De Wet Verhuurderheffing was een Nederlandse belastingwet die van kracht was van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2022. De wet legde een heffing op aan verhuurders van gereguleerde huurwoningen, met als doel het vergroten van de rijksinkomsten en het stimuleren van hervormingen in de sociale huursector. De heffing werd voornamelijk betaald door woningcorporaties.

Achtergrond Na de financiële crisis van 2008 zocht het kabinet Rutte II (VVD–PvdA) naar structurele begrotingsmaatregelen. De wet werd ingevoerd met als doel het genereren van enkele miljarden euro’s per jaar voor de rijksbegroting. De totale opbrengst over de looptijd van de wet (10 jaar) was uiteindelijk gemiddeld 1,35 miljard euro per jaar, gelijk aan ongeveer 0,5% van de totale rijksuitgaven van 2018.

Stemmingsuitslag Tweede Kamer Het wetsvoorstel Invoering van een verhuurderheffing (Kamerstuk 33 407) werd op 21 november 2012 in stemming gebracht in de Tweede Kamer. Het voorstel werd aangenomen met steun van de fracties van de VVD, PvdA, D66, CDA, ChristenUnie en SGP. Tegen stemden onder meer de SP, PVV, GroenLinks, Partij voor de Dieren en 50PLUS. Daarmee beschikte het wetsvoorstel over een brede meerderheid die zowel de regeringscoalitie als meerdere oppositiepartijen omvatte. Tijdens de stemverklaringen voorafgaand aan de stemming waarschuwden tegenstanders voor de gevolgen van de maatregel. SP-woordvoerder Paulus Jansen stelde dat de verhuurderheffing ertoe zou leiden dat woningcorporaties zouden stoppen met nieuwbouw, renovatie en onderhoud, wat volgens hem zou resulteren in woningtekorten, werkloosheid en verloedering.

Economische effecten en afschaffing De wet was vanaf het begin sterk omstreden. De verhuurdersheffing leidde tot minder investeringen in nieuwbouw, wat heeft bijgedraagd aan de huidige wooncrisis. Corporaties gereageerden door minder goedkope sociale woningen in bezit te houden.

In 2022 besloot het kabinet-Rutte IV de verhuurderheffing af te schaffen. De afschaffing ging in op 1 januari 2023.

Categorie:Nederlands recht