José Ramón de Gardoqui y Jaraveitia (Bilbao, 19 april 1755 - Navotas, 9 december 1816) was een Spaans marineofficier en koloniaal bestuurder. Gardoqui maakte naam als commandant van het Spaanse vlaggenschip Santa Ana tijdens de Slag bij Trafalgar in 1805 en werd in 1814 benoemd tot jefe de escuadra (schout-bij-nacht) van de Spaanse marine. Gardoqui was gouverneur-generaal van de Filipijnen van 1813 tot zijn dood eind 1816. Zijn ambtstermijn als gouverneur-generaal was relatief kort, maar werd gekenmerkt door meerdere vermeldenswaardige gebeurtenissen. Zo kreeg hij te maken met diverse opstanden, met name in Ilocos Norte. Tevens werd de Spaanse kolonie veelvuldig aangevallen door de moros in het zuiden van de archipel en vond op 1 februari 1814 de meest verwoestende uitbarsting van de Mayon uit de geschiedenis van de Filipijnen plaats. Het was ook in zijn periode als gouverneur dat er een definitief einde kwam aan de handel met de Manillagaljoenen, nadat in 1815 het laatste galjoen met de naam Magallanes vanuit Acapulco arriveerde in Manilla.

Biografie Carrière in de Spaanse marine Vroege levensloop en opleiding thumb|Een kaart die werd gebruikt bij de aanval op Algiers (1775) Gardoqui werd geboren op 19 april 1755 als zoon van een adellijke familie in de stad Bilbao in de Spaanse provincie Biskaje. Op 12 januari 1775 meldde hij zich aan als marinecadet (marineofficier in opleiding). In eerste instantie voer hij mee in een eskader onder leiding van Antonio de Arce. Later diende Gardoqui bij Cartagena op een schip in het eskader van Pedro González de Castejón. Begin juni stapte hij over op de Velasco, het vlaggenschip van dat eskader en nam hij aan een mislukte invasie van Algiers onder leiding van Alejandro O'Reilly. De Spaanse troepen, met onder meer Gardoqui, landden daarbij succesvol op de kust van Ottomaans Algerije, maar kwamen verder landinwaarts tegenover een overmacht aan vijandelijk strijders te staan en trokken zich daarna, met enige verliezen, weer haastig terug naar de schepen. Nadien keerde hij terug naar Cádiz om daar zijn opleiding tot marineofficier voort te zetten. Niet lang daarna werd Gardoqui door Francisco Javier Winthuysen aangesteld als junior officier bij de marine kadetten.

Krijgsgevangen in Rio de Janeiro Op 2 maart 1776 werd Gardoqui met de rang van alférez de fragata (vaandrig) geplaatst in de stad Ferrol in Galicië. In eerste instantie voer hij op de San Agustín. Met dit schip vertrok hij op 14 december van dat jaar richting Montevideo. In maart 1777 vertrok hij met hetzelfde schip om een konvooi koopvaarders, beladen met voedsel, op weg naar het eiland Santa Catarina voor de Braziliaanse kust te beschermen. Door een zware storm raakte de San Agustín gescheiden van de rest van het konvooi. Bij Santa Catarina raakten ze op 19 en 20 april in gevecht met een Portugese vloot. Na twee dagen strijd moest het Spaanse schip zich overgeven en werd het naar Rio de Janeiro gebracht. Pas begin 1779 werd de San Agustín weer aan Spanje teruggegeven, waarna het schip met Gardoqui koers zette naar Cádiz, waar het na een reis van drieënhalve maand aankwam.

Blokkade van Gibraltar, Slag om de Baai van Spartel en reis naar de Filipijnen In 1779 bevond Gardoqui zich aan boord van de Miño als onderdeel van een grote gecombineerde Spaanse-Franse vloot van 66 linieschepen tijdens de Engels-Franse oorlog van 1778 tot 1783, waarbij het Spaanse deel van de vloot onder leiding stond van admiraal Luis de Córdova. De armada voer via het Kanaal naar de zuidkust van Engeland, met als doel het eiland Wight te veroveren en vervolgens de Britse marinebasis Portsmouth in te nemen. De veel kleinere Engelse vloot ontweek de armada en slechts het schip Ardent werd hierbij veroverd. Het plan mislukte uiteindelijk en de geplande invasie vond niet plaats.

thumb|De aankomst van de Britse vloot onder leiding van admiraal Richard Howe bij Gibraltar In 1780 nam Gardoqui aan boord van de Miño deel aan de blokkadeoperaties van Gibraltar onder leiding van generaal Luis de Córdova. Op 16 september 1781 werd Gardoqui bevorderd tot teniente de fragata (luitenant ter zee 2e klasse) en op 7 november van dat jaar stapte hij over op het fregat Asunción dat ook behoorde tot het eskader dat Gibraltar blokkeerde. Hij nam deel aan de Slag om de Baai van Spartel op 20 oktober 1782 tegen de Britse vloot onder leiding van admiraal Richard Howe en vertrok op 14 maart 1783 met het fregat richting Manilla om het nieuws over de vrede van Versailles naar de Spaanse kolonie in de Filipijnen te brengen. Het fregat keerde op 4 juli 1784 terug naar Spanje na het voltooien van de missie. Daar werd het schip buitenbedrijf gesteld en ging hij van boord. Op 15 november 1784 werd Gardoqui bevorderd tot teniente de navío (luitenant ter zee 2e klasse).

Op 8 oktober 1785 voer Gardoqui naar Algeciras waar hij dienst deed op een divisie van xebecs onder commando van kapitein Manuel Núñez. Eind januari 1786 keerde hij met het fregat Loreto terug naar Cádiz. Vandaar zocht hij met de Asunción naar de kostbaarheden die verloren waren gegaan bij een schipbreuk van de San Pedro de Alcántara voor de kust van Peniche in Portugal. Na een nieuwe tocht met dit schip naar Santa Cruz de Tenerife werd ook dit schip buitenbedrijf gesteld.

Hierna maakt hij opnieuw een lange reis nadat hij zich op 12 juli 1788 inscheepte op de Santa Casilda. Deze pakketboot vertrok samen met de Santa Eulalia, en onder commando van kapitein Antonio de Córdova, op 5 oktober 1788 vanuit Cádiz voor een verkenningsmissie naar de Straat Magellaan. Hierbij verkende met twee sloepen de hele kust van Vuurland van Kaap Lunes aan de oostzijde tot aan de Grote Oceaan aan de westzijde. Na terugkeer in Cadiz werd Gardoqui op 1 maart 1791 bevorderd tot kapitein van een fregat.

Franse revolutionaire en napoleontische oorlogen Na enkele verlofperiodes een nieuwe oorlogsverklaring aan Engeland, werd Gardoqui op 27 augustus 1796 bevorderd tot kapitein-ter-zee. In februari 1797 kreeg hij het commando over de Mejicano, onderdeel van een divisie schepen onder leiding van luitenant-generaal José de Mazarredo en gestationeerd in Cádiz. Met dit eskader achtervolgden ze voorafgaand aan de Zeeslag bij Kaap Sint-Vincent van 6 tot 13 februari de Britse zeevloot. Op 12 mei 1799 voer het eskader van Mazarredo naar de Middelandse Zee met als doel om Menorca te heroveren. Nadat veel schepen in de vloot schade opliepen in een zware storm in de Golf van Almería voeren ze uiteindelijk naar Cartagena, waar ze op 20 mei 1799 arriveerden. Hier kreeg Gardoqui het commando over de Reina Luisa, een schip uit hetzelfde eskader. Met dit schip nam hij van 1799 tot 1802 deel aan een langdurige marine-operatie van een gecombineerde Spaans-Franse vloot tegen de Britten in de haven van Brest.

thumb|De 'Royal Sovereign' raakt de achtersteven van het Spaanse vlaggenschip 'Santa Ana', onder leiding van Gardoqui, aan het begin van de Slag bij Trafalgar Na de ondertekening van de vrede van Amiens keerde Gardoqui in mei 1802 terug naar Ferrol, waar hij van boord ging. Hierna was Gardoqui vanaf 1 augustus 1803 Mayor General (stafchef) van de marinebasis van Cádiz. Na de een nieuwe oorlogsverklaring aan Groot-Brittannië nam hij op 16 februari 1805 echter het bevel over het linieschip Santa Ana. Met dit schip, het vlaggenschip van de Spaanse viceadmiraal Ignacio María de Álava, raakte Gardoqui tijdens de Slag bij Trafalgar op 21 oktober 1805 slaags met de 'Royal Sovereign' van de Britse viceadmiraal Collingwood. Gardoqui raakte daarbij gewond en de Santa Ana viel in handen van de Britten, maar werd twee dagen later weer heroverd en teruggebracht naar Cádiz. Na deze slag werd hij op 9 november bevorderd tot brigadegeneraal, maar behield het commando over de Santa Ana tot 7 maart 1806.

Op 21 november 1807 volgde een benoeming tot plaatsvervangend commandant van het arsenaal van La Carraca, de marinebasis bij Cadiz. Na het begin ven de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog was hij betrokken bij de Slag bij Cádiz op 14 juni 1808, waarbij de Spanjaarden een Franse vloot onder leiding van admiraal François de Rosily, die in de Baai van Cádiz voor anker lag, tot overgave wisten te dwingen. Op 27 juli van dat jaar werd Gardoqui benoemd tot commandant van de Plutón. Nadat dit schip niet lang daarna buiten bedrijf gesteld werd, keerde hij terug op zijn oude post, tot hij op 13 februari 1809 opnieuw het commando kreeg over de Santa Ana. Op 23 februari werd hij echter benoemd tot generaal-majoor van het eskader. Na een korte periode als commandant van de Príncipe van 1 tot 29 maart 1810 werd hij benoemd tot commandant van het Arsenaal van Havana. In mei 1810 vertrok Gardoqui met de San Lorenzo richting Havana voor zijn nieuwe functie. Daar inspecteerde en inventariseerde hij het gehele arsenaal grondig en maakte een einde aan corruptiepraktijken. In september 1812 keerde hij met de Miño weer terug in Cádiz.

Gouverneur-generaal van de Filipijnen (1813-1816) Aanstelling thumb|Een historische Spaanse kaart van de Filipijnen Op 6 maart 1813 werd Gardoqui benoemd tot gouverneur-generaal en kapitein-generaal van de Filipijnen en daarnaast tegelijk ook tot commandant van de marine van het eskader (apostadero) van Cavite. Kort na zijn benoeming vertrok hij met het speciaal toegewezen fregat Fernando VII op 6 april uit Cádiz. Na aankomst in Manilla nam Gardoqui op 4 september het bevel over van zijn voorganger Manuel González de Aguilar.

Tegelijk met de benoeming van Gardoqui was tevens bepaald dat er in de Filipijnen geen andere marine meer mocht bestaan dan de marinevloot. De schepen van de bestaande kapervloot werden hierdoor ook onderdeel van de marine. Dit viel niet in goede aarde bij de lokale koloniale functionarissen. De totale kosten voor de koloniale schatkist van de Filipijnen werden immers hoger, omdat deze schepen niet meer particulier gefinancierd werden maar vanuit de koloniale overheid. Doordat de schepen voortaan onder commando van de gouverneur-generaal stonden verloor men bovendien invloed en flexibiliteit.

Hernieuwde aanvallen door de moros In de jaren voorafgaand aan het bewind van Gardoqui was het relatief rustig geweest, maar vanaf vanaf 1813 kreeg de Spaanse kolonie te maken met nieuwe aanvallen van de moslims (moros) uit het zuiden van de archipel. Zo werd in 1813 vanuit Jolo en Basilan een poging gedaan om Zamboanga te veroveren. Dit wisten de Spanjaarden echter te verijdelen. De periode van relatieve rust bleek voorbij. De aanvallen op de gebieden die de Spanjaarden onder controle hadden werden geïntensiveerd. De moros namen daarbij mensen gevangen om ze als slaaf te verkopen op Jolo en veroverden diverse Spaanse en Engelse schepen, waaronder schepen die staatsgeld van de kolonie vervoerden en koopvaardijschepen voor de kust van Camarines.Blair, E. H., Robertson, J. A., The Philippine Islands, 1493-1803, The Arthur H. Clark Company, Cleveland, 1903, Vol. 51, p. 37 (1894), Historia General Filipinas: desde el descubrimiento de dichas islas hasta nuestros días, Vol II, p.435-436, Madrid : Imprenta y Fundición de Manuel Tello / Est. Tip. de la Viuda é Hijos de Tello