland. Ook was hij gedurende zijn verlof een ijverig medewerker aan De Indische Mercuur,Weekblad voor handel, landbouw, nijverheid en mijnwezen in Nederlandsch Oost-en West-Indie, bestond sinds 1878. Nummers vanaf 1903 zijn beschikbaar in Delpher. waarin verscheidene grote en kleinere artikelen op technisch gebied van zijn hand verschenen. Het artikel Schets van de ontwikkeling en het beheer der Openbare Werken in BritschIndië is als overdruk uitgegeven. Dit boekje beschrijft land en klimaat, de bevolking, de inrichting van het bestuur, de financiën, het departement der Openbare Werken, de ingenieurs en hun opleiding, de irrigatie-werken en hun resultaten en de spoorwegen. Ook schreef hij in 1887 Irrigatie-werken in Egypte, grotendeels bewerkt naar een rapport in de Genie Civil. Ook dit verhaal is als overdruk verschenen.
In 1886 was het weekblad De Ingenieur opgericht. De Meyier werd ook een ijverig medewerker aan dit tijdschrift. Vanaf Juni 1886 schreef hij daarvoor de verslagen van de vergaderingen van het Kon. Instituut van Ingenieurs en verder schreef hij in De Ingenieur een groot aantal redactionele artikelen (zie hieronder bij publicaties).
Terug naar Nedelands-Indië In Maart 1887 keerde De Meyier met zijn drie kinderen naar Indië terug. Hij werd na aankomst dadelijk herplaatst in zijn vroegere betrekking bij het Departement. In Maart 1890 werd hij bevorderd tot hoofdingenieur 2de klasse en aangewezen als chef der 1ste Waterstaatsafdeling, zodat hij Batavia als standplaats behield, maar bemoeienis had met alle Waterstaatswerken in de residenties Batavia, Bantam, de Preanger Regentschappen en de Lampongsche-districten.
Deze betrekking vervulde hij tot 1892, toen hij opnieuw aan het Departement werd verbonden als chef van de technische afdeeling A, waarbij hij te voren ook was geplaatst geweest. In 1896 werd De Meyier bevorderd tot hoofdingenieur 1ste klasse en benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, en in 1897 vertrok hij wederom met verlof naar Europa. Gedurende de 10 jaren, die De Meyier toen in Batavia had doorgebracht, heeft hij jaarlijks het „Verslag over de Burgerlijke Openbare Werken in Nederlandsch-Indië" persoonlijk geschreven.
Hij had inmiddels ook een verwante weduwe met haar kinderen in huis genomen. Jarenlang is De Meyier voor die kinderen een verzorger en tweede vader geweest.
Standaardwerk over bevloeiing In de eerste jaren na 1887 schreef De Meyier het werk waarmee het meest bekend is geworden, nl. het deel “Bevloeiingen” als onderdeel van de serie “waterbouwkunde” onder redactie van prof. Henket. Dit werk behandelt uitgebreid de bevloeiingswerken in het algemeen met bijzondere toepassing op Nederlands-Indië. Het bevat een beschrijving van enkele belangrijke irrigatie-werken in Europa, Egypte en Brits-Indië en van alle werken van betekenis, die tot 1890 op Java waren tot stand gebracht.
In het Tijdschrift van het Kon. Instituut van Ingenieurs (1892—93) heeft hij een uitgebreid artikel geschreven onder de titel „Beschrijving van den bouw van de haven te Tandjong-Priok". Aan die beschrijving gaat vooraf een overzicht van wat er over de haventoestanden te Batavia vanaf 1614 bekend is en van de overwegingen en onderzoekingen, die aan het opmaken van het ontwerp van de haven te Tandjong-Priok zijn voorafgegaan.
Werk voor het KIvI Gedurende de jaren 1887—97 is het echter vooral de afdeling Nederlands-Indië van het Kon. Instituut van Ingenieurs geweest waaraan hij naast zijn formele werkkring veel tijd heeft besteed. Van 1888 tot 1892 was hij penningmeester van die afdeling, daarna voorzitter van het bestuur. Uit die tijd stamt ook een veelheid van publicaties in het tijdschrift van de afdeling. Ook leverde hij een bijdrage aan het in 1897 bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Kon. Instituut van Ingenieurs uitgegeven Gedenkboek. Van het aan Nederlands-Indië gewijde XVIde Hoofdstuk bewerkte hij de afdelingen „Rivieren en rivier-werken", Wegen en bruggen" en „Zeehavens en kustverlichting".
Veel van hetgeen De Meyier in het Afdelingstijdschrift schreef, behandelde geen zaken die volgden uit in zijn ambtelijke werkkring, maar berustten op studie die hij naast zijn ambtelijk loopbaan deed.
Verlof 1897/1898 In Juni 1897 vertrok De Meyier weer met verlof naar Europa. In De Ingenieur van 1898, Nos. 3 en 4 verscheen van zijn hand een Studie over vaste stuwdammen in verband met de voorgenomen opstuwing der Solo-rivier. In deze artikelen beschrijft hij bezwaren tegen het toen in uitvoering zijnde ontwerp van de stuwdam in de Solo-rivier bij Ngloewak, aan welke bezwaren hij, terwijl hij nog te Batavia was, reeds uiting had gegeven. Zie verder hieronder bij Solo bevloeiingen.
Gedurende het laatste gedeelte van zijn verlof werkte De Meyier ook aan een uitvoerige bijdrage voor het werk Nederlandsch-Indië gedurende het regentschap van Koningin Emma onder redactie van J.F. van Bemmelen. Hij beschrijft daarin in hoofdstuk 12 al het belangrijke, wat gedurende dat regentschap in Nederlandsch-Indië is verricht op het gebied van Waterstaatswerken, spoor- en tramwegen, post-en telegraafdienst, waarbij ook de particuliere spoor- en tram, alsmede de telefoon-aanleg niet is vergeten. Directeur BOW In Juni 1898 keerde De Meyier van verlof terug; enkele dagen daarna werd hij benoemd tot Directeur van het Departement der Burgerlijke Openbare Werken. De belangrijkste gebeurtenis gedurende De Meyier's directeurschap is de schorsing en daarop gevolgde staking van de uitvoering der bevloeiingswerken in de Solo-vallei, welke aangelegenheid zijn tijd en zijn aandacht voortdurend grotendeels in beslag heeft genomen. De uitvoering van deze werken werd in november 1898 op last van de regering in Nederland geschorst. In de maand december van dat jaar werd in Nederland een commissie van advies benoemd, waarin naast drie Nederlandsche ingenieurs ook De Meyier zitting had. Een der Nederlandsche leden, de toenmalige hoogleraar aan de Polytechnische School te Delft J. Kraus, vertrok in Januari 1899 naar Java en bezocht met De Meyier de Solo-vallei-werken en verschillende belangrijke andere bevloeiingswerken. Tegen het einde van het jaar 1899 vertrokken de heren De Meyier en Kraus naar Europa voor het met de verdere commissie-leden opmaken van het rapport. In dit in Juli 1899 uitgebracht rapport adviseerde de meerderheid van de commissie tot voortzetting van de werken volgens een in een aantal opzichten gewijzigd ontwerp, doch het lid De Meyier adviseerde voor staking. Zijn advies heeft ten slotte den doorslag gegeven.
De Solo bevloeiingen