thumb|Binnenhof, oud Amsterdam (1921) Dirk Berend Nanninga (Arnhem, 15 september 1868 – Amsterdam, 17 juli 1954) was een Nederlands etser, schilder en tekenaar.P.M.J.E. Jacobs (2000) Beeldend Benelux : biografisch handboek. Tilburg: Stichting Studiecentrum voor Beeldende Kunst. . Vol. 3, p. 388. Hij wordt in de regel vermeld als D.B. Nanninga.

Leven en werk Dirk Nanninga werd geboren in Arnhem als een zoon van kapper Berend Harm Nanninga en modemaakster Femmina Catharina Hajunga, beiden uit Amsterdam. Nadat zijn vader in 1873 overleed, verhuisde Dirk met zijn moeder naar de hoofdstad. Hij volgde aanvankelijk een opleiding voor de handel en werkte vijf jaar in het verzekeringswezen voor hij voor de kunst koos. In de periode 1891-1894 maakte hij studiereizen naar Londen en Beieren, maar had er geen vaste leermeester. In Nederland kreeg hij technische aanwijzingen van J.J. Isaäcson. Als schilder was hij grotendeels autodidact. Al in 1896 mocht hij op uitnodiging van de gerenommeerde James Whistler samen met Johan Thorn Prikker Nederland vertegenwoordigen op een internationale tentoonstelling in Londen.Karlijn de Jong (2009) De Onafhankelijken – 1919-1929. Masterthesis Universiteit Utrecht. Nanninga trouwde in 1906 met Sjoukje Bakker (1879-1963). Uit hun huwelijk werd dochter Mien Nanninga (1911) geboren, die net als haar vader ging schilderen.

Nanninga schilderde, tekende en etste bloemen, interieurs, landschappen, stadsgezichten en stillevens. Aanvankelijk in een aan de Haagse School verwante stijl, vanaf ca. 1910 toonde hij een meer nauwkeurige weergave van de werkelijkheid. Isaäcson schreef in 1906 de brochure Een nieuw standpunt in kunst, waarin hij Vincent van Gogh tegenover Nanninga zet. Nanninga stond volgends hem het dichtst bij de lyrische richting van Matthijs Maris."D.B. Nanninga zestig jaar, lyrisch schilder", De Telegraaf, 15 september 1928. Kasper Niehaus rekende Nanninga tot de vroege realisten, de voorlopers van de Nieuwe Realisten. Ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag in 1928 werd op een tentoonstelling van "De Brug" in het Stedelijk Museum Amsterdam een erezaal voor Nanninga ingericht. Hij kreeg als huldeblijk een album aangeboden met 15 reproducties van zijn werk, een voorwoord van Kasper Niehaus en een biografie door Otto Hanrath. Een van zijn werken werd bovendien aangekocht door de stad Amsterdam voor het Stedelijk Museum."D. B. NANNINGA. 1868—1988", Nieuwe Rotterdamsche Courant, 15 september 1928; "D.B. Nanninga gehuldigd", De Telegraaf, 17 september 1928. In 1932 werd een serie etsen van Nanninga aangekocht door het Rijksprentenkabinet. In 1941 ontving hij de verguld zilveren Art-medaille voor zijn schilderij Oud Amsterdam."Arti et Amicitiae deelt lauweren uit. Medaille en premies voor Nanninga, Peizel en Vreugde", De Telegraaf, 22 april 1941. Nanninga gaf ook les, tot zijn leerlingen behoorden zijn dochter Mien, Louis Cardinaals, Anna van Harinxma Thoe Slooten, Marie Kelting, Abraham Arnoldus Pakkoo en Louis Rempt.

D.B. Nanninga overleed op 85-jarige leeftijd,"Schilder D.B. Nanninga overleden", Algemeen Handelsblad, 19 juli 1954. kort na zijn laatste expositie in het Stedelijk Museum Amsterdam. Hij werd begraven op Zorgvlied."Schilder Nanninga ter aarde besteld", De Waarheid, 21 juli 1954.

Tentoonstellingen Nanninga was lid en bestuurslid van De Onafhankelijken, waar hij tussen 1919 en 1929 exposeerde, en lid van Arti et Amicitiae. Hij was in 1922 met Jan de Boer, Cees Bolding, Otto Hanrath, Roeland Koning, Ton C. Meyer, Max Nauta, Wout Schram, Paul van der Ven en Wilm Wouters een van de oprichters van de Maatschappij Rembrandt : Maatschappij voor kunst en kunstverlangenden. Hij werd 2e secretaris van de club."Maatschappij Rembrandt", De Tijd, 4 november 1922. Eind 1925 stapte hij met een aantal anderen op, wegens ontevredenheid over het veranderd artistiek begrip van de vereniging."Kunst en letteren", Het Vaderland, 28 december 1925. In februari 1926 was hij medeoprichter en vicevoorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Beeldende Kunstenaren "De Brug", die het contact tussen kunstenaar en publiek tot stand wilde brengen."De Ver. van Nederl. Beeldende Kunstenaren", De Tijd, 15 februari 1926; "De Vereeniging van Nederlandsche Beeldende Kunstenaren „De Brug"", De Tijd, 10 juli 1926.

Nanninga had solotentoonstellingen bij onder andere Goudeket in Amsterdam (1895),N.H. Wolf, "De Kunstschilder D.B. Nanninga bij gelegenheid van zijn zestigsten verjaardag", Op de hoogte, jrg 26, no 2, januari 1929. Arts and Crafts in Den Haag (1898), kunsthandel Reddingius in Hilversum (1907), Voor de Kunst in Utrecht (1914)"Voor de Kunst", Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad, 22 februari 1914., Gerbrand's Kunsthandel in Utrecht (1932) en het Stedelijk Museum (1954). Hij exposeerde in klein verband onder anderen samen met J.J. Isaäcson en Henri van Daalhoff bij Arts and Crafts (1899), met J.J. Isaäcson en F.W. Weigel 'oud-Testamentische en sensitieve kunst' in het Stedelijk Museum Amsterdam (1905), met Piet Bohncke en Marie Kelting bij Unger & Van Mens in Rotterdam (1916)A.O., "Bij Unger en Van Mens te Rotterdam", Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, jrg 26 (1916), deel 52, p. 491-495., bij Biesing in Den Haag (1918) en in de kunstzaal van de bibliotheek in Laren (1939),"Tentoonstelling P. Böhncke, Marie Ketting en D.B. Nanninga te Laren", De Gooi- en Eemlander, 29 juli 1939. en met Otto Hanrath en Hubert van Lith bij Pictura in Groningen (1937). Daarnaast nam hij onder meer deel aan groepsexposities van de verenigingen waarvan hij lid was en aan Onze kunst van heden (1939-1940) en Kunst in Vrijheid in het Rijksmuseum Amsterdam (1945).

Categorie:Nederlands etser Categorie:Nederlands kunstschilder Categorie:Nederlands tekenaar